Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

havik - (sperwerachtige roofvogel (Accipiter gentilis))

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

havik zn. ‘sperwerachtige roofvogel (Accipiter gentilis)’
Onl. haueko ‘zekere roofvogel’ [ca. 1100; Will.], ook in de persoonsnaam hauec ‘id.’ [1116; Schoonheim 2003]; mnl. hauec ‘havik’ [1240; Bern.]. De uitgang in de vorm -ik verschijnt pas later: havic [1340-60; MNW-P].
Os. haƀuc; ohd. habuh (mhd. habech, habich; nhd. Habicht met jonge paragogische -t); ofri. habuk- [9e eeuw; CG II-1, 17] (nfri. hauk); oe. -haboc, -hebuc, heafuc, hafoc (ne. hawk); on. haukr (nzw. hök ‘havikachtige’); < pgm. *habuk-.
Verwant met Latijn cāpus, cāpō ‘kapoen’ (zie → kapoen) en misschien met Russisch kóbec ‘roodpootvalk’, hoewel dat laatste woord ook wel wordt verbonden met het werkwoord koptít' ‘walmen, roeten’ vanwege de asgrauwe kleur van de roodpootvalk. Verdere herkomst onbekend. Misschien moet men denken aan een afleiding van de wortel pie. *kh2p- ‘grijpen’ zoals in → hebben en Latijn capere ‘nemen, grijpen’. Het Germaanse achtervoegsel -k komt ook in andere vogelnamen voor, zoals → alk, → valk, → vink, misschien → leeuwerik, en buiten het Nederlands bijv. in Duits Kranich ‘kraanvogel’ en Noors måke ‘meeuw’, zie → kraanvogel en → meeuw.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

havik* [roofvogel] {havic, havec 1287} oudsaksisch haƀuc, oudhoogduits habuh (hoogduits Habicht), oudfries hauk, oudengels heafoc (engels hawk), oudnoors haukr; mogelijk van dezelfde stam als hebben; de betekenis is dan ‘de vogel die wegpakt’; er is dan een parallel met de lat. benaming accipiter, van capere [wegnemen, pakken].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

havik znw. m., mnl. hāvic, os. haƀuk- (in PN), ohd. habuh, owfri. hauk, oe. heafoc (ne. hawk), on. haukr (< oern. *haƀukaR). — Men vergelijkt russ. kobec, pools kobuz ‘valkensoort’ (IEW 528), tenzij deze woorden uit het germ. zouden zijn ontleend.

Minder gelukkig is de afleiding van heffen (stam germ. *haf) met een -uka-suffix; de naam zou dan betekenen ‘de grijper’ (Suolahti, Die d. Vogelnamen 1909, 360); hij vergelijkt lat. capus ‘havik’, dat Petersson PBB 30, 1915, 106 weer als een kleuraanduiding opvat, vgl. oi. kapi- ‘bruin’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

havik znw., mnl. hāvic m. = ohd. habuh m. (nhd. habicht), os. haƀuk- (in eigennamen), owfri. hauk, ags. heafoc (eng. hawk), on. haukr m. “havik”. Misschien een afl. van de basis qap-(zie hebben), waarbij - minder wsch. - ook oi. kapóta- “duif” is gebracht: havik is dan = “de wegpakker”. Voor ’t formans vgl. ohd. chranuh bij kraan I. Niet aannemelijk is de voor havik veronderstelde grondvorm *qapo- ghno- “hoenderdooder” [Idg. *qapo- ook in nperz. kaph “patrijs’’; vgl. ook oi. kapíñjala- “korhoen”; *-ghno- bij ier. gonim “ik verwond, dood, lat. dê-fendo “ik weer af, verdedig”, gr. theínō “ik sla”, obg. ženᶏ, g()nati “drijven, jagen”, lit. geniù, gené̇́ti “takken afslaan”, alb. g’an’ “ik jaag, vervolg”, oi. hánti “hij slaat”, waarbij ook arm. gan (znw.) “slagen” en uit het Germ. ohd. gundea, ags. gûð, on. guðr, gunnr v. “strijd”, on. gandr m. “stok” behooren.] Men heeft ook in de ƀ van havik een idg. bh willen zien en ier. ulchabhchân “uil” vergeleken (*ul + kabhak- of -ag-): hoogst dubieus. Uit het Ags. komt kymr. hebauc, ier. sebocc “havik”. Ook po. kobiec, russ. kóbec (*kobĭcĭ > *kobĭkŭ) “een soort valk” is eer uit ’t Germ. ontleend dan oerverwant.

[Aanvullingen en Verbeteringen] havik. Over alb. gˊań zie Pedersen KZ. 36, 330 vlg.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

havik. Ier. ul-chabhchân ‘uil’: ook cabhchân ‘soort valk’. Verwantschap met havik niet meer dan mogelijk.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

havik m., Mnl. havic, Os. haƀuc + Ohd. habuh (Mhd. habich, Nhd. habicht), Ags. heafoc (Eng. hawk), Ofri. hauk, On. haukr (Zw. hök, De. høg), behoort bij heffen gelijk Lat. capus = havik, accipiter = sperwer, bij capere; de Kelt. vormen: We.. hebauc, Bret. hebog, Ier. seboc, Gaël. seabagh zijn, evenals de Slav.: Ru. kobec, Po. kobiec, ontleend aan ’t Germ.

Thematische woordenboeken

H. Blok en H.J. ter Stege (2008), De Nederlandse vogelnamen en hun betekenis, 4e editie, Leidschendam

HAVIKEN, BUIZERDEN, WOUWEN, KIEKENDIEVEN, ARENDEN en GIEREN – Accipitridae.
Betekenis wetenschappelijke naam: snelle grijper. Omdat zij van andere dieren leven worden zij, evenals de valken, aangeduid als roofvogels, dan wel naar hun manier van prooi vangen als stootvogels. Plaatselijk: scherpvogel, scherpvleugels (Goe) en Steekvleugels (Sco).

HAVIKAccipiter gentilis
Duits Habicht
Engels Goshawk
Frans Autour des palombes
Fries Hauk
Betekenis wetenschappelijke naam: edele snelle grijper. Aan de naam Havik zijn het Oudhoogduitse Habuh, de Oudnoorse naam Haukr en Hauk (Fr) voorafgegaan. Ze zijn afgeleid van het Germaanse hab of gabh, dat grijpen (van de prooi) betekent. De Havik is een snelle jager op allerlei dieren, zoals blijkt uit z’n streeknamen Duivenvalk, Kipvaalke (Wes) en Patrijzenvalk of Petriezenvalk (Gr). Hierbij is ‘valk’ enerzijds een aanduiding voor een vogel met gekromde klauwen, zoals elders onder ‘Valken’ is omschreven, en anderzijds een woord uit de valkerij, waar men haviken voor de jacht africhtte. Dit deed men reeds voor onze jaartelling in Arabië. Het is in de middeleeuwen door de edelen in Europa overgenomen. Zo werd in ons land Jacoba van Beieren valkenier en is er een plaats naar genoemd: Valkenswaard. Bij de Engelsen heet hij ‘Ganzenhavik’ en bij de Fransen ‘Duivengrijper’. De naam Grote Sperwervalk doelt op overeenkomst van het vliegbeeld met de kleinere Sperwer. Kringvalk heeft betrekking op het in kringen vliegen. Klem (Gr,Twe) of Klemvogel (Gr) en Duiveklamper (Vla) geven weer dat de prooi met de klauwen wordt vastgeklemd. Ook enige andere roofvogels worden zo genoemd. Eén naam heeft betrekking op zowel het gebied waar de vogel o.a. voorkomt, het elzenbos, als op de Franse naam Buse, n.l. Elzebu(u)s (Gd). Valkeniers noemen het mannetje Haviktersel, Tarsel of Taleken (NB), namen die afkomstig zijn van het Franse tierce = derde. Over de achtergrond van ‘derde’ dan wel tersel bestaan twee opvattingen. Er was een paar keer geconstateerd dat van een havikpaar de als derde en laatste geboren vogel in tegenstelling tot de andere twee de kleinste was en tevens een mannelijk exemplaar. De andere mening is kortweg dat de havikman bijna een derde kleiner is dan het vrouwtje. Een jonge jachtvogel wordt Takkeling genoemd, een naam die ook aan andere jonge stootvogels wordt gegeven wanneer zij het nest hebben verlaten maar zich nog op de takken verplaatsen alvorens uit te vliegen. Het gedrag van de vogel is overigens een begrip geworden in de politiek, waar men iemand die zich steeds agressief opstelt een havik noemt.

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

havik ‘voorstander van agressieve politiek’ (bet. van Engels hawk)

K.J. Eigenhuis (2004), Verklarend en etymologisch woordenboek van de Nederlandse vogelnamen, Amsterdam

Hauk Officiële friese naam voor de Havik ↑ [Boersma 1972]. In het oudfries zouden de volgende namen genoteerd zijn: oudwestfries Hauk [FWH; ViF], Hauck [Albarda 1897; De Vries 1928], Havek [AEW; ViF], Havuk [De Vries 1928], Havk [De Vries 1928]. Helgolandfries Groot Hâfk [De Vries 1928], Groot Hoask [Reichenow 1920].

Havik Accipiter gentilis (Linnaeus: Falco) 1758. In vrijwel geheel Europa en daarbuiten voorkomende Roofvogelsoort, die ook in de Lage Landen broedt.
De Havik leeft tamelijk verborgen; hij is vooral bekend bij Valkeniers. [De kleinere verwant van de Havik, de Sperwer ↑, wordt in sommige talen ook aangesproken met “-havik”, bijv. E Sparrow hawk1 of zweeds Sparvhök. Sparrow en Sparv zijn hierin met N Spreeuw verwante namen, maar ze betekenen ‘Mus’. In onze taal daarentegen is de uitgang -er in Sperwer een restantje van een woord dat ooit stond voor ‘Arend’.]
ETYMOLOGIE N Havik (mv. Haviken >Havikken; deze spelling reeds bij Albarda 1897) (Havec (Bern. c.1240), Havic, Avec [JvM c.1266 vs.626]); oudsaksisch Haƀuc (in eigennamen) [VT; FWH]. D (Hühner)Habicht met paragogische t, Habuh. [In bepaald D dialect wil men van geen -t weten en spreekt van Habich, o.a. in Habich ist ein besserer Vogel als Hättich (Van Beckum 1952: “Hadden was een rijk man, Hebben is er beter an.”)]
Fries HaukHauk, Hauck, Havek, Havuk, Havk [FWH; AEW; ViF; De Vries 1928].
Een oudere N naam luidt Duivenvalk ↑; het motief komt overeen met D Taubenhabicht [Schlegel 1844], deens Duehøg en zweeds Duvhök; het zijn toepasselijke namen, want Duiven behoren tot de prooidieren van de Havik.
Noors Hauk komt in spelling exact met de friese naam overeen. Noors Hønsehauk is letterlijk ‘Hoenderhavik’; ijslands Gáshaukur, E Goshawk1 (gōshafoc; oudengels hafoc, heafoc) en ohd ganshabuh zijn letterlijk te vertalen met ‘Ganzenhavik’. Ze veronderstellen een veel te grote natuurlijke prooidiersoort; Lockwood 1993 denkt dan ook dat het Valkenierstermen zijn voor Havikken, of eerder nog Slechtvalken, die getraind zijn voor de Ganzenjacht. Het element Gas ‘Gans’ in oudnoords Gashaukr (het is niet met zekerheid bekend welke exacte soort bij deze naam hoort) zou door de Vikingen in Engeland zijn opgepikt.
De ‘scandinavische’ naam Haukr (*haƀukaR) wordt in werkelijkheid op nogal wat soorten toegepast. Het verst daarin gaan de Finnen, die het uit het noordgerm geleende Haukka (ook Havukka en Havikka [AEW]) op meerdere Roofvogelsoorten toepassen; inderdaad óók op Kanahaukka (letterlijk ‘Hanenhavik’ of ‘Hoenderhavik’), fins voor Havik. Ests (verwant met het fins) Haukas, maar officiële naam voor de Havik: Kanakull.
Germ *habuka- [Wahrig 1992; NEW 1992], *havukaz [Lockwood 1993] of *hafuka- [Suolahti 1909; FWH] zijn reconstructies die het zgn. vogelsuffix -uk bevatten (zie Verantwoording: Termen, sub suffix).
NEW, AEW, VT, WNCD 1980 en Vasmer [Wilms 960516] zien verwantschap met de R naam Kobets ‘Roodpootvalk’. Daarbij gaan zij ervan uit dat de eerste -a- in *havukaz kort uitgesproken werd (in dat geval kan Klankwet nr.10 eventueel van toepassing zijn) en dat de tweede medeklinker uit idg bh voortkomt (zodat daar Klankwet nr.1 geldt). Wanneer men dan *havukaz omzet naar het idg, krijgt men *kobhugoz. R Kobets en pools Kobuz lijken hier wel iets op (de K hierin is ws. onvoldoende palataal van karakter om klankwettig in de slavische talen tot een sisklank te leiden), en dan zou men in deze slavische talen verder kunnen zoeken naar een eventuele oerbetekenis. [Pools Kobczyk, R Kobtsjik en servokroatisch Vjetruša kopčić staan alle voor één en dezelfde soort van Valk: de Roodpootvalk Falco vespertinus. F Faucon kobez ‘Roodpootvalk’ is (weer terug) uit het slavisch geleend. Pools kopcić en R koptít’ betekenen: ‘roeten, walmen, roken’. Pools Kopciuszek is ‘Assepoester’ (asgrauw van het zwoegen), ook ‘Zwarte Roodstaart’. Deze werkwoorden hebben betrekking op het ♂ van de Roodpootvalk, dat asgrauw van kleur is, als ware het beroet, en verklaren in ieder geval serv.-kr. Vjetruša kopčić. R Koboez en/of pools Kobuz ‘Boomvalk’ is ws., evenals E Hobby ‘Boomvalk’, aan F (Faucon) Hobereau ‘Boomvalk’ (middelfrans Hobé2 Hobet2, Hoberel) ontleend (met de ‘slavische’ uitspraak van de aanvangs-H zoals ook in “Cholland” ‘Holland’), en mogelijk delen pools Kobczyk (afleiding van Kobuz) en R Kobtsjik en Kobets dat verband. F Hoberel houdt op zijn beurt met het mnl ww. hob(b)elen verband (meer sub Oebellawerk en Zwemmer). Het lenen over en weer van Roofvogelnamen zal bevorderd zijn door het Valkeniersbedrijf. – Een semantisch verband met het oergermaanse woord voor Havik is nu moeilijk te leggen, aangezien de slavische Roofvogelnamen dus niet oerverwant zijn. Het viel trouwens bij de etymologische theorie hierover toch al op dat er nooit een betekenis genoemd werd. Het bleef altijd bij de veronderstelling dat Havik en Kobets formeel wel verwant zouden zijn.]
Het beste alternatief is (nog steeds) van germ *haf- (en *haƀ- bij toepassing van de Wet van Verner; zie Verantwoording: Termen) uit te gaan, waarbij idg *kap- ‘grijpen’ past [Suolahti 1909; FWH]. Deze wortels *haf- of *hav- liggen ook ten grondslag aan de ww.en heffen en hebben. Idg *kap- zit in Lat capio ‘grijpen (vgl. ook sub Kets) en Gr káptō ‘ik hap’, begrippen die op de Havik van toepassing zijn. Er is ook Lat capus ‘Havik’ [AEW] [vDE wil idg *kap- in verband brengen met Lat Accipiter ‘Havik’, maar volgens Coomans et al. 1947 ligt dit verband niet zo eenvoudig.]
Lat gentilis moet hier vertaald worden met ‘edel’ (vgl. F gentilhomme ‘edelman’ en E gentleman ‘heer’), maar betekent in het Lat ‘stamverwant’, van Lat gens ‘geslacht, (volks)stam’; voor Lat genus zie de etymologie van koning sub Koningsarend. Zie ook sub Edelvalk.

==

1 E Hawk is een algemene naam voor verscheidene soorten Roofvogels; idem Am Hawk. Welsh Hebog ‘hawk, falcon’ [Lewis 1992], ouder Hebauc, is uit het E geleend, evenals iers sebocc ‘Havik’ [FWH].

2 Oud/middelfrans Hobet de haie (E Hedge Hawk) was de naam voor de Sperwer, een felle Roofvogel die niettemin voor de Valkenjacht wegens ongehoorzaamheid vrij waardeloos was (vgl. sub Zwemmer). Boomvalk en (de in West-Europa zeer zeldzame) Roodpootvalk waren dat ook. Mogelijk is Hobet de haie de basis geweest voor E hobbledehoy ‘jongeling in de vlegeljaren, slungel’ [Weekley 1967].

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

havik* roofvogel 1287 [CG NatBl]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal