Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

heerlijk - (aangenaam, vreugdevol; lekker)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

heerlijk bn. ‘aangenaam, vreugdevol; lekker’
Mnl. herlic ‘schitterend, kostbaar, mooi’ in ein godis hus harde herlic ‘een zeer schitterende kerk’ [1200; CG II, Servas], eine urowe herlic ‘een mooie vrouw’ [1201-25; CG II, Floyr.]; er is ook invloed van het zn. heer ‘aanzienlijke man’, bijv. in herlec ‘van de heer’ [1240; Bern.]; vnnl. ook ‘verrukking teweegbrengend, aangenaam, lekker’ in een claren lucht, met een heerlijcken zuyden windt [1598; WNT], het heerlijck orgel [1655; WNT], hy bragt my heerlyken wyn [1653-54; WNT].
Afleiding met het achtervoegsel → -lijk van het bn. hēr ‘voornaam, aanzienlijk’, dat in het Nederlands al zeer vroeg verdwenen is, maar in het Duits nog bestaat als hehr ‘voornaam’, zie verder het eveneens van hēr afgeleide zn.heer 1 ‘man’.
Alleen ohd. hērlīh (nhd. herrlich, > nzw. härlig).
Door associatie met het zn. heer ‘aanzienlijke man’ werd het mnl. heerlic al vroeg tevens geïnterpreteerd als een afleiding daarvan: ‘van, betreffende of zoals een heer’; het is echter ook mogelijk dat beide woorden heerlic als homoniem werden beschouwd. De betekenis ‘van, betreffende de heer’ is in de moderne taal verouderd en verschijnt alleen nog in historische context, bijv. heerlijke stad, heerlijke rechten, en in de afleiding heerlijkheid ‘gebied waarover een heer gezag had’. Intussen ontwikkelde zich de oorspr. betekenis ‘schitterend, aanzienlijk’ in het Nieuwnederlands tot algemener ‘verrukking teweegbrengend, zeer aangenaam’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

heerlijk* [prachtig, aangenaam] {heerlijc 1200} oudsaksisch hērlik, oudhoogduits hērlik, een afleiding van bv. oudhoogduits hēr [verheven, heerlijk], oudnoors hārr [grijsharig], vgl. middeliers ciar [donker van kleur]. De oorspr. betekenis is dus ‘met grijze haren’, vervolgens ‘eerbiedwaardig’. Het woord heerlijk werd echter al vroeg geassocieerd met heer1.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

heerlijk bnw., mnl. heerlijc ‘heerlijk, kostbaar, aanzienlijk’, os. hērlīk ‘voornaam’, ohd. hērlīh ‘voornaam’ (nhd. herrlich). — Afl. van bnw. mnl. heer, gheheer ‘aanzienlijk, voortreffelijk’, os. ohd. hēr ‘verheven, voornaam, heilig’ (nhd. hehr), oe. hār (ne. hoar), on. hārr ‘grijs, grijs van haren’. — Men moet uitgaan van germ. *haira ‘grijs’. — miers cīar ‘donkerbruin’, osl. sĕrŭ ‘grijs’; dit zijn r-afl. van de idg. wt. *ḱei, waarnaast een u̯o-afl. van een stam *ḱiā staat in oi. śyāvá- ‘zwartbruin’, lit. šyvas ‘witachtig’, opr. sywan, osl. sivŭ ‘grijs’ (IEW 540).

Mnl. heerlijc betekent ook ‘op een heer betrekking hebbend’ en is dan rechtstreeks van heer 1 afgeleid; inderdaad hangt het hiermee samen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

heerlijk bnw., mnl. heerlijc “heerlijk, kostbaar, aanzienlijk, voortreffelijk”. = ohd. hêrlich “id.” (nhd. herrlich), os. hêrlîk “voornaam”. Het gelijkluidende ndl. heerlijk, mnl. heerlijc “op een heer betrekking hebbend” is direct van heer I afgeleid, in de andere bett. is heerlijk voor het ndl.-hd.-ndd. taalgevoel ook hiervan gevormd, inderdaad is ’t evenals heer I afgeleid van mnl. heer, gew. gheheer “aanzienlijk, voortreffelijk”, ohd. hêr “verheven, heerlijk, voornaam, heilig” (nhd. hehr), os. hêr “id.”, ags. hâr (eng. hoar), on. hârr “grijs, grijsharig”. De oorspr. bet. van germ. *χaira- is “grijs” en niet “eerwaardig”, blijkens ’t in vorm er mee identische russ. séryj, po. szary “grijs” en ’t ablautende ier. ciar “donkerkleurig”. De combinatie van po. szary met oi. çyâmá- “zwart, donker”, çyâvá-” donkerbruin” is onwsch., ablaut mogen wij ook niet aannemen: de slav. vormen wijzen veeleer op *qhoiro- (= gr. khoĩros “big”??); de hypothese, dat ze uit ’t Germ. zijn ontleend, is althans mogelijk: is ze juist, dan zouden wij germ. *χaira- met de genoemde oi. woorden kunnen combineeren (wortel ḱĭ-; zie schijnen).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

heerlijk bijv., Mnl. id., Os. hêrlik = Ohd. hêrlîh (Mhd. hêrlîch, Nhd. herrlich): afgel. van *heer, vermeld onder heer 1.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

heerlijk ‘prachtig, aangenaam’ -> Deens herlig ‘aangenaam’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors herlig ‘prachtig, aangenaam’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds härlig ‘prachtig, aangenaam’ (uit Nederlands of Nederduits); Frans dialect † harlige ‘nobel’; Negerhollands heerlik ‘prachtig, aangenaam’.

Dateringen of neologismen

Nicoline van der Sijs (2015-heden), Jaarwoordenzoeker ‘Een woord uit elk jaar 1800-heden’, zie ook bij Onze Taal

Heerlijk duurt het langst [musical] (1965). Op 2 oktober 1965 gaat de musical Heerlijk duurt het langst in première, een musical die geschreven is door Annie M.G. Schmidt (1911-1995). De titel wordt een gevleugelde uitdrukking. In 1971 schrijft Schmidt voor de musical En nu naar bed het liedje ‘Vluchten kan niet meer’, op muziek van Harry Bannink. Ook deze titel raakt ingeburgerd. In 1988 wordt Schmidt met twee prijzen gelauwerd, als eerbetuiging voor het feit dat ze de taal van ettelijke generaties heeft beïnvloed.

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

heerlijk* prachtig, aangenaam 1200 [CG II1 Servas]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut