Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

havenen - (mishandelen, beschadigen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

havenen ww. ‘mishandelen, beschadigen’
Mnl. havenen ‘met zorg behandelen, van het nodige voorzien’, in den torf miten ende havenen ‘de turf stapelen en ordenen’ [1377-78; MNW], ghehavent van clederen ende van scoen ‘voorzien van kleren en schoenen’ [1400-20; MNW-R], zieken te havenen of te verbedden ‘zieken te verzorgen of hun bedden op te schikken’ [1413; WNT], dat die kinder scoen waren ende wel ghehavent ‘dat de kinderen mooi en goed verzorgd waren’ [1479-1517; MNW-P]; deze positieve betekenis ook nog in het vnnl.; dan ook voor het eerst de negatieve betekenis: iemand havenen ‘iemand toetakelen, afrossen’ [1681; WNT]. De woordenboeken lopen hier achteraan, bijv. nog steeds als eerste betekenis bij: havenen ‘reinigen’, daarna volgen ‘mishandelen, vechten, stoeien, afrossen’ [1829; Martin].
Afleiding bij de wortel pgm. *hab- van → hebben.
Mnd. havenen ‘schoonmaken’; ohd. (met umlaut) hebinōn, hefinōn ‘behandelen’; ofri. hav(e)nia ‘verzorgen, behandelen, repareren’; oe. hafenian ‘vasthouden, oppakken’; < pgm. *habinōn-, *habanōn- (alleen West-Germaans).
In het Middelnederlands wordt dit werkwoord uitsluitend in positieve zin gehanteerd. Het verl.deelw. gehavend, dat een hogere frequentie had dan havenen zelf, ging meestal vergezeld van een bijwoord of bijwoordelijke bepaling zoals hieronder kwalijk gehavend ‘onjuist behandeld’ en gehavend met schieten ‘het effect vertonend van het schieten’; de postitieve betekenis ‘met zorg behandeld’ kon daardoor overgaan in een neutrale ‘behandeld’, en nog later in een negatieve ‘slecht behandeld, de resultaten van slechte behandeling vertonend’. Onder invloed daarvan veranderde ook het werkwoord havenen van ‘goed verzorgen’ in neutraal ‘behandelen’ en vervolgens ‘mishandelen’.
gehavend bn. ‘toegetakeld, met letsels’. Mnl. nog als verl.deelw. van havenen: gehavent ‘met zorg behandeld’, zie vindplaatsen hierboven; vnnl. nog als verl.deelw., wrsch. al met negatieve betekenis in dat den vroegh-Haringh seer qualijcken gehavent wort [1582; WNT toezicht], dan steeds negatiever in [de] Kommandeur van 't brandtschip ... werdt zoo gehavent met schieten, dat hy straks zonk [1687; WNT], hoe ellendig is onze beurs gehavent [1693; WNT welhebbend], hy kwam slegt gehavend, slegt toegesteld van die ongelukkige reis [1717; Marin]; ten slotte als volwaardig bn. in op den slingerenden en stampenden en gehavenden bodem [1849; WNT]. ♦ ongehavend bn. ‘onbeschadigd’. Ook hier een betekenisommekeer: eerst mnl. onghehavent ‘slordig’ in ruych ende onghehavent van clederen [1485; MNW]; vnnl. onghehauent ‘onverzorgd’ [1599; Kil.]; nnl. in hun morzig, teerig, ongehavend pakje [1787; WNT vuilbekken], en eind 19e eeuw nog bij een WNT-redacteur ongekamd, ongehavend, slordig, wanordelijk haar [1897; WNT haar IV]; met positieve betekenis: ongehavend “niet gehavend, niet haveloos” [1872; van Dale], de stad zelve ... vertoonde niet veel sporen meer van den geduchten strijd; de huizen waren meest ongehavend [1907; Groene Amsterdammer]. Afleiding met het voorvoegsel → on-. De betekenisommekeer lijkt zich bij ongehavend wat later te hebben voltrokken dan bij havenen en gehavend. De oude betekenis van het woord is volledig overgenomen door haveloos, zie → have.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

havenen* [beschadigen] {1401-1450 in de betekenis ‘met zorg behandelen, verzorgen, van het nodige voorzien, herstellen’} middelnederduits havenen [schoonmaken], oudfries havenia [zorgen voor], oudengels hafenian [grijpen], oudhoogduits hebinon [behandelen] (met umlaut); afgeleid van hebben; voor de betekenisovergang naar ‘beschadigen’ vgl. de parallel toetakelen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

havenen ww., mnl. hāvenen (vooral noordnl.) ‘behandelen, verzorgen, schoonmaken, herstellen’; nnl. ‘toetakelen, havenen’ (vgl. ouder slecht hāvenen), mnd. hāvenen ‘schoonmaken’, ofri. havenia, havnia ‘zorgen voor, behandelen, bewerken, herstellen’, oe. hafenian ‘grijpen’; daarnaast met umlaut ohd. hebinōn, hefinōn ‘behandelen’. Het on. hafna heeft de bet. ‘van zich wijzen, opgeven; verloochenen’; voor de bet. vgl. got. gahaban sik ‘zich onthouden.’ — Afl. van hebben.

Het on. hafna kan wegens zijn afwijkende betekenis ook tot de groep van mnl. hemmen, mhd. hemmen, oe. hemman, on. hemja ‘verhinderen’ gerekend worden.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

havenen ww. Mnl. hāvenen, vooral noordndl., beteekent “behandelen, verzorgen, schoonmaken, herstellen”. In de bet. van ons havenen komt oudnnl. slecht havenen voor. Overigens kan de bet. “toetakelen, havenen” zich ook uit “behandelen” ontwikkeld hebben, zonder dat hier een bijw. bij stond; vgl. ons onder handen nemen. Tenslotte kan ook ’t ironische gebruik van havenen “verzorgen” bij ’t opkomen van de tegenwoordige bet. hebben meegewerkt. Mnl. hāvenen = mnd. hāvenen “schoonmaken”. Mnl. komt ook hāven “bewerken” voor, = mnd. hāven (haffen) “behandelen”. De vorm hāvenen is echter ouder, blijkens ofri. hav(e)nia “zorgen voor, behandelen, bewerken, in stand houden, repareeren”, ags. hafenian “grijpen”, met umlaut ohd. hebinôn, hefinôn “behandelen”. Dit werkwoord komt van de basis van hebben. Evenzoo ook on. hafna “ophouden met” (voor de bet. vgl. got. gahobains v. “het zich-onthouden”, gahaban sik “zich onthouden”), wellicht ook hefna “wreken”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

havenen. Mnd. hāvenen in de bet. ‘(schoonmaken,) zorgvuldig behandelen’ slechts als neerlandisme.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

havenen o.w., in alle gunstige en ongunstige bet., uitgaande van de algemeene bet. handelen, is een frequent. van *have = handvat: vergel. handhaven.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

havenen ‘beschadigen; (verouderd) zuiveren, schoonmaken’ -> Frans dialect † haver ‘bewerken’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

havenen* beschadigen 1676 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut