Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

haver - in de uitdrukking van haver tot gort

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

haver 2 zn. ‘nakomeling’ in de uitdrukking van haver tot gort ‘door en door’
Mnl. van aver t'avere ‘van geslacht op geslacht’ [14e eeuw, afschrift 1800-20; MNW-R]; vnnl. in d'erfghenamen van Aver tot Aver [1595; WNT Supp. aver I], van haver t'haver [1604; WNT]; nnl. in de huidige betekenis: Haerlemiet ... van haver tot garst ‘van generatie op generatie, dus door en door, Haarlemmer’ [1733; WNT gerst], van aver en t' aver ‘door en door’ [1736; WNT Supp. aver I], wy bennen van aver tot gord allemaal geriffermeerde menschen ‘wij zijn van geslacht op geslacht (en/of: door en door?) allemaal protestant’ [1774; WNT Supp. aver I], hij vertelt (of: kent) het van haver tot gort [1858; Harrebomée].
Al in het Middelnederlands kwam het woord alleen nog voor in de uitdrukking van aver tot aver, waardoor het bewustzijn van de eigenlijke betekenis van het woord gemakkelijk kon verdwijnen, en de weg vrij was voor volksetymologie, vooral in die gebieden waarin de h- aan het begin van woorden en lettergrepen wordt weggelaten. In het Nieuwnederlands wordt voor het eerst de tweede aver vervangen door gort. De overgang naar de huidige betekenis wordt goed geïllustreerd door de vindplaatsen uit 1733 en 1774; ook in die betekenis blijft de uitdrukking naast van haver tot gort / gerst ook nog enige tijd van (h)aver tot (h)aver luiden.
Aver ‘voorouder, geslacht’ is verwant met: os. aƀaro ‘nakomeling’; oe. eafora ‘id.’; got. afara ‘id.’; daarnaast het bw. mhd. aber, afer ‘nogmaals, opnieuw’ (nhd. aber); afleidingen van pgm. *aba- ‘van ... weg’, zie → af.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

aver* [kind, nakomeling] {1265-1270} verwant met oudengels eafora, gotisch afar [na, behorend bij] (vgl. af); buiten het germ. oudindisch apara- [latere, volgende] → haver2.

haver2* de uitdrukking van haver tot gort [geheel en al] {1726} luidde oorspr. van haver tot haver, d.w.z. van avere te avere [van voorouder op voorouder]; toen de betekenis verloren was gegaan, is de variant met gort opgekomen. Afgeleid van af.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

haver

Wij kennen elkaar van haver tot gort wil zeggen: door en door, tot in alle bijzonderheden. De uitdrukking is een aardig voorbeeld van de wijze waarop men onbegrepen woorden kan verhaspelen. Oorspronkelijk zei men: ik ken hem van aver tot aver, waarin aver betekende: zoon. Het woord hangt samen met: af, dus: afstammeling. Iemand van aver tot aver kennen wil dus zeggen: iemands familie kennen van de ene zoon tot de andere; wij zeggen: van vader op zoon.

Het woord aver raakte evenwel in onbruik en omdat men liever woorden gebruikt die iets betekenen – al wordt de uitdrukking daardoor onzin – dan woorden die ons niets meer zeggen, zei men in later tijd: van haver tot haver en maakte daarvan weer: van haver tot klaver. En nu die gort? zal men vragen. Misschien is er te denken aan gort uit haver gemaakt, misschien aan het Zeeuwse woord gors: gras en misschien aan een grappenmakerijtje. Dat laatste is het waarschijnlijkst.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

haver 2 in de uitdr. van haver tot gort is een speelse volksetymologische vervorming van mnl. van aver(e) taver(e), eig. ‘van zoon tot zoon’, vgl. mnl. aver(e), os. aƀaro, oe. eafora m. ‘nakomeling’, behorend bij got. afar ‘na’, vgl. ohd. abur, avar ‘wederom, daarentegen’ (nhd. aber), dat zelf weer een afl. is van af. Het naast verwant is oi. ápara- ‘latere, volgende, andere’.

haver [Aanvullingen De Tollenaere 1969]: haverklap (om de) zie Ts 85, 234 [1969].

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

De uitdr. van haver tot gort is een volksetymologische vervorming van mnl. van āver(e) tāver(e), ospr. “van zoon tot zoon”, waarvoor oudnnl. van haver tot haver. Mnl. āver(e) m. = os. aƀaro, ags. eafora m. “nakomeling”, dat bij got. afar “na” (= ohd. abur, avar “wederom, daarentegen”, nhd. aber), een afl. van af, hoort. Vgl. oi. ápara- “latere, andere, volgende”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

haver m., Mnl. havere, Os. haƀoro + Ohd. habaro (Mhd. haber, Nhd. id. en hafer): alleen in ’t Germ. van ’t vasteland; de labiaal is uit een gutt. ontstaan, zooals blijkt uit dial. Skand. hagre en het ontleende Finsch kakra + Gr. kákhrus (= *qhaghr-), Oier. coirc. Meng. haver en On. hafri zijn ontleend. Bevindt zich ook in ’t Fr. havresac = haverzak, van de voerlieden naar de krijgslieden overgegaan. — Van haver tot gort is door volksetym. vervormd uit van aver tot aver, waarin aver (Os. aƀaro, Ags. eafora) = afstammeling, zijnde een afleid. van af (z.d.w.).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

hawer II: (in verbg.) “van hawer tot gort/klawer”; Ndl. “van haver tot gort” volkset. v.: van aver te (of tot) aver, “van geslag (van voorouers) tot geslag”, waar aver ’n reeds in die Middeleeue veroud. wd. is wat verb. hou m. Oeng. eafora, “afstammeling”.

Thematische woordenboeken

C.H.Ph. Meijer (1919), Woorden en uitdrukkingen verklaard door Dr. C. H. Ph. Meijer, Amsterdam

Haver tot gort (Van —). Vroeger van aver tot aver, eigenlijk van nakomeling tot nakomeling, van geslacht tot geslacht, van a tot z, door en door. Toen dit niet meer begrepen werd, maakte men ervan: van haver tot haver, en toen van haver tot gort. Aver is een stamverwant van af, drukt een verwijdering uit, een later komen, en dus nakomeling; in oudere germ. talen vindt men het woord ook. V. Mander, Leven d. Schilders 184 c: “Die van zyn Vader en Moeders sijde is van haver t’haver (so men seght) uyt de Const ghesproten.” In ’t mnl. heeft men nog een ww. averen, van dit aver gevormd met bet.: achteruitbrengen, bederven. In België kent men nog de uitdrukking Van avers t’avers, van avels t’avels = van de gemeene hoop (Loquela 8, 15).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

aver ‘(verouderd) kind, nakomeling’ -> Sranantongo afo ‘voorouder, overgrootouder’; Saramakkaans avó ‘grootouders, voorouders’ .

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

860. Van haver tot gort,

d.w.z. geheel en al, in de uitdr. iemand kennen van haver tot gort. Deze uitdrukking luidde in de middeleeuwen van (h)aver te (of tot) (h)aver, (d.i. van den eenen voorouder tot den ander, van vader op zoon), dat ook nog bij Hooft Ged. II, 392 en Coster, 467, vs. 368 voorkomt. Daar het znw. aver evenwel als zelfstandig woord verdween, werd de uitdr. onduidelijk en maakte men er van van haver t'haver; van haver tot garst (of garst), van haver tot gort, van haver tot klaver. Zie Tuinman I, 79; Molema, 160 a; De Bo, 65 b; Schuermans, Bijv. 15 b; Mnl. Wdb. I, 497; Stallaert II, 318; Taalk. Magazijn III, 496; Ndl. Wdb. II, 750; VI, 140; Nkr. V, 14 Oct. p. 3: Heemskerk die weet alles, van haver tot aan gort; Het Volk, 22 Jan. 1914, p. 1 k. 3: Over zaken waar hij niets van weet oreeren of hij ze van haver tot gort in den zak heeft. In het fri.: fen hjouwer ta groat.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut