Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

heet - (zeer warm)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

heet bn. ‘zeer warm’
Onl. heit in de samenstelling heit-muodi ‘toorn’, letterlijk ‘heet gemoed’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. heet ‘zeer warm’ in een bat ... so heet dat hi vergat sins sels ‘een bad, zo heet dat hij zichzelf vergat (= buiten zichzelf raakte)’ [1260-80; CG II, Wr.Rag.], int purgatorie heet ‘in het hete vagevuur’ [1265-70; CG II, Lut.K], ook al ‘vurig, hartstochtelijk’, bijv. in eest v dus heet die vehtinge ‘is het gevecht u te heftig?’ [1260-80; CG II, Wr.Rag.].
Os. hēt (mnd. hē(i)t; ohd. heiz (nhd. heiß); ofri. het (nfri. hjit, hyt); oe. hāt (ne. hot); on. heitr (nzw. het); < pgm. *haita-. Daarnaast ablautend pgm.*hit-, waaruit → hitte en de aldaar genoemde woorden. Ablautend verwant zijn bovendien: got. heito ‘koorts’, met andere dentaal on. heiðr ‘helder, onbewolkt’, heið ‘helder weer, onbewolkte hemel’ (nijsl. heiður, heið), en zonder dentaal → heiig en de aldaar genoemde woorden. Misschien ook te verbinden met → hees, via het betekeniselement ‘droog’.
Verdere etymologie onduidelijk. De enige mogelijke verwanten zijn Baltisch, en dan bovendien met een ander dentaalachtervoegsel: Litouws kaisti ‘warm worden’, kaitra ‘hitte’. Deze beperkte geografische spreiding, in combinatie met de overvloed aan Germaanse vormen die in Indo-Europees kader moeilijk met elkaar te verenigen zijn, kan wijzen op herkomst uit een voor-Indo-Europese substraattaal.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

heet* [zeer warm] {oudnederlands heit 901-1000, middelnederlands heet} oudsaksisch het, oudhoogduits heiz, oudfries het, oudengels hat, oudnoors heitr; buiten het germ. litouws kaisti [heet worden] → hitte.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

heet bnw., mnl. heet, onfrank. heit, os. hēt, ohd. heiʒ, ofri. hēt, oe. hāt (ne. hot), on. heitr. Naast germ. *haita staan *hīta in got. heito ‘koorts’ en *hĭta, zie: hitte. — Dentaal-afl. van de idg. wt. *kai, ‘heet, hitte’, vgl. (met t-suffix) lit. kaistù, kaitau, kaisti ‘heet worden’, kaitra ‘vuurgloed’ (IEW 519). Bij een woord van zo beperkt verbreidingsgebied (germ. en baltisch) is te overwegen, of het niet uit een substraattaal kan zijn overgenomen. — Zie verder: heidamp en hitte.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

heet bnw., mnl. heet. = onfr. heit (in samenst.), ohd. heiʒ (nhd. heiss), os. ofri. hêt, ags. hât (eng. hot), on. heitr “heet”. Met ablaut got. heito v. “koorts” en met schwundstufe hitte. De t < idg. d is formantisch. Hij komt ook in lit. skaidrùs “helder” voor en misschien in lat. caelum (l < dl?). Semantisch minder wsch. is de afl. van deze basis van obg. cěždą, cěditi “zeven” (eig. “klären”?), čistŭ “rein”, opr. skīstan acc. “id.”. Met idg. -t- vgl. lit. kaistù, kaitaũ, kaĩsti “heet worden’’ (zie verder over de basis qei-t- bij -heid), zonder consonantisch formans of met -j- ohd. hei, gihei o. “hitte”: zie heidamp. Got. hais (o.?) “fakkel” kan idg. *qoi-so- of *qoi-d-so- of *qoi-t-so- zijn. Voor een basis met anlautende (s)ḱ- zie schijnen.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

heet. Hierbij het. -ian-ww. † heten II (he[e]ten II), mnl. héten, heiten (het ei-vocalisme zeldzaam door invloed van het bnw.) ‘heet maken’ = ohd. heiʒen, heizen (hd. heizen), ags. hæ̂tan, (eng. to heat), on. heita ‘id.’. Mnl. hêten intr. = ‘heet zijn’ kan hetzelfde woord zijn, maar ook aan ohd. heiʒên ‘gloeien’ beantwoorden.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

heet bijv., Mnl. id., Onfra. heit, Os. hêt + Ohd. heiʒ (Mhd. id., Nhd. heisz), Ags. hát (Eng. hot), Ofri. hét, On. heitr (Zw. het, De. hed), Go. haits; verwant met hei 3.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

heit (bn.) heet; Aajdnederlands heit <901-1000>.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1heet b.nw.
1. Baie warm. 2. Met 'n hoër temperatuur as gewoonlik. 3. Hewig, vurig, sterk, lewendig. 4. Vol geslagsdrif.
Uit Ndl. heet (al Mnl.), wat verwant is aan hitte 'hitte'. Eerste optekening in Afr. in Patriotwoordeboek (1902).
Eng. hot (ongeveer 1000 in bet. 1).

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

hete broek, hete teef: erg wellustige en losbandige vrouw. Zie ook teef*. Fransen gebruiken de term chaude lapine.

Fy heete teven. (Adriaense van Dordrecht, De geest van broer Cornelis. 1687)
… een geïdealiseerde verzetsheld uit Woudsend, die ik achternaliep als een hete teef. (Helen Knopper, Een onfatsoenlijk afscheid, 1983)
Bovendien was ze niet zo’n hete broek. Ze is nooit zo’n hete broek geweest. (Albert Mol, Haar van boven, 1988)

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

heet ‘recent’ (bet. van Engels hot)

K. van Dalen-Oskam & M. Mooijaart (2005), Nieuw bijbels lexicon: woorden en uitdrukkingen uit de bijbel in het Nederlands van nu, uitgebreid met De Nieuwe Bijbelvertaling, Amsterdam

Heet noch koud of niet heet of koud worden (van iets), onverschillig blijven (over iets). Ook met warm noch koud.

Dit beeld is gefundeerd op het universele verschijnsel dat opwinding en betrokkenheid met verhitting van het lichaam, en daarentegen onverschilligheid en afstand met verkilling samenhangen. De uitdrukking kan zich dan ook goed buiten bijbelse invloed ontwikkeld hebben, hoewel er een sterke overeenkomst is met Openbaring 3:15-16, 'Ik weet uw werken, dat gij noch koud zijt, noch heet. Waart gij maar koud of heet! Zo dan, omdat gij lauw zijt en noch heet, noch koud, zal Ik u uit mijn mond spuwen' (NBG-vertaling; de NBVgebruikt 'warm' in plaats van 'heet'). Deze hartekreet is gericht aan de kennelijk lauwe christengemeente te Laodicea.

Statenvertaling (1637), Openbaring 3:15-16. Ick weet uwe wercken, dat ghy noch koudt en zijt, noch heet: och oft ghy koudt waert, ofte heet!
[Over een schilderij:] Komt het van het doek af en brandt het als zuur in de harten van hen die die bezieling niet hebben. Of is het een lauwwarme pit waar geen mens heet of koud van wordt? (Brabants Nieuwsblad, 12-11-1974)
Iedereen kan op z$n kop staan door die Europacup, maar ik wordt er niet heet of koud van. (Voorbeeld, jaren '90)
Van seksfilms wordt mevrouw Saris 'warm noch koud'. (Hervormd Nederland, 21-12-1996)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Heet van den Germ. wt. hit = warm zijn; vgl. ons hitte.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

heet ‘zeer warm’ -> Negerhollands heet, hēt ‘zeer warm’; Berbice-Nederlands hete ‘zeer warm’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

heet* zeer warm 0901-1000 [WPs]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

140. Heet gebakerd zijn,

waarvoor men ook zegt haastig (vroeger ook haast) of driftig gebakerd zijn, beteekent: driftig, te voortvarend wezen. Men denkt, dat deze uitdrukking haar ontstaan te danken heeft aan de meening, dat de wijze, waarop een kind gebakerd werd, invloed had op zijn karakter; een geloof, dat evenwel nergens is aangetroffen. De uitdr. dateert uit de 17de eeuw (bijv. in de klucht van Lichte Wigger, 3: Jou moer heitje te heet ghebakert voor een eicken vier; Hooft, Ged. I, 295 en Brieven, 549) en komt sedert dien tijd veelvuldig voor; o.a. ook bij Halma, 210, die opgeeft: Heet gebakerd zijn, driftig zijn, être bouillant et précipité; avoir la tête chaude. Zie verder het Ndl. Wdb. II, 882; Harrebomée, III, 369 a en vgl. de synonieme uitdr. hy is te heet gebaedt (Campen, 101); in de 17de eeuw hij is heet gebakken naast hij is qualijk gebakerd (boos).

389. Op heeter daad,

d.w.z. terwijl de daad nog heet is, nog niet bekoeld; terwijl men bezig is met, gedurende het bedrijven van de daad; eene vertaling van het lat. in flagranti (delicto); vgl. fr. en flagrant délit; hd. auf der Tat, in flagranti ertappen; eng. in the (very) act. In de middeleeuwen noemde men dit metter verscher daetDit beteekent thans in Antwerpen: zonder toeven, zonder uitstel; Antw. Idiot 327. Dezelfde beteekenis had op heeter daad of op de heete daad, op de daad in de 17de eeuw.; 17de eeuw: op heeter daet, op de versse daad of op het stuk; Zuidnl. op de daad betraapt zijn, op de daad betrapt zijn, terwijl men bezig is (Teirl. 245); vgl. hd. auf frischer Tat en zie Ndl. Wdb. III, 2182; VI, 402; XI, 284.

875. Heet zijn op iets,

d.w.z. verzot, verslingerd zijn op iets; eig. van verlangen branden naar iets (hd. brennen vor Verlangen; fr. brûler de), eene ziedende begeerte gevoelen naar iets, gebrand zijn op iets (zie no. 615), een brander hebben op iets of iemand (Molema, 55 b). Vgl. hiermede: op iets vlammen, - vlassen, -geilen. Bij Sewel, 324: Heet, happig, gretig; heet op iets zijn, to be eager at a thing; Halma, 210: Heet zijn op 't spel, être âpre au jeu, aimer le jeu avec passion; vgl. op iets gevierd liggen of zijn, begeerig naar iets zijn (De Bo, 371; Waasch Idiot. 795). In Antwerpen kent men ook heet staan op iets; fri. hjit op 't ien of oar wêze; fr. être ardent à; hd. hitzig hinter etw. her sein; eng. to be hot upon a. th.

876. Heet van de naald,

d.w.z. pas gemaakt, zoodat het goed, de stof nog warm is van de naald; ook: onverwijld, onmiddellijk (Harreb. I, 113; Ndl. Wdb. VI, 398; IX, 1359); zoo zegt men ook in denzelfden zin: heet van den rooster (Ndl. Wdb. XIII. 1344), fri. hjit fen 'e roaster (zie reeds Sart. I, 9, 98); in Zuid-Nederland heet van de stoof; fr. encore chaud de la forge; heet uit de pan.De Amsterdammer, 15 April 1922 p. 2 k. 4: De koppige socialisten die waren van plan, om heet uit de pan de heele Regeering te kisten. Vgl. Spaan, 125: Dit lorretje zal mede warm van de naald en heet van den rooster gaan; Het Volk, 26 Oct. 1915 p. 1 k. 3: Men zal wel niet van ons verwachten dat wij heet van de naald over Treub's voorstellen het vonnis strijken; Handelsblad, 15 Oct. 1915 (avondbl.) p. 1 k. 1: Een journalist, die heet van de naald moet werken, is nu eenmaal niet in de gelegenheid te wachten tot een officieele wisseling van stukken hem in staat stelt de juiste waarheid te weten; Het Volk, 2 Juni 1915 p. 1 k. 1: De heer Elout is niet zoo heet van de naald als onze dilettant-kollega Smulders; Handelsblad, 19 Maart 1915, p. 10 k. 1 (avondbl.): ‘Getrouwd’ werd twaalf jaar na het eerste ontwerp geschreven.... en toch meende Coenen, dat dit boek zoo van de naald kwam en daardoor de intimiteit van memoires had.

Eene andere bet. heeft de uitdr. met de heete naald werken (Sewel, 324), iets met de heete naald maken, d.w.z. vlug, haastig, eig. zóo dat de naald niet koud geworden is (vgl. met den natten vinger kunnen aanwijzen); Halma, 366: Dat kleed is met de heete naald gemaakt, cet habit est fait à la hâte. Ook in Zuid-Nederland: met de heete steek, met de heete naald naaien, ras en haastig naaien, anders gezeid met de zaterdagsteke naaien (De Bo, 414; Schuermans, Bijv. 116), en in het Friesch: hja naeit mei in gleaune nille en in barnende tried, zij naait met een gloeiende naald en een brandenden draad (W. Dijkstra, 376 a); hd. mit der heiszen Nadel nähen; eng. to work with a hot needle and burnt thread, dat herinnert aan 't gron. naaien met een heete noald en verzengde droad.

998. Dat is een heet ijzer om aan te vatten,

d.w.z. dat is eene moeilijke zaak om te beginnen. Zoo staat de uitdr. o.a. bij Tuinman I, 40 en in Van Effen's Spect. VIII, 15; doch bij anderen, o.a. Harrebomée I, 278 leest men in de plaats van ijzer handijzer, met de toelichting, dat de spreekwijze is ontleend aan de vuurproeven der middeleeuwen, waarbij den van tooverij beschuldigde een gloeiend ijzer in de hand gegeven werd. Vgl. Sassensp. 1, 28, 41: ‘Si hebben drierhande core, dat yseren (var. hantiser) te draghen, in enen wallendighen ketel te gripene al totten ellenboghe of den camp, hem te verweerne’. Ofschoon het niet onmogelijk is hier ijzer als afkorting van handijzer op te vatten, is het echter waarschijnlijker dat we moeten denken aan een hangijzer (mnl. hanciser), d.i. een ijzeren ketting met haak, waaraan een ketel boven het vuur kan hangen, een hael of hangel, vooral omdat de uitdr. ‘het is een heet hangijzer om aan te vatten’ vroeger zeer gewoon was en men nooit in dit verband van een handijzer leest. Zie no. 834.

1236. Op heete (of gloeiende) kolen zitten (of staan),

d.w.z. ongeduldig, ongedurig zitten (of staan); telkens heen en weer schuiven, als teeken van ongeduld, gewoonlijk wanneer men in afwachting van iets isZie eene voorstelling hiervan bij Breughel no. 47. Seiler, 248 denkt aan de straf van iemand met naakte voeten op gloeiende kolen te zetten, teneinde de waarheid te vernemen.. Vgl. Sartorius IV, 15: haest u niet, ghy sit op gheen heete colen; Hooft, Brieven, 184; 403 en 431; Poirters, Mask. 41; Huygens, Hofw. 609; Paffenr. 197; C. Wildsch. III, 22; Van Effen, Spect. IV, 19; Halma, 280; Sewel, 409; Harreb. I, 430; Antw. Idiot. 1834; Teirl. II, 165; Waasch Idiot. 764 en Joos, 101. Synonieme uitdrukkingen zijn: op destels zitten; op netels zitten (De Bo, 226; 737; Eckart, 485); op heete doornen staan (Rutten, 217 a); op heete steenen gaan (Antw. Idiot. 1177); op een hekel zitten (Antw.); op heet ijzer staan (of zitten) of op 'n heet ijzer staan, buitengewoon ongeduldig zijn, ook in een zeer neteligen toestand verkeeren (Teirl. II, 71); op knipnagels zitten (Harreb. III, LXXXIX a en Molema, 211 a); Villiers, 65. Te vergelijken is eene uitdr. als de grond brandt onder zijne voeten (hd. ihm brennt der Boden unter den Füszen; fr. les pieds lui brûlent), om aan te duiden, dat iemand ergens niet wil blijven, er vandaan wil, of er zich althans niet thuis of op zijn gemak gevoelt (Ndl. Wdb. V, 1093). Vgl. fr. être sur des charbons ardents, des épines, la braise; hd. wie auf (glühenden) Kohlen sitzen (oder stehen); oostfri. hê steid up gleinige kölen; fri. hy sit op hjitte koallen; eng. to be on tenter-hooks, on pins and needles; to be on thorns, on brambles (Prick, 60); to sit on hot plates.

1378. Een droge (of heete) lever hebben,

d.w.z. veel dorst hebben, ook: gaarne zijn glas leeg drinken (Harreb. II, 20); een slappe lip hebben, een droge keel hebben (Ndl. Wdb. VIII, 1932). De lever wordt beschouwd als de zetel van den dorst. In de 18de eeuw staat de uitdr. opgeteekend bij Halma, 313: Eene heete lever hebben, tot den drank genegen zijn, avoir le foye chaud, aimer à boire. Zie verder Villiers, 73; Joos, 79; Teirl. II, 210; Tuerlinckx, 366; Antw. Idiot. 381; Wander II, 1867; Woeste, 159: He het ne droege lever; De Bo, 271: Een droogen lever hebben, genegen zijn tot den drank, veel drinken; bl. 628: Den lever doen zwemmen, drinken dat de lever zwemt, overvloedig veel drinken. In het hd. eine zu grosze Leber haben; in het nd. hä hiät 'ne dröge liäwer (Eckart, 317); er hat eine durstige Leber (Wander II, 1867); die Leber feuchten, zechen (Wander V, 1546); in Transvaal: ek is droge lewer (Hesseling, 112); eng. (verouderd) hotlivered, opvliegend; hot liver als teeken van grooten dorst (Prick2, 65).

1594. Iets met de heete naald maken,

d.w.z. iets heel haastig, slordig afmaken; eig. gezegd van een kleermaker of eene naaister, die zoo haastig werkt, dat de naald heet wordt. Zie Halma, 366: Dat kleed is met de heete naald gemaakt, cet habit est fait à la hâte! Sewel, 506: Dat kleed is met een heete naald (met drie haasten) gemaakt, that coat is made in a hurry; 324: met de heete naald werken, to do a thing with great haste. Voor het Vlaamsch, zie Joos, 88 en vgl. verder no. 876. In Twente: met de gluinige naolde in mekaar stekken; Land v. Aalst: iets met de vliegende schietspoel doen (De Cock1, 231; ook in Waasch Idiot. 717); elders met de Zaterdaagsche steek naaien (De Bo, 1420; Waasch Idiot. 755); met de pierewietsteek of piederdewietsteek naaien (Boekenoogen, 745).

2098. De soep wordt niet zoo heet gegeten, als ze wordt opgediend,

d.w.z. de uitvoering van bevelen, verordeningen en bedreigingen is dikwijls minder streng dan men naar den inhoud verwacht Men bezigt deze uitdr. om te kennen te geven, dat naar iemands meening het zoo'n vaart niet loopen zal. Vgl. Handelsblad, 16 Jan. 1921, p. 1 k. 4: De soep wordt nooit zoo heet gegeten als ze wordt opgedaan; 18 Juli 1920, p. I k. 1: In de militaire quaestie heeft Duitschland moeten toegeven.... al zal onder den drang der omstandigheden wellicht ook hier de soep niet zoo heet worden gegeten als ze is opgediend; 11 Maart 1921 (O), p. 6 k. 4: Als men niet wist, dat ‘de soep nooit zoo heet wordt gegeten als ze wordt gekookt’, zou men durven voorspellen: de tabaksbelasting gaat er aan; 26 Juli 1917 (O), p. 2 k. 1: De pap wordt niet zoo heet gegeten als ze gekookt wordt; 19 Juni 1923 (A), p. 13 k. 4: Een lichtpunt dat den ouders en ook den examinatoren tot troost zal strekken is, dat vermoedelijk de soep ook hier niet zoo heet gegeten zal worden, als ze ter tafel komt; Afrik. pap word altyd warmer gekook as dit geëet word, men overdrijft licht. Vertaling van 't hd. Der Brei wird heiszer aufgetragen als gegessen; es wird nichts so heisz gegessen als gekocht (gebacken); der Brei wird nicht so heisz gegessen als er vom Feuer kommt, als er aufgegeben wird.

2499. Voor heeter vuur gestaan hebben (of geweest zijn),

d.i. in grooter gevaar geweest zijn; eig. gezegd van den soldaat, die tegenover het vuur van den vijand staatOf kan gedacht worden aan de straffen der inquisitie om iemand met zijn bloote schenen voor een vuur te plaatsen (no. 2493)? Men zou dit kunnen opmaken uit Pers, 356 a: De Eedele en Steden van Holland hadden dit oock al ingewillight, soo dat Amsterdam, siende dat zy alleene mette bloote scheenen voor 't vyer stont, niet by gedoge, maer met overstemminge, daer in verwilghde.. Syn. van het 17de-eeuwsche groter zee overgevaren zijn (Witsen, 492 a; Sewel, 623). Vgl. Tuinman I, 56: Ik heb wel voor een heeter vuur gezeten; Boere-krakeel, 82: Hy heit al wel voor heeter vuur gezeten; bl. 173:

 'k Bin daer, zei Hans, niet voor bevreest:
 Want Joost, om 't jou maer kort te zeggen,
 Heit al voor heeter vuur geweest,
 En van zen craesie (courage) blyk gegeeven.

Harreb. II, 427 b: Hij is voor een heet vuur geweest; bl. 428 a: Ik heb wel voor heeter vuur gestaan, zei Lammert, en hij stond tot zijne keel toe in het water; Lvl. 180: Ik heb van m'n leven niet voor heeter vuren gestaan; Nkr. II, 5 Januari p. 3; A. Jodenh. II, 29: Ik heb in me leve al voor grootere vure gestaan; Nkr. V, 19 Maart p. 6: Voor Kolthek zou ik uit den weg niet gaan? Ik heb wel voor heetere vuren gestaan; De Arbeid, 29 Mei 1915 p. 4 k. 3: De revolutionaire arbeidersbeweging in ons land heeft wel voor heetere vuren gestaan, waarbij zij tot schrik harer vijanden bewonderenswaardige daden wist te verrichten.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut