Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

heer - (mannelijk persoon)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

heer 1 zn. ‘man’
Onl. hērro, hēro ‘Heer (Latijn Dominus)’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. here ‘heer’, in aanspreekvormen gevolgd door een eigennaam meestal in de vorm her.
Oorspr. de vergrotende trap van een bn. met de betekenis ‘belangrijk’. Uit de Romeinse aanspreektitel (Laatlatijn) senior ‘rijpvolwassen man, ca. 45-60 jaar’, dat oorspr. de vergrotende trap was van senex ‘oud’ (zie → senior, → seniel), ontstonden eerder al o.a. Frans seigneur en sire (zie → sinjeur, → sire) als aanspreekvormen voor heersers en andere hooggeplaatste personen. Naar analogie hiervan introduceerde men in het Oudhoogduits ten tijde van het Frankische rijk in diezelfde functie de vormen hēriro, hēroro, vergrotende trap van hēr ‘oud, waardig, belangrijk’, zie → heerlijk; vanuit het Oudhoogduits heeft het woord zich verspreid in de andere Germaanse talen.
Ohd. hēriro, verkort her(r)o, hēr(r)o ‘heerser, hooggeplaatst persoon’ (mhd. herre, als aanspreekvorm her, hēr; nhd. Herr); daaruit os. hērro (mnd. hēr(e)); ofri. hēra (nfri. hear); oe. hearra (< os.; al in het me. verouderd); on. herri, herra (< os.; nzw. herre).
Ohd. hēr (nhd. hehr ‘voornaam, verheven’) heeft in deze betekenis geen Germaanse parallellen, behalve onl. hēr ‘voornaam’ [ca. 1100; Will.], en nog mnl. die urowe here ‘de voorname, eerbiedwaardige vrouw’ [1201-25; CG II, Floyr.], maar beide bronnen zijn enigszins Hoogduits gekleurd. Als de oorspr. betekenis van ohd. hēr ‘grijs, grijsharig’ is, is dit wrsch. hetzelfde woord als oe. hār en on. hárr, < pgm. *haiza-, bij een pie. wortel voor ‘grijs’, zie ook → haas 1 ‘knaagdier’.
Oudhoogduits hēr(i)ro verdrong de oudere en algemeen Germaanse aanspreekvorm frō ‘heer’. In het Nederlands en het Fries is een met frō ‘heer’ verwant woord slechts indirect aanwijsbaar in de afleiding → vrouw, in mnl. vrone (bn., oorspr. een genitief mv.) ‘van de heren’ > (zn.) ‘land van een landheer’ > nnl. vroon, nu verouderd, maar nog in toponiemen (bijv. Fries Franeker = Nederlands Fronaker), en in mnl. vroonte, vreunte ‘gevangenis (van de heer)’, zie → amigo.
In het Oudnederlands nog wel geattesteerd is een eveneens door hērro vervangen zn. drohtin, druhtin ‘heer’ [eind 9e eeuw; CG II-1, 39], waarvan het eerste deel nog voortleeft in → drost.
In navolging van Frans seigneur en Duits Herr wordt here, heer al in het Oudnederlands gebruikt ter aanduiding van Christus of God, en zo ook in de meeste bijbelvertalingen nadien.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

heer1* [mannelijk persoon] {oudnederlands herro 901-1000, middelnederlands here} oudsaksisch herro, oudhoogduits heriro (hoogduits Herr), eig. een vergrotende trap bij heer (eerste lid van heerlijk), oudhoogduits her [heerlijk, voornaam], stond wel o.i.v. latijn senior, vgl. de vergrotende trap in seigneur. De uitdrukking niemand kan twee heren dienen is ontleend aan Mattheus 6:24 en Lucas 16:13; in langs 's heren straten lopen [langs de openbare weg lopen] is de grote weg bedoeld die onder bescherming van de landheer stond.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

heer 1 znw. m. ‘man van stand; eig. die gebiedt over anderen’, mnl. hêre, onfrank. hērro, os. hērro (> oe. hearra, on. herra, herri), ohd. hēriro, hērro (nhd. herr), ofri. hēra. Het woord is eigenlijk de comparatief van het ohd. hēr ‘heerlijk, voornaam’, die onder invloed van het lat. senior (> fra. sire, seigneur, sieur) is opgekomen. Men neemt aan een ontstaan c. 600 op oudhoogduits taalgebied (misschien mag men wel tot de oudfrankische tijd in het vroegere Gallië teruggaan, waar de invloed van het lat. woord voor de hand ligt); het zou zich dan noordwaarts uitgebreid hebben naar het nl. nd. en het fri. taalgebied. — Zie verder: heerlijk.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

heer I znw., mnl. hêre m. = onfr. hêrro, ohd. hêriro, hêrro (nhd. herr), os. hêrro (waaruit ags. hearra, on. herra, herri, de. zw. herre), ofri. hêra m. “heer”. Oorspr. de comparatief van ’t bij heerlijk besproken bnw. ohd. hêr, die, wsch. onder invloed van lat. senior (> fr. sire, seigneur, sieur), de bet. “heer” heeft aangenomen, en wel ’t. eerst op het ohd. taalgebied (± 600), vanwaar het woord zich allengs over het ndl.-ndd.-fri. gebied heeft uitgebreid. Vgl. vrouw. Voor een ouder germ. woord voor “heer” zie vroon-.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

heer 1 m. (meester), Mnl. here, Os. hêrro + Ohd. id. (Mhd. herre, Nhd. herr), Ofri. héra: samentrekking van Os. hêrero, Ohd. hêriro, comparatief van *heer, Os. hêr + Ohd. id. (Mhd. id., Nhd. hehr), Ags. hár (Eng. hoar) = grijs, eerwaardig + Ru. sěryj, Po. szary = grijs, Oier. ciar = donkerkleurig. Aan ’t Ndd. zijn ontleend Ags. hearra, en On. herra, zoodat die gesubstantiveerde compar. van het Germ. van ’t vasteland uitgaat.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

hier (zn.) mannelijk persoon; Aajdnederlands hero <901-1000>.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

heer (de, heren), man. Als ik een heer van drie-en-twintig ben, wil ik niet meer bij mijn ouders wonen, want het zal te vervelend zijn Doelwijt (1971: 90). Werkende Surinaamse vrouw, 48 jr. met kinderen, zoekt lieve heer tot 60jr. () (Volkskrant 9-2-1980, in adv.). - Etym.: Alg. gebr. aanduiding voor alle soorten man. AN h. = o.m. man van aanzien. - Zie ook: dame*, ba*.
— : heren (gebr. als bn.), van mannen. Hier opgenomen i.v.m. de plaats van het woord wanneer het gecombineerd wordt met een (ander) bijvoeglijk naamwoord. Heren bruine schoenen = bruine herenschoenen. Dames* en heren zwarte parapluies (in adv. 1926, cit. volgens Doelwijt 1974: 77). - Etym.: De verklaring kan geheel dezelfde zijn als bij dames*: z.a.

Thematische woordenboeken

K. van Dalen-Oskam & M. Mooijaart (2005), Nieuw bijbels lexicon: woorden en uitdrukkingen uit de bijbel in het Nederlands van nu, uitgebreid met De Nieuwe Bijbelvertaling, Amsterdam

Heer of Here, aanduiding, naam en aanspreektitel van de God van Israël en het christendom, en van Jezus.

Heer in het Oude Testament is de weergave van zowel Hebreeuws Adonai 'heer, mijn heer' als van JHWH, de godsnaam die alleen uit medeklinkers bestond en waarvan de oorspronkelijke uitspraak en betekenis onbekend zijn. De Hebreeuwse naam werd door de joden niet uitgesproken (zie ook Jehova). De Statenvertalers besloten het eerste Heer in de gewone onderkast te drukken, en het tweede, ter onderscheiding, in kapitaal. Tot in de NBG-vertaling kan men deze verschillende weergaven vinden, bijvoorbeeld in de dubbele betiteling Here HERE: 'Mijn sterkte en mijn psalm is de Here HERE, en hij is mij tot heil geweest' (Jesaja 12:2). Latere vertalingen buiten de Statenvertaling-traditie zijn tot weergave van de naam Jahwe(h) overgegaan (zoals bijvoorbeeld de Leidse vertaling, de Canisiusvertaling en de Willibrordvertaling). In de NBV is, na uitvoerige discussie, gekozen voor de weergave van JHWH door HEER. Wel worden de lezer in de uitgave alternatieven zoals Aanwezige, God, Levende, De Naam en Onnoembare aangereikt.
Een discussiepunt bij sommige bijbelvertalingen na de Statenvertaling (1637) is ook het al of niet behouden van de slot-e geweest. De zgn. 'lange vorm' Here heeft de oude zwakke uitgang behouden die in andere Nederlandse woorden, en ook in heer in de niet-religieuze betekenis, verloren is gegaan; vergelijk knaap, rouw, ster, eertijds knape, rouwe, sterre. In orthodoxe kringen hechtte men aan de oude vorm uit eerbied voor Gods naam. De archaïsche vorm leent zich tevens voor ironisering, de moderne verbindingen kunnen zowel met Heer als Here voorkomen.
In het Nieuwe Testament is Heer de aanspreektitel en benaming van Jezus.
In tegenstelling tot God is Heer in het algemene gebruik vrijwel beperkt gebleven tot aan de bijbel ontleende verbindingen. Soms wisselen God en Heer in uitdrukkingen. Zie ook: Avondmaal, Christus, Dag, Deo Volente, Geest, Gezalfde, God, Huis, Jehova, Kind.

Onze Lieve Heer, de Lieve Heer, Onze Heer, Onsheer e.d., aanspreektitels en aanduidingen van de christelijke God en van Jezus, dikwijls in minder formele stijl, en wat Onze Lieve Heer en Onsheer betreft, vooral in rooms-katholieke kringen, (fig.) kruisbeeld.
In het jaar Onzes Heren (gevolgd door een jaartal), in het desbetreffende jaar, volgens de christelijke jaartelling.

Met Onze Lieve Heer e.d. kan men God of zijn zoon Jezus bedoelen, of een samenvatting van de goddelijke personen. In bepaalde gevallen, zoals bij de benaming van een kruisbeeld, wordt duidelijk naar Jezus verwezen, en zo ook bij de jaartelling, die immers rekent vanaf de vermeende datum van Jezus' geboorte. Er is geen bijbels voorbeeld voor deze benamingen.

En hij hing een beeld op van die student alsof het een nieuwe onsheer was... . (L.P. Boon, De Kapellekensbaan/Zomer te Termuren, 1980 (1953/1956), p. 567)
Een doodgewone man / in meisjesarmen // weet meer van liefde / dan de Lieve Heer. (N. Scheepmaker, De Gedichten, 1991 (Zonder geluk, 1955), p. 362)
[Dochter over haar oude, al lange tijd ernstig zieke moeder:] Onze Lieve Heer vergeet gewoon haar op te halen. (Gehoord, jaren '90.)
Bij Boelgakov wordt men meteen getroffen door de bijbelse associaties. 'Groots en verschrikkelijk was het, het jaar onzes Heren 1918, het tweede jaar sinds de revolutie.' (NRC, maart 1995)

Hand, vinger des Heren, de macht of daden van God.

Net als Gods hand wordt de hand des Heren, ook de vinger des Heren, genoemd als men de straffende hand van God bedoelt die achter bepaald onheil zit. De verwisseling God en Heer zien we bij de uitdrukking vinger des Heren, in de NBG-vertaling Gods vinger, bijvoorbeeld naar aanleiding van de derde plaag in Egypte: 'De muggen kwamen op mens en dier. Toen zeiden de geleerden tot Farao: Dit is Gods vinger' (Exodus 8:18-19, NBG-vertaling).

Liesveldtbijbel (1526), 1 Samuël 7:13. Alsoo worden die Philisteen neder gedruct voir den HERE, ende en quamen niet meer in die palen Israel, ende die hant des HEREN was tegen Philistaan, also lange als Samuel leefde.
Maar wij, wij zouden elkaar wel willen verscheuren als we niet met largactil onder de duim werden gehouden. En wie kan keren de vinger des Heren. (B. Weijde, Onder het ijs, 1994, p. 159)

De Heer zij geprezen, lofprijzing; ook als ironische uitroep van opluchting of enthousiasme.

Lofprijzingen treffen we in de bijbel in vele vormen aan, met onder andere God, de Heer, en Christus als aangesprokene. Bijvoorbeeld in de Psalmen: 'Geprezen zij de HEER om zijn trouw, / hij heeft een wonder voor mij verricht, / hij ontzette mij als een belegerde stad' (Psalmen 31:22, NBV). Het gebruik van prijzen is in de jongere vertalingen frequenter dan in de Statenvertaling (1637). In profane context is het karakter van de lofprijzing nagenoeg verloren gegaan.

Statenvertaling (1637), Psalmen 113:2. De Name des HEEREN zy gepresen, van nu aen tot in der eeuwicheyt.
De Here zij geprezen / We zitten, zie ik, reeds in regel 8! (Weelde en feestgedruis. De beste gedichten van drs. P, 1986 (Het zou toch voor een keer opwindend wezen, 1983), p. 101)
De Heer zij geprezen, verzuchtte de minnaar in zijn binnenste als hij het huis aan de Halt weer zag opdoemen, we zijn er bijna. (T. Kortooms, Mijn kinderen eten turf, 1967 (1959), p. 142)

Zo de Heer wil (en wij leven), formulering waarmee sommige christenen uitdrukken dat zij hun plannen onderwerpen aan de beschikkingen van God.

Deze formule is ontleend aan de brief van de apostel Jakobus en wordt ook wel 'het voorbehoud van Jakobus' genoemd: 'Dan iets voor u die zegt: "Vandaag of morgen gaan wij naar die en die stad. Daar blijven we een jaar [...]". U weet niet eens hoe uw leven er morgen uitziet. [...] U zou moeten zeggen: "Als de Heer het wil, zijn we dan in leven en zullen we dit of dat doen" (Jakobus 4:13-15, NBV). Bekender bij ons is de Latijnse vorm Deo Volente (zie dat artikel).

Statenvertaling (1637), Jakobus 4:15. In plaetse dat ghy soudt seggen, Indien de Heere wil, ende wy leven sullen, so sullen wy dit ofte dat doen.
'Dus volgend jaar, zo de Here wil en wij leven...?' vroeg hij nogmaals. 'Ja, dominee,' zei ik. (M. $t Hart, Het vrome volk, 1985 (1974), p. 81)

In de Heer zijn, het christelijk geloof aanhangen; (iron.) een fanatiek aanhanger van een christelijke beweging zijn, overdreven vroom zijn.

Ontleend aan Paulus' formulering in onder andere Romeinen 16:11 (uit een afscheidsgroet): 'Groet hen, die behoren tot de kring van Narcissus, die in de Here zijn' (NBG-vertaling; de NBV heeft 'in de heer geloven'). Bij Paulus vinden we ook broeders in de Heer, en vergelijk ontslapen in de Heer in het artikel Ontslapen. Nu wordt de uitdrukking in de Heer zijn vooral gebruikt om spottend over iemands plotselinge of overdreven vroomheid te spreken.

Liesveldtbijbel (1526), Romeinen 16:11. Gruetet Herodionen mijnen maech, Gruet die dair van Narciscus gesinne sijn, inden heere.
Vóór die tijd noemden zij [de Positivo's] zich Freddy and his Ruigpoten en zaten ze -- naar eigen zeggen -- voornamelijk achter de wijven aan. Maar toen ze merkten hoeveel succes een concurrerende band met gospels had, waren zij in de Here gegaan. (E. Sanders, Jemig de pemig! De invloed van Van Kooten en De Bie op het Nederlands, 1999, p. 107)
Baas is in de Heer. De Surinaamse ondernemer en aspirant-president Desi Bouterse heeft zich bekeerd tot het evangelische christendom. (NRC, 6-11-1999, p. 29)

De Here heeft gegeven, de Here heeft genomen, (de naam des Heren zij geloofd), uitspraak van vrome christenen als men iemand door de dood verliest: God beslist over wat hij zelf gegeven heeft en behoort ook als iemand sterft geprezen te worden.

Het is de spreekwoordelijke vroomheid van Job die hem deze woorden ingeeft als hij het bericht ontvangt dat nadat al zijn bezittingen verloren zijn gegaan, ook zijn tien kinderen zijn omgekomen: 'De HEER heeft gegeven, de HEER heeft genomen, de naam van de HEER zij geprezen' (Job 1:21, NBV). Deze uitspraak, in christelijke kringen wel gebezigd als iemand overlijdt, wordt in onderstaande literaire teksten geciteerd met een ondertoon van onbegrip voor de gedachte erachter.
Overigens vinden we de uitdrukking al in de Proverbia Communia (circa 1495) in de vorm 'God gaf god nam'.

Liesveldtbijbel (1526), Job 1:21. Die HERE heuet gegeuen, die HERE heuet genomen, die naem des HEREN si geseegent. (Statenvertaling (1637): gelooft.)
Het derde en het vijfde kind stierven jong respectievelijk zeer jong; ze werden omstreeks acht en nog niet een. De Here heeft gegeven, de Here heeft genomen, de naam des Heren zij geprezen. (N. Matsier, Gesloten huis, 1995 (1994), p. 150)
'De Here geeft en de Here neemt,' stelde hij [de dominee] om de haverklap vast. Ieder ging op Zijn tijd. Nee, de dood was geen pretje. (G.J. Zwier, De knoop van IJsland, 1997 (1996), p. 61)

Tot hiertoe heeft de Heer ons geholpen, uitspraak bij het bereiken van een mijlpaal, die Gods hulp daarbij benadrukt.

Deze tekst, die vaak op gedenkstenen wordt aangetroffen, is ook in de oorspronkelijke context aan een gedenksteen verbonden, geplaatst na een overwinning van het volk Israël op de Filistijnen. 'Na afloop plaatste Samuël tussen Mispa en Sen een steen en noemde die Eben-Haëzer. "Want," verklaarde hij, "tot hier toe heeft de HEER ons geholpen" (1 Samuël 7:12, NBV).

Liesveldtbijbel (1526), 1 Samuël 7:12. Tot hier toe heeft ons die HERE geholpen.
[Over de gedenksteen met de desbetreffende tekst in de gevel, onder het torentje van de Gereformeerde Kerk te Leidschendam, Damlaan:] 'Tot hiertoe heeft de Here ons geholpen.' Maar het torentje hebben we zelf moeten bouwen. (Gehoord, jaren '90)
Tot hiertoe heeft de Heer ons vrouwen geholpen: wij mogen redacteur zijn en zelfs minister. (Elsbeth Etty in NRC, 13-3-1999, p. 33)

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

heer ‘titel’ (vert. van Latijn senior); ‘God’ (bet. van Latijn dominus)

K. van Dalen-Oskam & M. Mooijaart (2005), Nieuw bijbels lexicon: woorden en uitdrukkingen uit de bijbel in het Nederlands van nu, uitgebreid met De Nieuwe Bijbelvertaling, Amsterdam

Men kan geen twee heren dienen, men kan geen twee belangen tegelijk met volledige inzet behartigen; men kan zich maar aan één zaak of persoon tegelijk wijden.

De uitdrukking is ontleend aan een uitspraak van Jezus die voorafgaat aan die over de Mammon (zie dat artikel) in Matteüs 6:24: 'Niemand kan twee heren dienen: hij zal de eerste haten en de tweede liefhebben, of hij zal juist toegewijd zijn aan de ene en de andere verachten. Jullie kunnen niet God dienen én de mammon' (NBV).

Liesveldtbijbel (1526), Matteüs 6:24. Niemant en mach twe heeren dienen, of hi sal den eenen haten, ende den anderen liefhebben of hi sal den eenen aenhangen, ende den anderen verachten, ghi en muecht gode niet dyenen ende den mammon.
De altijd blijmoedige Jan kan het niet voor elkaar krijgen. Hij kan geen twee heren dienen. Hij wil vrolijk door het leven blijven gaan en heeft daarvoor de liefde en steun van zijn gezin nodig. Dan moet je dus af en toe thuis je gezicht laten zien. We hebben het niet over een EO-voorman, maar over Jan Rijpstra, momenteel zowel Tweede Kamerlid als Meppeler raadslid. (Meppeler Courant, sept. 1994)
[Vrouw over echtgenoot die een vriendin heeft:] Je kan nou eenmaal geen twee heren dienen, en geen twee vrouwen ook. (Gehoord, jaren '90)

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

heer, heere. In het Vroegmiddelnederlands, bijvoorbeeld in de West-Vlaamse Rijmbijbel [1285] van Jacob van Maerlant, zwoer men bi onsen heren, en in de latere Middeleeuwen kende men de volgende eden: bi den Here van den trone ‘bij Christus Koning’; bi onsen Heere ‘bij Onze-Lieve-Heer’; bi den heere van paradise ‘bij de God van het paradijs’; bi den here di mi gheboot ‘bij de God die mij schiep’; biden here die ons (of mi) g(h)ewrochte ‘bij de Heer die mij of ons geschapen heeft’; bi onsen here die vele mach ‘bij onze almachtige Heer’; biden here, di mi geboet ende ten joncsten dage sal domen ‘bij Onze-Lieve-Heer, die mij heeft geschapen en die mij op de dag des oordeels zal oordelen’. Opmerkelijk is dat zij nooit verbasterd zijn. Opname van deze formules in dit lexicon is het gevolg van het ijdel gebruik. Dat geldt ook voor bi den here van Nasarene ‘bij Jezus van Nazaret’; en bi den here die mi gheboet; bi ons heren macht algader; biden here die was ghecroent met eenre croene van doerijn ‘bij Jezus Christus die gekroond werd met een kroon van doornen’ en de dubbele eed bi ons heren macht algader ende bi hem selven namelike die here es in hemelrike ‘bij de almacht van Onze-Lieve-Heer en bij hem met name die Koning is van het rijk der hemelen’.
De eed daar durf ik ons Heer op te ontvangen! herinnert aan de vroegere avondmaalsproef. Indien er in een klooster een diefstal gepleegd was, moesten alle kloosterlingen tijdens een plechtige mis te communie gaan en de heilige hostie nuttigen met de wens, dat die hostie voor hen een teken van schuld of onschuld zou worden. Men geloofde toen dat Onze-Lieve-Heer niet in het lichaam van een schuldige wilde blijven. Vandaar ook dat zich allerlei verhalen rondzongen over mensen bij wie de hostie langs de navel er weer was uitgekomen. Vgl. De Cock (1908: nr. 261). De oorspronkelijke eed werd tot meineed en tot vloek.
Heer komt voor in uitroepen, als vaak willekeurige uiting van verschillende plotselinge of heftige emoties als verwondering, verbazing, verontwaardiging, medelijden, smart enz. waarin het woord eigenlijk een tussenwerpsel geworden is.
In de vloek God den Here (toch) worden frustratie, verontwaardiging, irritatie, teleurstelling e.d. uitgedrukt. Vaak wordt daaraan nog een ander tussenwerpsel toegevoegd, zoals o, och. Wij kennen Here Christus; Here God, och Heere Jezus, dat vaak verbasterd wordt tot heerejee en lieve heer. Beide kunnen verbazing, schrik, ontgoocheling, verrassing en verontwaardiging uitdrukken.
De woordgroep Heer bewaar me heeft dezelfde functie en betekenis als God beware me. Heremijntijd is waarschijnlijk een verzachting van Here mijn God. God wordt wel vaker vervangen door tijd. Vgl. wel mijn tijd. In ons enquêtemateriaal kwam ik voorts nog tegen Heer God, Heer God sakkerment; Heere Mina; heremejee(tje) en goeien Heere. → God, God beware me, Jezus.

E. Sanders (2000), Jemig de pemig!: de invloed van Van Kooten en De Bie op het Nederlands, Amsterdam

Dames heren ook

Op 28 oktober 1974 belegden Van Kooten en De Bie in hotel Krasnapolsky in Amsterdam een persconferentie om de oprichting van het Simplisties Verbond bekend te maken. Een ooggetuige schreef later: ‘Hoewel de verzamelde Nederlandse pers aanvankelijk niet goed raad bleek te weten met de doortrapte mengeling van ernst en humor, ontstond de eerste aarzelende hilariteit toen Kees en Wim lieten weten dat ze verder door het leven zouden gaan als Heer Kooten en Heer Bie. De eerste introduceerde ook de mattenklopper als symbool voor de nieuwe beweging, benevens de krompraat die jarenlang zijn handelsmerk zou zijn.’

Achter die krompraat zat een gedachte. In 1977 vertelde Kees van Kooten hierover aan De Nieuwe Linie:

Ik ben met dat vervormde praten begonnen omdat het mij was opgevallen dat bijna niemand ècht goed lopende zinnen maakt. Door dat vreemde spreken zijn de mensen juist goed over de taal gaan nadenken. Het heeft de creativiteit aangewakkerd. Toch is er verwarring ontstaan omdat men meende dat wij daarmee een trend wilden aangeven. Maar wij zijn absoluut geen trendsetters, maar juist trendbestrijders.

Een van de bekendste voorbeelden van Kootiaanse kromspraak is dames heren ook. Deze uitdrukking werd gebruikt in de uitzendingen, op de bescheurkalenders en in stukken van het Simplisties Verbond. Zo opende de zogeheten Teleurstellende kultuurnota van het Simplisties Verbond als volgt:

Dames heren ook,
U bent voor elkaar.
De een wat dikker dan de ander, maar uw grote trekken kloppen op de kulturele keper. Want anders zou u dit geeneens onder ogen lezen.
Maar zij? De rest van de anderen?
Daar hoopt het Simplisties Verbond een min of meer boekje van open te doen.

Het was een vermoeiend taaltje, dat Kootiaans, en dat vond Kees van Kooten op den duur zelf ook. Toen het Nieuw Wereldtijdschrift hem in 1985 vroeg waarom hij er op een gegeven moment mee was gestopt, antwoordde hij:

Omdat die een beetje gelijke tred hield met het Simplisties Verbond. Er heerste in Nederland een totaal Babylonische spraakverwarring, geen functionaris kon nog een lopende volzin maken, en omdat het Verbond een spiegel was van de samenleving hadden wij daar één functionaris in, dat was ik dan, die ook die kromspraak bedreef. Maar dat gaat snel vervelen: alles gaat je zelf eerder vervelen dan dat het het publiek verveelt.

Sterker nog: dames heren ook is sommige mensen blijkbaar nooit gaan vervelen, want je komt de uitdrukking nog steeds tegen, bijvoorbeeld op babbelpagina’s op het Internet. Overigens zijn de meningen erover inmiddels verdeeld. De meeste mensen vinden dames heren ook nu afgezaagd en oubollig. Dat is ironisch. Van Kooten en De Bie hebben altijd veel met clichés gewerkt. Ze vijlden ze bij, poetsten ze op en bliezen ze daardoor soms nieuw leven in. Zo veranderden ze het enigszins tuttige en deftige dames en heren in het humoristische dames heren ook (en nota bene in nota beide benen). Maar dames heren ook is in de jaren zeventig te vaak gebruikt om nu nog leuk te zijn. Het is zelf een cliché geworden, een gedateerde, afgezaagde uitdrukking, die daardoor grote kans maakt de komende jaren definitief te worden bijgezet in de kelders van het Taalmuseum. Waarschijnlijk krijgt ze daar een plaatsje in de buurt van pollens! en rrreeeds.

Zie ook fijns.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Heer, samentrekking van herero en dit een comparatief van een adj., dat in ’t Hgd. nog hehr luidt en bij ons in heerlijk voortleeft; het bet. voornaam, verheven, eerwaardig, oud; de ondergeschikte sprak zijn gebieder, zijn leenheer met heer (d. i. de herere = de oudere, meerdere) aan. Ook ’t Lat. senior = de oudere, kreeg evenzoo de bet. van heer, gebieder; It. sinjor, ’t Fr. seigneur, ons sinjeur. Van heer is heerscher gevormd: heer zijn.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

heer ‘naam en titel van mannelijk persoon’ -> Schots † here; her ‘meneer; man van hogere rang; meester’; Fins herra ‘naam en titel van mannelijke persoon’ (uit Nederlands of Nederduits); Zuid-Afrikaans-Engels heer, here, yirra ‘naam en titel van mannelijk persoon, tussenwerpsel’; Negerhollands heer, here ‘Heer (God); meneer’; Papiaments † her ‘naam en titel van mannelijk persoon’.

heer ‘speelkaart: koning’ -> Atjehnees ‘speelkaart: koning’; Muna hiri ‘speelkaart: koning’; Singalees hērā ‘speelkaart: koning’; Tamil dialect ēr ‘speelkaart: koning’.

N. van der Sijs (2006), Klein uitleenwoordenboek, Den Haag

aas en andere kaarttermen. Uit het feit dat vrij veel Nederlandse namen voor spelletjes zijn geleend in talen die gesproken worden in vroegere Nederlandse overzeese gebieden, kunnen we ons een beeld vormen van de manier waarop de Nederlanders hun vrije tijd doorbrachten. Diverse vakantiegangers berichtten me dat het hun was opgevallen dat op Sri Lanka (het vroegere Ceylon) allerlei Nederlandse kaarttermen worden gebruikt. Dat er Nederlandse leenwoorden voorkomen in het Singalees - zoals de taal wordt genoemd die op Sri Lanka wordt gesproken -, is te danken aan de Nederlandse nederzettingen die vanaf 1609 op Sri Lanka werden gesticht. De Nederlanders waren van 1658 tot 1795/1796 alleenheersers over het eiland. Nog steeds vormen de Nederlandse afstammelingen, de 'Burghers', een afzonderlijke gemeenschap. P.B. Sannasgala heeft in zijn A study of Sinhala vocables of Dutch origin uit 1976 beschreven welke Nederlandse leenwoorden zijn overgenomen in het Singalees. Aan kaarttermen noemt hij: āsiyā 'aas', hērā 'heer', būru 'boer', porova 'vrouw'; voorts hārata 'harten', kalābara, kalāvara 'klaveren', ruyita 'ruiten', (i)skōppaya 'schoppen', en tot slot turumpuva, turuppuva 'troef'. Bovendien vermeldt hij dat het Singalees dammen heeft overgenomen als dān, dām. Een informant voegt hieraan toe:

Toen ik op Sri Lanka op vakantie was, vroegen een paar gasten doodleuk in het Singalees aan me of ik een potje met ze wilde pesten.

Een ander schrijft:

Op Sri Lanka wordt nog steeds geklaverjast, zodoende hoor je daar nog steeds ruiten, harten, klaver, schoppen, boer en nel, alsmede het woordje troef.

De woorden pesten en nel heb ik evenwel niet gevonden in het Singalees; mogelijkerwijs gaat het hier om jongere ontleningen, die in de twintigste eeuw zijn overgenomen van Nederlandse vakantiegangers.

In andere talen zijn minder Nederlandse kaarttermen geleend, maar nog steeds een substantieel aantal, vergelijk Indonesisch as, hart, klaver of klawar, rét, sekop en truf, Sranantongo asi, buru, frow, arter, klâfer, roiter en skopu, en Papiaments as en skòp. In het Muna, een Indonesische taal die wordt gesproken op het gelijknamige eiland bij Sulawesi (zie herendienst) is hiri 'heer' geleend - een Nederlands woord dat niet is overgenomen door het Indonesisch. Via het Indonesisch kent het Muna ook asa, arataa 'harten', kalawara en sikupa 'schoppen'.

Zie ook loterij.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

heer* naam en titel van mannelijk persoon 0901-1000 [WPs]

heer* naam van een speelkaart 1717 [WNT]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

868. Zoo heer, zoo knecht,

d.w.z. aan de bedienden kent men den meester; vroeger ook: zoo meester, zoo knecht. Ook in het Latijn bij Petronius, 58: qualis dominus, talis et servus. Zie verder mnl. so die heer is, so is die knecht; sulc heere, sulc ghesin; Brederoo, Moortje, 1367; De Brune, 238: zulcken heere, zulcken slave; Tuinman I, 359; Harrebomée I, 296 a; Otto, 119; Wander II, 563 en 577; fr. tel maître, tel valet; hd. wie (der) Herr, so (der) Knecht; eng. like master, like man. Variant: Zoo de juffer, zoo de meid (Harreb. II, VIII).

870. Nieuwe heeren, nieuwe wetten,

d.w.z. nieuwe heeren maken nieuwe wetten (of keuren), verordeningen enz.; bij wisseling van bestuur, komen er dikwijls allerlei veranderingen. Lat. novus rex, nova lex of zooals men in Groningen zegt: nei boer, nei wark; fri. nije hearen, nije wetten. Zie Spieghel, 288; Tuinman I, 251; Harreb. I, 296 a; Jongeneel, 90; Antw. Idiot. 1892: nieuwe meesters, nieuwe wetten; Wander, II, 562; Taalgids, V, 157; hd. neue Herren, neue Gesetze; neue Herrschaft, neue hehrzeit; fr. nouveau roi, nouvelle loi; eng. new kings, new laws.

869. Met groote heeren is 't kwaad kersen eten.

‘De reden die het spreekwoord daar van geeft, is bondig: want zy kiezen de grootste, en schieten met de steenen. Aardig drukt dit uit, wat geringe van den omgang en gemeenschap met Grooten te verwachten hebben. Zy moeten alles lyden wat aan die Hanzen lust, en noch toe lachen’ (Tuinman I, 113). In zeer vele talen komt dit spreekwoord voor (Wander II, 560; Borchardt no. 668); vgl. mlat. cum dominis edere debes omnino carere cerusa, peiora dant et comedunt meliora of cum dominis cerusa tibi numquam sint comedenda: consumptis illis cupiunt iactare lapillis (Werner, 15); ook bij ons in de middeleeuwen blijkens Mnl. Wdb. VI, 814; Goedthals, 38: Tis quaet met heeren criecken eten; Prov. Comm. 669: Tes met heeren quaet kersen teeten; zoo ook Servilius, 73; Campen, 2: Mit heren is quaet kerssen te eten, want sy tasten nae die rijpsten ende schieten mit die steenen; Sart. I, 4, 48; I, 8, 56; Idinau, 60; Cats, I, 489; Sewel, 379; Nkr. II, 13 Sept. p. 6; enz. enz.; zie vooral Harreb. I, 262 a; III, 206-207. In Zuid-Nederland: Als ge met de heeren kerzen (of krieken) eet, knippen zij met de steenen (of de pitjes); Joos, 136; de Grieken zeggen: plant geen uien met je meerderen of zit aan met je meerderen en sta nuchter van tafel op (Gids, Oct. 1902); hd. mit groszen Herren ist schlecht Kirschen essen; eng. those that eat chearries with great persons shall have their eyes squirted outh with the stones. (Aanv.) In 't fr. c'est folie, de manger cerises avec seigneurs, car ils prennent toujours les plus meures; in 't eng. ook: those that eat cherries with great persons, shall have their eyes sprinted out with the stones.

1090. De Heer kastijdt dien Hij liefheeft.

Een opwekking om geduldig te dragen de beproevingen die God ons zendt, daar Hij hiermede het heil van Zijn schepsel bedoelt. De spreekwijze is ontleend aan den Bijbel; zie Openb. 3, 19: Soo wie ick lief hebbe, die bestraffe ende kastijde ick; Hebr. 12, 6: Want dien de Heere lief heeft, kastijdt hy; vgl. Ndl. Wdb. VII, 1771.

871. Strenge heeren regeeren niet lang,

d.w.z. wanneer men al te streng is, verliest men spoedig zijn gezag; een al te streng bestuur duurt niet lang; dikwijls van een strengen winter gezegd. Vgl. Campen, 1: strenghe heeren richten niet langhe; Spieghel, 288; De Brune, 305; Smetius, 154: strenge Heeren zijn van Cort-rijck; Tuinman, I, 369 en Harreb. I, 296 a. Ook in het fri.: strange hearen regearje net lang. Zie verder Joos, 188; Antw. Idiot. 1203; Waasch Idiot. 635 a; Jongeneel, 90; Wander II, 548; 564 en Seneca, Troades vs. 258: violenta nemo imperia continuit diu; hd. (ge)strenge Herren regieren nicht lange; Tyrannengewalt wird nie alt; eng. severe rulers have short reigns.

872. Niemand kan twee heeren dienen.

Dit spreekwoord is ontleend aan Matth. VI, 24 of aan Luc. XVI, 13, waar Jezus tot Zijne discipelen zegt: Ghy en cont niet Gode dienen ende den Mammon. Thans worden deze woorden ook opgevat in den zin: men kan zich niet tegelijk aan twee zaken wijden, of twee partijen aanhangen. Vgl. het mlat. nemo potest digne dominis servire duobus; nemo facit dominis servimina congrua binis (Werner, 52); in het Mnl.: Lsp. III, 3, 715: niement en mach na Christus leren te pointe dienen twee heren; Servilius, 18: Men en can gheen twee heeren te samen gedienen; Campen, 119: Men can ghien twee Heeren gelyck dienen; Spieghel, 287; Harreb. I, 295 b; Wander II, 563; Joos, 206 en Zeeman, 269-270; fr. nul ne peut servir deux maîtres; hd. niemand kann zweien Herren dienen; eng. no man can serve two masters.

873. Het heer(tje) zijn,

d.w.z. zich een heer, zich voornaam gevoelen; in zijn schik zijn, er uit zijn; in de 17de eeuw ook, evenals thans, het ventje zijn (Jord. 191); in Antwerpen vent zijn in den zin van zich trotsch en verwaand toonen. In den zin van pronker komt ‘heertje’ sedert de 17de eeuw voor; in het mnl. was bekend die man zijn, dat in het Noorden van ons land nog gewoon is; zie Molema, 256 en vgl. Mnl. Wdb. IV, 1079Voor het gebruik van het lidw. van bepaaldheid vgl. Huygens, Een boer, 57: Ick wel eer de knecht; Hooft, Warenar, 1384: 't Is de tweede Rebekke; onze uitdr. Zij is de bruid.; Ndl. Wdb. VI, 341; fri. 't heartsje wêze.

874. Langs 's heeren straten (of wegen) loopen,

d.w.z. langs den openbaren weg, op straat loopen, rondslenteren; eig. langs den weg van den landsheer loopen, den grooten weg, die onder bescherming van den vorst stond; vgl. Kil. heeren-straete, via regia, via consularis, praetoria; via publica. De Romeinen noemden den openbaren weg eveneens de via consularis; de Engelschen spreken van the Kings-, the Queens way; de Franschen van le chemin royal; être sur le pavé du roi; de Duitschers kennen hunne Königsstrasse, Königsweg, Kaiserstrasse, Kaiserweg, en de Denen spreken evenzeer van de kongevej. Zie Noord en Zuid XVIII, 477 vlgg.; Taal en Letteren XI, 503; Lat. Versch. 261; Ndl. Wdb. VI, 333; Westerbaen II, 267; Van Moerk. 417 ('s Heeren straten) en Halma, 209: 's Heeren straaten, les rues publiques d'une ville; 's Heeren wegen, openbaare wegen. In Zuid-Nederland onbekend.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut