Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

have - (bezit)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

have zn. ‘bezit’
Mnl. have ‘bezit, eigendom (met name van roerend goed)’ in mine haue ‘mijn bezit(tingen)’ [1201-25; CG II, Floyr.], van haven arm, van dooghden rijc ‘arm aan bezit, rijk aan deugden’ [ca. 1330; MNW]. Daarnaast in het onl. een andere afleiding: heuode ‘bezit’ [10e eeuw; W.Ps.].
Afleiding van de Proto-Germaanse wortel *hab- ‘bezitten’, zie → hebben.
Mnd. have; ohd. haba ‘have, eigendom’ (nhd. Habe ‘eigendom’); ofri. have, heve; < pgm. *habō- ‘bezit’.
haveloos bn. ‘armoedig, onverzorgd, verwaarloosd’. Mnl. en es niement soo haveloos, leeft hi in goeden hope altoos, hem ghescieter af al goet ‘er is niemand die zo arm is, dat hij niet in de goede hoop leeft, dat het hem goed zal gaan’ [1410; MNW]; vnnl. haueloos ‘arm’ [1573; Thes.], haveloos “morsig, ongehavend” [1677; WNT]. Afleiding met → -loos, dus oorspr. ‘zonder have, zonder bezit, arm’. Het heeft in de betekenis ‘onverzorgd, verwaarloosd’ het woord ongehavend geheel verdrongen, dat oorspr. ‘onverzorgd, ongeordend’ betekende, bij → havenen, oorspr. ‘behandelen, verzorgen’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

have* [bezit] {1237} middelnederduits have, oudhoogduits haba, oudfries have, heve, afgeleid van hebben. In de uitdrukking have en goed [iemands totale bezit], middelnederlands have ende goet, betekende have vooral ‘roerend goed’.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

have znw. v., mnl. hāve, mnd. hāve, ohd. haba, ofri. have, heve is een afl.van hebben.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

have znw., mnl. hāve v. = ohd. haba (nhd. habe), mnd. hāve, ofri. have (naast heve) v. “have”. Bij hebben.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

have v., Mnl. id. + Ohd. haba (Mhd. en Nhd. habe), Ofri. hava: van den stam van heffen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

hawe II: “eiendom”; Ndl. have (Mnl. have), Hd. habe, gew. verb. aangeneem m. Ndl. hebben, Hd. haben, Eng. have, Afr. hé/het.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

have ‘bezit’ -> Zweeds håvor ‘giften, gaven’ (uit Nederlands of Nederduits).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

have* bezit 1237 [CG I1, 32]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

857. Have en goed,

d.w.z. al iemands bezittingen; mnl. have ende goet; hd. Hab(e) und Gut; eng. goods and chattels. Eig. verstond men onder have de roerende goederen, die men in de middeleeuwen ook noemde havelijc goet en in de 17de eeuw tilbare have (Hooft). Vgl. Plantijn: Have ende goedt, substance, des biens meubles, substantia, bona, orum opes; zie verder Mnl. Wdb. III, 181; Ndl. Wdb. VI, 128; Joos, 57: have en goed; have en erf, al wat men bezit.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut