Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

haver - (korensoort)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

haver 1 zn. ‘graansoort van het geslacht Avena
Mnl. havere ‘haver’ in xij sister haueren (genitief) ‘12 maten haver’ [1280; CG I, 509], teerv, rogge, gerst, spelte, amer, boecweyt, raepsaet, boonen, arweten, wicken ende haver ‘tarwe, rogge, gerst, spelt, weit, boekweit, raapzaad, bonen, erwten, wikkeboontjes en haver’ [1479; MNW].
Alleen continentaal West-Germaans en Noord-Germaans: os. haƀoro (mnd. haver(e)); ohd. habaro (mhd. haber, nhd. (onder invloed van het mnd.) Hafer); me., ne. (dial.) haver (< on.); on. hafri (nzw. havre); < pgm. *habrō-.
Verdere etymologie onduidelijk. Een van de minst onbevredigende verklaringen is verband met pgm. *habra- ‘geitenbok’ (zoals overgeleverd in on. hafr en onl. *hafra- [8e eeuw; LS]); het gewas zou dus oorspr. letterlijk ‘geitenbokskruid’ moeten hebben betekend. Pgm. *habra- is verwant met o.a. Latijn caper ‘geitenbok’, zie → capriool.
Op grond van de dialectische Noord-Germaanse varianten met -g- (hagri, hagre ‘haver’) en de Finse ontlening (zonder klankverschuiving) kaura (< kakra) ‘haver’ denkt De Vries (1977) aan verband met (eveneens alleen dialectisch) Noors hagr ‘staartharen van een paard’, zodat de plant dan zou zijn genoemd naar de behaarde punt.
Over verwanten buiten het Germaans bestaat eveneens onduidelijkheid; als er geen verband is met pgm. *habra- ‘geitenbok’, is het woord wrsch. afkomstig uit een voor-Germaanse substraattaal. NEW voert hiertoe al het argument aan dat de wilde haver (Avena fatua, waaruit de gewone haver, Avena sativa, is geteeld) al sinds de bronstijd een uitgesproken Noord-Europees landbouwgewas was.
havermout zn. ‘gepelde en gebroken haver; pap hiervan’. Vnnl. havermolt ‘mout van haver’ [1532-37; MNW], havermout ‘meel, gemaakt van in de oven gedroogde en daarna gepelde haver, dat gekookt als ontbijt enz. genuttigd wordt’ [1901; WNT]. Samenstelling met → mout ‘kunstmatig gekiemd en weer gedroogd graan’. In de huidige betekenis heeft havermout niets meer met gekiemd graan te maken.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

haver1* [korensoort] {haver(e) 1280} oudsaksisch haƀoro, oudhoogduits haboro, oudnoors hafri; etymologie onzeker, mogelijk verwant met latijn capron(e)ae [haar (van mensen en dieren) dat op het voorhoofd valt], in welk geval de haver naar de stekelige haren zou zijn genoemd.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

haver 1 znw. v., mnl. hāver, hāvere m. v., os. haƀoro m., ohd. habaro m., on. hafri.

m.
Etymologie is onzeker. — 1. Wegens de overeenstemming van on. hafri ‘haver’ en hafr ‘bok’ heeft men het eerste van het tweede willen afleiden: bokken zouden vooral met haver gevoerd zijn (Falk-Torp 387). Zeer onwaarschijnlijk. — 2. Naast hafri staat ogutn. hagri, nnoorw. zw. dial. hagre (> fins kaura, kakra, eestn. kaer, liv. kagr); dit woord is te verbinden met nnoorw. dial. hagr ‘staartharen van een paard’ en dan zou de haver naar de behaarde stekels benoemd zijn (vgl. Hellquist 341). Dan zou volgens H. Peterson LUÅ 1918 Nr. 31, 19 hafri evenzo te verklaren zijn: vgl. lat. capronae ‘haar op het voorhoofd’ en oi. śipra- ‘haar’. — 3. Anders weer J. Charpentier KZ 40, 1907, 436 bij oi. śaspa- ‘jong gras, graskiem’. — 4. Wood MPh 17, 1919-20, 568 vergelijkt weer osl. koprŭ ‘schermplant’, dat hij verder verbindt met heffen en dan zou het woord eigenlijk betekenen ‘iets zwellends; tros’. — 5. Specht, Idg. Dekl. 27 neemt een r-afl. van os. hōƀa, ohd. huoba ‘stuk land; hoeve’ aan en vergelijkt voor de bet. ontw. lit. dirvà ‘akker’ naast oi. dūrvā ‘gierstgras’ (zie: tarwe). — De haver avena sativa is geteeld uit de wilde haver avena fatua en komt vooral in N. Europa voor (in het gebied der Middellandse Zee werd de plant eerst relatief laat bekend en vooral als veevoer gebruikt). De archaeologie heeft geleerd, dat reeds in de bronstijd op de Deense eilanden haver verbouwd werd. Onmogelijk is het dus niet, dat de Germanen de naam van een substraatvolk hebben overgenomen. Zie Hoops, Waldbäume und Kulturpflanzen 403 vlg. — Een andere naam is evene.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

haver znw., mnl. hāver(e) m.v. = ohd. habaro m. (nhd. haber; hafer uit ’t Ndd.), os. haƀoro m., on. hafri m. “haver”. Het is niet geraden, ogutn. zw. dial. noorw. dial. hagre “id.” hiervan te scheiden, hoewel de consonantenwisseling bevreemdend is. De gutturaal is oud, blijkens ’t finsche leenwoord kakra “haver”. Men neemt gew. verwantschap aan met ier. coirce “haver” (kelt. *korkio- uit *kokrio-), ook wel met gr. kákhrus “geroosterde gerst”. Verwantschap met opr. kexti, oi. kaca- “haar” is waarschijnlijker: voor de bet. vgl. ier. coirce, ook wel van corc “haar” afgeleid. De germ. labiaal zal wel aan een vervorming zijn toe te schrijven, waarvan de oorzaak ons onbekend is. Verwantschap met ags. hæfer m., on. hafr m. “bok”, kymr. caer-iwrch “reebok”, lat. caper “bok”, gr. kápros “wild zwijn”, kápra aíx. Turrēnoi (Hes.), (ook nperz. čapiš “eenjarige bok”?) is minder wsch. Haver zou dan “geitenvoer” beteekenen. [NB. Ook de combinatie van lat. avêna, russ. owës, lit. aviżà “haver” met idg. *owi- (zie ooi), die voor deze woorden een grondbet. “schapenvoer” zou wsch. maken, is hypothetisch.]

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

haver. Indien men de germ. labiaal voor oud houdt, komt de combinatie (van Petersson Balt. u. Sl. Wortstud. 19) in aanmerking met oi. çiprā̆- ‘haar’ (vgl. Charpentier KZ. 46, 30 vlg.), lat. caprônae ‘haren op het voorhoofd’. Bij deze, ook allerminst zekere, etymologie moet men ogutn. enz. hagre als een ander woord of een zeer oude vervorming beschouwen.
Het Mnl. kent naast hāver(e) een andere benaming voor de korensoort, nl. ēven(e) v., een blijkens het klankverloop (vgl. keten) oude ontlening aan lat. avêna, = ohd. (vooral rijnl.) os. evena, evina v. ‘haver’. Misschien werd er ospr. een (uit rom. gebied ingevoerde?) haversoort mee aangeduid (zwarte haver: vgl. Teuth. evene ‘swartechtige haver’?) Zie Frings Germ. Rom. 166 vlg. — Dial. komt dit woord nog voor: W.-Vla., Sall., Tw.; Achterh. en Rijnl. ook de compromisvorm ever. — De ags. benaming is âte v. (eng. oats, zie bij erwt) die ook in ndl. diall. (Zeel., Beierl., Za., Gron., W.-Vla.) voorkomt, veelal met de bet. ‘wilde haver’ en in de vorm oot, oat, met ô < ingwaeoonse â als in moot.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

haver m., Mnl. havere, Os. haƀoro + Ohd. habaro (Mhd. haber, Nhd. id. en hafer): alleen in ’t Germ. van ’t vasteland; de labiaal is uit een gutt. ontstaan, zooals blijkt uit dial. Skand. hagre en het ontleende Finsch kakra + Gr. kákhrus (= *qhaghr-), Oier. coirc. Meng. haver en On. hafri zijn ontleend. Bevindt zich ook in ’t Fr. havresac = haverzak, van de voerlieden naar de krijgslieden overgegaan. — Van haver tot gort is door volksetym. vervormd uit van aver tot aver, waarin aver (Os. aƀaro, Ags. eafora) = afstammeling, zijnde een afleid. van af (z.d.w.).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

hawer I: pln. (Avena sativa, fam. Gramineae); Ndl. haver (Mnl. haver(e)), Hd. haber, verw. hoërop onseker (v. veral dVri J NEW).

Thematische woordenboeken

F. Kok (2007), Waarom brandnetel?, Nieuwegein

Haver (glans), Arhenatherum elatius
Arhenatherum: deze naam is verlatijnst en samengesteld uit drie Griekse woorden 'arr' = 'mannelijk', '(h)en' = 'een' en 'ather' = 'stekel aan de korenaar'.
Elatius: de plant heeft in vergelijking met leden van hetzelfde geslacht grote (lange) bloemen.
Glanshaver: glans als voorvoegsel komt van de rechtopstaande stengel die glad, glanzend en onbehaard is. Daarnaast heeft de plant veel weg van haver.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

haver ‘korensoort’ -> Papiaments haver ‘korensoort’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

haver* korensoort 1280 [CG I1, 509]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut