Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

heersen - (macht uitoefenen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

heersen ww. ‘macht uitoefenen’
Mnl. heerscen ‘gebieden, macht hebben’ in een starc coninc sal over hem heerscen ‘een machtige koning zal over hen heersen’ [1348; MNW-P].
Ontleend aan Duits herrschen, met onverklaarde /š/ ontwikkeld uit mhd. hersen ‘machtig zijn als een heer’, ohd. hērisōn. Dit werkwoord is qua vorm een afleiding van de overtreffende trap van het bn. hēr ‘belangrijk, voornaam’, dat ook aan de basis ligt van het zn. Herr ‘heer’, zie → heer 1; de betekenis is echter al vanaf het Oudhoogduits aangepast aan datzelfde persoonsaanduidende zn., wat ook de latere Duitse spelling met -rr- verklaart.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

heersen [regeren] {heerschen 1348} < hoogduits herrschen [idem], van oudhoogduits heriro [heer] (vgl. heer1).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

heersen ww., mnl. heerscen, mnd. herschen, ohd. hērisōn (nhd. herrschen). Het is gevormd van het woord heer 1, daar het betekent ‘de macht van een heer hebben’. — Misschien is het nhd. woord in het mnd. en mnl. overgenomen. Kiliaen beschouwt het als Germ. Sax., Sicambr. wat wijst op herkomst uit het Oosten. Het mhd. hersen werd uitgesproken als hēršen en dat verklaart de reeds sedert 1348 voorkomende mnl. vorm heerscen (v.Haeringen Suppl. 67).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

heerschen ww., mnl. heerscen. = ohd. hêrisôn (nhd. herrschen), mnd. hêrschen “heerschen.” Van ’t bij heerlijk besproken bnw. onder invloed van heer I (vgl. heerschap) gevormd. [Voor een oude dgl. formatie zie bij rijk I.] Reeds in’t Ohd. wordt soms naar hêrro hêrresôn geschreven.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

heers[ch]en. Het ndl. (en ndd.) woord is wsch. onder invloed van het Hd. opgekomen: Kil. noemt het ‘Germ. Sax. Sicamb.’; hierop wijst ook de spelling met sch (vroegnhd. -rš-, gespeld -rsch-, uit -rs-). De sc van het zeldzame, maar reeds in 1348 voorkomende mnl. heerscen behoeft geen aanleiding te zijn om hierin een van ohd. hêrisôn afwijkende formatie te zien.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

heerschen ono.w., Mnl. heerscen + Ohd. hêrisôn en hêrrisôn (Mhd. hersen, Nhd. herrschen): een afleid. zoowel van heer 1 als van het daar vermelde adj. *heer; hetzelfde geldt voor heerschap.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

heersen ‘regeren’ -> Deens herse ‘commanderen’ (uit Nederlands of Nederduits); Deens herske ‘regeren’ (uit Nederlands of (Neder- of Hoog-)Duits); Noors herske ‘heerschappij voeren; algemeen voorkomen’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds härska ‘regeren’ (uit Nederlands of Nederduits).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

heersen regeren 1348 [MNW] <Duits

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut