Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

hebben - (bezitten, beschikken over)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

hebben ww. ‘bezitten, beschikken over’
Onl. hebon ‘hebben’, heuit (3e pers. ev.) ‘heeft’, en habda ‘ik had’, hatta ‘hij had’, hattos ‘jij had’, habeda (lees habedun), hatton ‘zij hadden’, zowel zelfstandig werkwoord als hulpwerkwoord; dat laatste bijv. in faruuart heuit ‘hij heeft kapotgemaakt’ [alle 10e eeuw; W.Ps.]; mnl. hebben ‘hebben’ [1240; Bern.], heft ‘hij heeft’ [1240; Bern.], heves ‘jij hebt’ [1288; CG I, 1257].
De -bb- in de infinitief is het gevolg van geminatie, veroorzaakt door het achtervoegsel *-jan- van het Proto-Germaanse werkwoord *hab-jan-. Doordat de -j- van dit achtervoegsel in de 2e en 3e persoon ev. tegenwoordige tijd opging in de -i- van de uitgang, trad daar geen geminatie op: mnl. du heves ‘jij hebt’ en hi hevet ‘hij heeft’, waaruit na rekking in open lettergreep, wegval van de onbeklemtoonde -e- en assimilatie van de -v- de moderne vorm hij heeft is ontstaan, zoals ook bijv. levet > leeft en gravet > graaft. De vorm heeft bestaat in het Nederlands van oudsher voornamelijk in de schrijftaal, en vandaar in de moderne spreektaal; de meeste dialecten hebben f-loze vormen (bijv. hee, het, zie Kloeke 1956). In de verleden tijd ontbrak de -i- ook, zodat er vormen zonder umlaut ontstonden: habd-, wat later werd geassimileerd tot hadd-.
Os. hebbian (mnd. hebben); oe. habban (ne. have); ofri. habba, hebba (nfri. ); < pgm. *hab-jan-. Daarnaast ohd. habēn (nhd. haben); on. hafa (nzw. hava, ha); got. haban; < pgm. *hab-ēn-. Beide bij de wortel pgm. *hab-. Eenzelfde verdeling van vormen over de verschillende Germaanse talen treedt op bij → zeggen.
Traditioneel wordt aangenomen dat pgm. *hab- een vorm met grammatische wisseling is bij de wortel pgm. *haf- zoals in → heffen. De verdere etymologie is onduidelijk. Formeel lijkt *haf- terug te moeten gaan op pie. *kap- < *kh2p-, waarbij ook Latijn capere ‘nemen, grijpen’ en Grieks káptein ‘vastgrijpen’. De semantische gelijkenis met Latijn habēre ‘hebben, houden’ is opvallend, en ook Oudiers gaibid ‘pakken’ en Litouws gabenti ‘brengen’ lijken verwant; daarvoor moet echter pie. *ghab(h)- < *ghHb(h)- gereconstrueerd worden. Traditioneel houdt men deze twee wortels strikt gescheiden, maar suggereert men wel contaminatie van beide in de latere afzonderlijke talen. Een derde te noemen wortel is pie. *ghebh- ‘geven’ die alleen in het Germaans voorkomt: pgm. *geb-, waaruit → geven. Een jongere opvatting is dat *kap-, *ghabh-/*ghebh- varianten zijn van een voor-Indo-Europese wortel (EWgsV, 219; Justus 1999). Een vrijwel identieke medeklinkervariatie treedt op bij Latijn caper ‘bok’ (etc.) en Oudiers gabor (etc.) ‘bok’, bij de respectieve wortels *kap- en *ghabh-, zie → capriool.
De betekenisverschillen tussen deze woorden zijn niet ongewoon. ‘Geven’ is hetzelfde als ‘nemen’, alleen vanuit andermans perspectief, vergelijk bijv. Proto-Slavisch *chyt- ‘grijpen’, waaruit enerzijds o.a. Tsjechisch chytat ‘vangen, pakken’, naast anderzijds Laag-Sorbisch chytaś en Servo-Kroatisch chitati ‘gooien’. Ten slotte is ‘hebben, houden’ een toestand die het gevolg is van ‘nemen’.
In de Germaanse talen is de oerbetekenis ‘vasthouden’, en in de oudere Germaanse taalfasen komt deze nog veel voor, bijv. in mnl. die vrouwe hadde hernaude ende gerine, ende cussese herde menichfout ‘de vrouw hield Hernaud en Gerine vast en kuste hen zeer vaak’ [begin 14e eeuw; MNW]. De afzwakking naar ‘bezitten’ en naar de status van hulpwerkwoord (in combinatie met een verleden deelwoord) is eveneens algemeen Germaans en volledig vergelijkbaar met de ontwikkeling van Frans avoir ‘hebben’ en Italiaans avere ‘id.’ uit Latijn habēre ‘houden, hebben’.
Een synoniem werkwoord was pgm. *aihan-, *aigan- ‘bezitten, hebben’, verwant met → eigen, maar al in het Oudnederlands is dat geheel verdrongen door hebben.
hebberig bn. ‘inhalig, hebzuchtig’. Nnl. hebberig ‘hebzuchtig’ [1898; van Dale]. Eerder alleen hebbig ‘id.’ [1599; Kil.]. Gezien de -r- wrsch. een afleiding van het zn. hebber ‘eigenaar, bezitter’, afleiding van hebben. ♦ hebzucht zn. ‘inhaligheid’. Nnl. hebsucht [ca. 1610; WNT vurig]. Gevormd met → zucht in de betekenis ‘begeerte’.
Lit.: C.F. Justus (1999), ‘The Arrival of Italic and Germanic “have” in Late Indo-European’, in: K. Jones-Bley e.a. (red.) Proceedings of the Tenth Annual UCLA Indo-European Conference, Los Angeles, May 21-23, 1998, Washington, 77-94; G.G. Kloeke (1956), Een oud sjibboleth: de gewestelijke uitspraak van “heeft”, Amsterdam

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

hebben* [bezitten, hulpwerkwoord] {oudnederlands hebon 901-1000, middelnederlands hebben} oudsaksisch hebbian, oudfries hebba, oudengels habban, oudhoogduits haben, oudnoors hafa, gotisch haban; buiten het germ. verwant met latijn capere [nemen], welsh cael [krijgen]; verwant ook met heffen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

hebben ww., mnl. hebben, onfrank. hebon, os. hebbian, ofri. hebba, owfri. habba, oe. habban (ne. have). Daarnaast met andere formatie ohd. habēn, on. hafa, got. haban. — lat. habēre.

De verhouding tot habēre is moeilijk te bepalen; scheiden kan men de germ. en lat. woorden niet. Vgl. daarover de uitvoerige literatuur tot 1939 bij S. Feist, Got. etym. WB. 229. Vendryes MSL 18, 1914, 310 gaat uit van twee wortels *ghabh en *kap (vgl. lat. capio en heffen). — Prokosch MPh 26, 1929, 464 wil germ. *haƀan als een relictwoord beschouwen. — Porzig, Gliederung der idg. Sprachgeb. 1954, 107-8 stelt op het voetspoor van Collitz, Das schw. Praet. 1912, 85, vlgg. de beide door Vendryes genoemde wortels *ghabh en *kap als ‘lautgebärden’ naast elkaar (‘grijpen’, maar eig. ‘happen’, vgl. gr. káptō en zie: happen), evenals in de woorden hoofd en gevel de wortels *ghebh en *kep naast elkaar staan. Door kruising der beide wortels zouden zijn ontstaan *kabh, waaruit hebben en kymr. cafael ‘krijgen’ en *ghap, waaruit osk. hipid ‘habuerit’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

hebben ww., mnl. hebben. = onfr. hebon, os. hebbian, oofri. hebba, owfri. habba, ags. habban (eng. to have), naast de andere formatie ohd. habên (nhd. haben), on. hafa, got. haban (-ai-) “hebben, houden” (vgl. zeggen). Niet met lat. habêre “hebben” verwant, maar van den wortel qap- “grijpen”, waarvan ook heffen. De idg. stam qapḗ(i)- in ohd. habên, on. hafa, got. haban staat tot qápjo- in lat. capio = got. hafja als lat. sedê- tot got. sitja- (zie zitten). Vgl. have.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

hebben. Ook owvla. (Schönfeld Tschr. 52, 1 vlgg.) hebban ‘habent’'.
Men behoeft de zich opdringende verwantschap met lat. habêre 'hebben' ook bij streng handhaven der klankregels niet prijs te geven, wanneer men met Collitz Schw. Prät. 85 vlgg. aanneemt, dat de zinverwante woordfamilies van heffen (wortel *qap-) en die van geven (wortel *ghabh-, waartoe ook lat. habêre gerekend moet worden: zie bij gaffel) zeer vroeg met elkaar in associatie zijn getreden, zodat mengvormen ontstonden als enerzijds osk. hipid ‘habuerit’ (*ghap-), anderzijds kymr. cafael ‘krijgen’ en got. haban enz. (*qabh-). Vgl. ook K.H. Meyer IF. 35, 214 vlgg.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

hebben o.w., Mnl. hebben, Onfra. hebon, Os. hebbian + Ohd. habên (Mhd. en Nhd. haben.), Ags. habban (Eng. to have), Ofri. hebba, On. hafa (Zw. hafva, De. have), Go. haban; behoort Ohd., On. en Go. tot de -ên-vervoeging, elders tot de -jan-vervoeging. Van den wortel van heffen met de bet. vastnemen, staat voor vormen en bet. onder invloed van Lat. habere.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

höbbe (ww.) hebben; Aajdnederlands hebon <901-1000>.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

hê I: ww. wat allerlei vorme v. “besit” te kenne gee (vgl. WAT), eint. vorm v. d. inf. wat aan Ndl. hebbe(n) beantw. in teenst. m. persv. het (behalwe in verbg. soos: “hy moes/sou dit gedoen het”), v. Scho (TO 14); vglb. vorme in Ndl. dial. o.a. Se. (Ghijs 321).

het I: persv. v. ww. (v. hê I); i.s. Ndl. en Afr. vorme v. Frank (TB 94), Scho (TO, o.a. 14, 25-6) en lRo T (DLT, (ww.) het, bl. 239), asook WAT (s.v. het1) – Ndl. o.a. hevet/heit/heet/het.

Thematische woordenboeken

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

hebben. Onder dit trefwoord noteert het WNT als verwensing ramp hebbe zijn kiezen! ‘moge hij kiespijn hebben’. Aan de letterlijke betekenis denkt men niet meer als men deze verwensing gebruikt. De emotionele staat voorop en die wijst op verontwaardiging, onmacht, machteloosheid, woede enz. en kan weergegeven worden met ‘laat-ie oprotten’. Mullebrouck (1984) geeft voor Vlaanderen de verwensing ge moest geen gezond uur meer hebben!, die vooral afkeer en haat uitdrukt. → ramp.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Heffen, van den Germ. wt. haf, hab = vatten, grijpen, nemen, opnemen; vgl. ons hecht (voor heft) van een mes. Bij ons kreeg heffen vooral de bet. van: omhoog nemen, opbeuren; vgl. hevel, en heffe = de bovengist op een vloeistof, later óók het schuim: uit de heffe des volks. – Met den wt. haf, hab is ook ons hebben verwant; zie handhaven.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

hebben ‘bezitten, hulpwerkwoord’ -> Javindo geef ‘bezitten’; Negerhollands ha, hā, a, hab ‘bezitten, hulpwerkwoord’; Berbice-Nederlands ha, habu ‘bezitten, hulpwerkwoord’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

hebben* bezitten, hulpwerkwoord 0901-1000 [WPs]

M. De Coster (1999), Woordenboek van Neologismen: 25 jaar taalaanwinsten, Amsterdam

hebben: het niet meer —, informele, vooral onder jongeren populaire uitdrukking met meerdere betekenissen: niet meer bijkomen van het lachen; niet langer meer kunnen wachten; ongerust worden. Al opgenomen in de grote Koenen (1986). Ook Reinsma (1984) maakt er melding van, echter zonder vindplaatsen.

Het niet meer hebben: ontzettend moeten lachen. (Marc Hofkamp en Wim Westerman: Aso’s, bigi’s, crimi’s, 1989)
’t Niet meer hebben: er niet langer tegen opgewassen zijn, over z’n nek gaan. (Cor Hoppenbrouwers: Jongerentaal, 1991)
Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

865. Iemands (heele) hebben en houden,

d.w.z. iemands have en goed, al wat hij bezit. In de middeleeuwen komt de verbinding houden ende hebben voor in den zin van voortdurend bezitten, syn. van besitten ende houden; eng. to have and to hold. Beide wkw. drukken hetzelfde begrip uit, nl. dat van ‘bezitten’. Zie Mnl. Wdb. III, 634; Ndl. Wdb. VI, 185; Nkr. III, 31 Jan. p. 2: Och, arme kerel, heb jij in den zomer heel je hebben-en-houen opgegeten? Syn. Met al zijn hebben en zijn (in B.B. 299).

864. Hebben is hebben,

gewoonlijk met een achtervoegsel, als (maar) krijgen is de kunst, in welken vorm de zegswijze sedert de 17de eeuw voorkomt, blijkens Winschooten, 249: hebben is hebben, aanraaken is kunst; Smetius, 190: hebben is hebben, verkrijgen is konst; Tuinman I, 126 en Halma, 209: Hebben is hebben, maar krijgen is de kunst, laag spreekw. quand on a du bien on ne s'informe pas d'où il vient, le tout est d'en savoir acquérir; Sewel, 321. Dat het laatste gedeelte ook werd weggelaten, bewijst Coster, 334 vs. 908; Lichte Wigger, 16 r: Hebben is hebben, speulen sy (bankroetiers), t' is heur eveliens hoe ser comen an. Vgl. Campen, 11: Ick beholde dat ick hebbe, het cryghen is misselick; het fri.: habben is habben en krijen is kinst; Schuerm. Bijv. 115 b; Rutten, 88 b; Teirl. II, 20; Claes, 105; Joos, 145; Jongeneel, 90; Ten Doornk. Koolm. II, 52 a; Ndl. Wdb. VI, 184; Harreb. I, 457 b; Eckart, 178: häw'n is wiss, krei'en is mis; häuwen is gewis, krigen is mis (Jahrb. XXXVIII, 160); 179: hebben is hebben mar krîegen is en Kunst (Wander II, 234); eng. have is have (bij Shakespeare; Prick, 44).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut