Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

heft - (handgreep)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

heft zn. ‘handvat van een werktuig’
Mnl. hegte ‘handgreep’ [1240; Bern.], hecht ‘greep van een zwaard’ [1300-25; MNW-R]; pas later de vorm heft in want hi theft heeft in die hant ‘want hij heeft het heft in de hand’ [1470-90; MNW-R].
Ohd. hefti ‘handgreep’ (mhd. hefte, nhd. Heft ‘id.’); oe. hæft ‘id.’ (ne. haft); on. hepti ‘greep, steel’; < pgm. *hafti-.
Verdere herkomst onzeker. Mogelijk een afleiding van heffen met het achtervoegsel pgm. *-þi- (*-ti- na stemloze affricaten). Met dat achtervoegsel werden echter vooral nomina actionis gevormd, zoals → gift naast geven, → macht naast mogen etc., een tekortkoming die opgelost kan worden door een nomen actionis ‘hij die vasthoudt’ als oudere betekenis te veronderstellen waaruit ‘greep’ dan bij overdracht is ontstaan, zoals ook vele andere woorden met dit achtervoegsel nu concreta aanduiden, bijv. gift en → bocht. Een andere mogelijkheid (Pfeifer) is dat het woord met een *-ja-achtervoegsel is afgeleid van een zn. *haft- ‘band, keten, verbinding, naad’, zoals in ohd./mhd. haft, oe. hæft; on. hapt, dat van de wortel van → heffen ‘optillen’ en → hebben wordt afgeleid, en zie → hechten.
De oorspr. eindklank van dit woord moet in het Nederlands -ft hebben geluid. In een groot deel van het taalgebied veranderde -ft- al voor of in het begin van de Middelnederlandse periode in -cht-, zie → achter. Later is toch de vorm heft gaan overheersen. Dit kan erop wijzen dat het woord uit de Hollandse dialecten in de standaardtaal is terechtgekomen, maar ook kan er sprake zijn van beïnvloeding door de klank in heffen (zo ook bijv. helft vanwege half).
De betekenis is nog steeds, net als in het Middelnederlands ‘handvat, greep van een werktuig of wapen’. In uitdrukkingen als het heft in eigen hand nemen geldt heft nog als teken van macht.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

hecht2* [handgreep] {(h)echt(e) 1287} nevenvorm van heft2, zoals graft naast gracht; de verbinding ft werd in een deel van het taalgebied tot cht, maar de ontwikkeling werd niet voltooid, zodat varianten naast elkaar kwamen te staan, waarbij ft fries-hollands is → hechten1.

heft2* [handvat] {1480} nevenvorm van hecht2.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

heft znw. o. naast hecht, mnl. hecht, heft o. m., mnd. hechte o. ‘zwaardgreep, steel’, ohd. hefti o. ‘zwaardgreep’, on. hepti ‘handgreep, steel’; daarnaast oe. hæft. — Te verbinden met heffen, waarvan de bet. in het oudgerm. mogelijk aan die van lat. capiō beantwoordde, vgl. ook gr. kṓpē ‘handvat, heft’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

heft znw.o., ook hecht, mnl. hecht, heft o. m. De uitgang e is in den onverbogen casus niet overgeleverd. = ohd. hefti o. “zwaardgreep” (nhd. heft), mnd. hechte o. “id., handvat, steel’, on. hepti o. “id.”. Een kortere stam in ags. hœft o. (waarnaast hæfte o.) “id”. Bij heffen. Voor de bet. vgl. gr. kṓpē “handvat, heft”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

hecht 1 o. (handvat), Mnl. id. + Ohd. hefti (Mhd. hefte, Nhd. heft); van den stam van heffen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

hef I: “handvatsel”; Ndl. heft/hecht (Mnl. heft/hecht), Hd. heft, Eng. heft hou verb. m. Lat. capere, “gryp” en Gr. kōpê, “greep, handvatsel”, ook verb. m. hef II.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

heft, hecht ‘handvat’ -> Frans dialect hec(e), hé ‘haak’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

heft* handvat 1480 [MNW]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

866. Het hecht (of heft) in handen hebben (of houden),

d.w.z. het gezag in handen hebben, baas zijn. De zegswijze laat zich gemakkelijk verklaren uit de Friesche zegswijze: dy 't heft yn 'e hännen het dy snijt. Vgl. verder Tuinman I, 164 en 238; II, 120: ‘Hy houd het hecht in de hand. Dat is, hy heeft de zaak in zyn geweld en magt. By het hegt kan men een degen of mes vast houden’. Zoo zeide men ook in denzelfden zin: hy houd de pan by den steelVgl. fr. qui tient la poêle par la queue, il la tourne là où il veut; ndl. die de pan bij de steel heeft keert ze zoo hij wil (Harreb. II, 169); die de pan heeft by de steert, keertse, naar dat hy 't begeert (De Brune, 339). en hy houd de ploeg by den steert (Tuinman I, 164); hy heeft de koe by de hoornen. In de 17de eeuw wordt onze zegswijze o.a. aangetroffen bij Hooft, Brieven, 209; Tac. 95; De Brune, Bank. I, 58; Pers, 214 b; 283 b en Interest v. Holl. 148. Vgl. ook het fr. tenir la queue de la poêle; hd. das Heft in der Hand haben; das Messer beim Hefte haben, en het lat. manubrium ex manu (e manibus) eximere alicui, iemand de gelegenheid en mogelijkheid ontnemen iets te doen; ansam praebere alicui, iemand gelegenheid verschaffenOtto, 229 en Bebel, 376: ille tenet ansam gladii: id est habet facultatem et opportunitatem rei bene gerendae.. Zie Ndl. Wdb. V, 1819; 1838; VI, 233; Zandstr. 26.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut