Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

heel - (onverdeeld, ongeschonden); (zeer)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

heel bn. ‘onverdeeld, ongeschonden’; bw. ‘zeer’
Mnl. heel (bn.) ‘gezond; ongeschonden; geheel, onverdeeld’ in een heel bodel ‘de hele huisraad’ [1289; CG I, 1343], sulke wonde sine wart hem heel jn .xl. dagen ‘die wond van hem heelde in 40 dagen’ [1260-80; CG II, Wr.Rag.]. Daarnaast als bijwoord: ‘helemaal, geheel en al, volkomen’ in heel ende al antasten ‘zich helemaal toe-eigenen’ [1453-97; MNW]; vnnl. al hele in di ‘geheel in jou’ [ca. 1500; MNW], dat ghy d' arme onnoosel heel hebt vergheten [1578; WNT]. bw. van graad in den heel const-liefdigen Goltzio ‘de zeer kunstminnende Goltzio’ [1604; WNT].
Os. hēl ‘gezond’ (mnd. hēl); ohd. heil ‘gezond, volledig, verlost’ (nhd. heil ‘gezond, volkomen’); ofri. hēl ‘gezond, compleet’; oe. hāl ‘gezond’ (ne. whole ‘geheel’, hale (and hearty) ‘gezond (en wel)’); on. heill ‘gezond, compleet’ (nzw. hel ‘geheel’); got. hails ‘gezond’; < pgm. *haila-. Voor een variant met umlaut zie het zn.heil en zie ook de afleiding → heilig.
Buiten het Germaans alleen verwanten in het Balto-Slavisch: Oudkerkslavisch cělŭ ‘geheel’ (Russisch célyj, Tsjechisch celý ‘geheel’) en Oudpruisisch kails ‘heil!’, kailūstitun ‘gezondheid’. Indien het woord Indo-Europees is, is de klankcorrespondentie echter niet volledig. De Germaanse vormen wijzen op pie. *kh2eilo- of *keh2ilo-, terwijl de Balto-Slavische een laryngaal uitsluiten en wijzen op een wortel pie. *keil-. Deze formele problemen en de beperkte geografische spreiding kunnen wijzen op een gemeenschappelijke herkomst uit een voor-Indo-Europese substraattaal.
In het Middelnederlands was heel synoniem met, maar minder frequent dan → geheel (hetzelfde woord met het versterkende voorvoegsel → ge- (sub g)) en → gans 2. Dat laatste woord is een ontlening aan het Hoogduits en in het BN nog wel gebruikelijk als men (ge)heel wil vermijden omdat het spreektaal is. Geheel is in de NN spreektaal verouderd en grotendeels vervangen door het bijvoeglijke heel en het bijwoordelijke → helemaal (< heeltemaal; zie ook → helegaar). In vergelijking met het Middelnederlands is ook het gebruik van heel beperkter: de Middelnederlandse betekenis ‘gezond’ is verouderd, maar nog terug te vinden in → helen 1 ‘genezen’. In attributief gebruik betekent heel meestal alleen ‘compleet, onverdeeld’ (de hele dag, de hele stad); predicatief alleen nog ‘ongeschonden, niet kapot’ (is het nog heel?).
Gebruik als bijwoord is pas Laatmiddelnederlands; eerst nog als bijwoord van graad ‘in zijn geheel, helemaal’, zowel in combinatie met werkwoorden als met bijvoeglijke naamwoorden, later met de verzwakte betekenis ‘volkomen’ > ‘zeer’, vrijwel uitsluitend voor bijvoeglijke naamwoorden en bijwoorden.
Lit.: Boutkan 1998, par. 2.6

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

heel* [ongeschonden, volledig, zeer] {1220-1240 in de betekenis ‘gezond, ongeschonden, immuun, geheel, rein, oprecht’} oudsaksisch, oudfries hel, oudhoogduits heil, oudengels hal, oudnoors heill, gotisch hails; buiten het germ. grieks koilu [mooi], oudkerkslavisch cělŭ [heel], latijn caelum [hemel] → heil.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

heel bnw., mnl. heel (naast gheheel) ‘gezond, ongeschonden, geheel, oprecht’, os. hēl ‘gezond, onbeschadigd’, ohd. heil ‘gezond, ongedeerd’, ofri. hēl ‘genezen, ongedeerd, geheel’, oe. hāl (ne. whole) ‘gezond, ongedeerd’, on. heill ‘ongeschonden, geheel; heilvol’, got. hails ‘gezond’. — osl. cělŭ ‘geheel, ongedeerd, gezond’, opr. kails, kymr. coel (> iers cēl) ‘voorteken’; daarnaast de u-stam gr. koīlu Hes. ‘to kalón’, opr. kailustikan ‘gezondheid’ (vgl. Specht KZ 64, 1937, 21). — Zie ook: heil, heilig, heiland en helen 2.

Gewoonlijk vat men de bet. ontw. op als verlopen van ‘geheel, ongedeerd’ > ‘heilzaam, heilvol’ (J. W. Muller Ts. 57, 1938, 63-74), maar dit is onzeker, want, zoals Marstrander NTS 11, 1939, 288 opmerkt, reeds in het vóór-germ. behoort het woord *haila tot de religieuze sfeer, vgl. verder nog Baetke, Das Heilige im Germanischen 68-79 en Porzig, Gliederung, der idg. Sprachen 141, die wil uitgaan van de kymrische betekenis en dus aanneemt dat het woord uit de sfeer van de cultus tot de profane overgegaan is.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

heel bnw., mnl. heel “gezond, ongeschonden, geheel, oprecht”, naast gheheel “id.” > nnl. geheel. = ohd. heil “gezond, ongedeerd, gered” (nhd. heil), os. hêl “gezond, onbeschadigd”, ofri. hêl “genezen, ongedeerd, geheel”, ags. hâl “gezond, ongedeerd” (eng. whole), on. heill “ongeschonden, ongedeerd, geheel, braaf, gelukkig”, got. hails “gezond”. Verwant met kymr. coel “(goed) voorteeken”, wellicht ook gr. koĩlutó kalón (Hes.). Obg. cělŭ “ongedeerd, gezond”, opr. *kailu-, -a- (kailūstiskun acc. “gezondheid”, misschien ook kails - pats kails “gezond - zelf gezond”, als drinkgroet; evenzoo komt got. hails, on. heill, ags. wes hâl als begroeting voor) kunnen oerverwant of uit ’t Germ. ontleend zijn. - Een factitivum = “*χaila- maken” is got. hailjan, on. heila, onfr. ohd. (nhd.) heilen, os. hêlian, ofri. hêla, ags. hæ̂lan (eng. to heal). Ndl. heelen heeft ee voor ei naar heel. Mnl. hêlen, heilen beteekent behalve “gezond maken, heel maken, verbinden” ook “gezond, verbonden worden”. De intr. bet. had ospr. hêlen = ohd. heilên “id.”. Vgl. heil, heilig, heiland.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

heel 1 bijv.(geheel), Mnl. id., Os. hêl + Ohd. heil, Ags. hál (Eng. whole met anorgan. w), Ofri. hél, On. heill (Zw. en De. hel), Go. hails = gezond, ongeschonden: Ug. *hailaz + Gr. koîlu = het schoone, We.. coel = goed voorteeken, Osl. cèlŭ = gezond, Opru. kaılustikun = gezondheid. Z. voorts heelen, heil, heiland, heilig.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

hiel (bijw.) zeer, erg; Middelnederlands heel <1453-1497>.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

heel I: “onbeskadig; volkome”; Ndl. heel (Mnl. heel), Hd. heil (ouer bet. “gesond”), Eng. whole, mntl. verb. m. Gr. kalos, “mooi; gesond”; uit heel I ook ww. “gesond maak”, nl. Ndl. he(e)len, Afr. heel en Eng. heal, verder ook verb. m. heil, Heiland, heilig; vgl. WAT s.v. heel1 en heel2.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

heel ‘ongeschonden; geheel; zeer’ -> Negerhollands heel, hēlǝ, hēlē, hel(l)e ‘volledig, geheel; zeer’; Berbice-Nederlands hele ‘ongeschonden; volledig’; Skepi-Nederlands helwel ‘zeer’; Sranantongo eri, heri (ouder: he(e)le), herheri ‘volledig, geheel’; Saramakkaans híi ‘geheel’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

heel* ongeschonden, volledig 1220-1240 [CG II1 Aiol]

heel* bijwoord van hoedanigheid: zeer 1617 [WNT]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

778. Beter ten halve gekeerd, dan ten heele gedwaald,

d.w.z. het is beter halverwege terug te keeren, wanneer men den slechten weg bewandelt, en te trachten een beter leven te leiden, dan op dien weg voort te gaan. In Zuid-Nederland onbekend. In het mnl. bij Willem v. Hildegaersberch, LIX, 23:

Soe wye een vuylen pat gaet neder,
Ende keert hi dan ten halven weder,
Hi en dwaelt niet al na mijn verstaen.

Bij Campen, 89: Hy dweelt niet al die ten halven kiert; Servilius, 252*: hi en dwalet niet, die ten halven wederkeert; Sartorius III, 1, 10: liever ten halven ghekeert, dan heel onteert; Spieghel, 273; De Brune, 431: 't Is beter dat men keer weer-om, als dat men loop' verkeert en crom; zie Suringar, Erasmus, CCI; Harreb. III, 19; 21. In het fr. zegt men les plus courtes folies sont les meilleures; hd. besser umkehren, als unrecht gehen; in het fri.: better yntiids tobek gien (gegaan) als kwealk foartgean.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut