Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

harem - (vrouwenverblijf in aanzienlijk islamitisch huis; gezamenlijke vrouwen in zo'n verblijf)

Etymologische (standaard)werken

Diverse auteurs (2011-), Etymologiewiki

Oudere attestatie:

  • "De Groote Heer Sultan Mustapha bevind zich thans met deszelfs Harem in 't Serrail te Karagats, om aldaar het overige van den Zomer te passeeren." - Middelburgse Courant, 14 sept. 1758.

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

harem zn. ‘vrouwenverblijf in aanzienlijk islamitisch huis; gezamenlijke vrouwen in zo'n verblijf’
Nnl. harem ‘vrouwenverblijf’ in 't inwendige der harems of vrouwen-vertrekken [1790; WNT ruiken], ‘de gezamenlijke bewoonsters van zo'n harem’ [1827; WNT], en overdrachtelijk ‘gezamenlijke vrouwtjes onder de hoede van een mannetjesdier’ [1820; WNT].
Ontleend aan Turks ḥarēm(lik) ‘deel van het huis dat behoort aan de vrouwen’, gevormd met het achtervoegsel van plaats -lik uit ḥarēm- ‘heilig, heiligdom’, < Arabisch ḥaram ‘verboden, taboe, heilig, echtgenote’, en/of ḥarīm ‘heilige/verboden plaats, harem, vrouwelijke leden van de familie’.
Arabisch ḥaram staat voor alles wat verboden is volgens de wet, dit in tegenstelling tot ḥalāl ‘bij de wet toegestaan’, zie → halal. Rondom heilige plekken als Mekka en Medina zijn bepaalde handelingen die elders wel toegestaan zijn, ḥaram; hierdoor kreeg het woord ook de betekenis ‘heilig, beschermd’. Het privé-gedeelte van de traditionele Ottomaanse huizen, de ḥarīm waar de vrouwen verbleven, was beschermd gebied, voor vreemdelingen verboden. In het Turks nam men het woord over als ḥarēm met toevoeging van het plaatsaanduidend achtervoegsel -lik, de daaruit weer verkorte vorm ḥarēm (moderne Turks harem) duidde op het personeel van de ḥarēmlik. In de uit het Turks ontlenende Europese talen kon harem door betekenisoverdracht zowel het ‘vrouwenverblijf’ als ‘de bewoners van het vrouwenverblijf’ aanduiden.
Lit.: N.M. Penzer (1936), The Harem, London; Philippa 1991, 109-111

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

harem [vrouwenverblijf, vrouwen en bijzitten van een moslim] {1792} < turks harem < arabisch ḥarīm [heilig, verboden; harem, vrouwelijke gezinsleden], bij het ww. ḥaruma, ḥarima [het was verboden] → harmattan, hormat, maraan.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

eunuch

Het woord eunuch is samengesteld uit een Grieks zelfstandig naamwoord namelijk eunè dat: bed betekent en een Grieks werkwoord echein: hebben of houden. En toch is een eunuch niet iemand die het bed moet houden, maar iemand aan wie de bewaking van een bed en van haar die er in ligt, veilig kan worden toevertrouwd. Het is een woord uit het oosten waar Islamitische vorsten de bewaking van hun harem opdroegen aan eunuchen, ontmande mannen. Het woord harem is Arabisch, het betekent letterlijk: verboden en duidt zowel het vrouwenverblijf van een aanzienlijke Mohammedaan aan als de vrouwen die er wonen tezamen.

Ook het woord serail wordt wel voor harem gebruikt, maar eigenlijk is het serail het paleis van een Turks vorst.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

harem znw. m., evenals nhd. ne. nfra. harem ontleend < turks harem ‘vrouwenvertrek; de daar afgesloten vrouwen’ < arab. ḥarām ‘gewijd, verboden gebied’ vd., ‘vrouwenverblijf’ (Lokotsch Nr. 819).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

harem znw. Internationaal woord. Uit arab. haram “heilig, niet toegankelijk, vrouwenverblijf”.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

harem s.nw.
1. Gedeelte van 'n woning van 'n Moesliemse vors wat vir bewoning deur sy vroue afgesluit is. 2. Alle vroulike bewoners van die harem (harem 1). 3. (skertsend) Groep vroue wat amoreus met een man geassosieer word, of koeie of ooie wat deur 'n enkele bul of ram gedek word.
Uit Ndl. harem (1792 in bet. 1 en 2, 1862 in bet. 3 m.b.t. mense, 1860 in bet. 3 m.b.t. diere).
Ndl. harem uit Arabies haram 'dit wat heilig, verbode, onwettig is, nie vir enigiemand toeganklik is nie, vroulike gesinslede'.
D. Harem, Eng. harem, Fr. harem, Turks harem.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

harem: Moh. afgesonderde vroueverblyf; Ndl., Hd. en Eng. harem uit Tur. harem, “vrouevertrek; die vroue daarin”, uit Arab. haram, “verbode (gebied)” (in Eng. sedert eerste helfte l7e eeu, in Ndl. blb. veel later).

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

harem (Turks harem)

R. Dozy (1867), Oosterlingen, verklarende lijst der Nederlandschen woorden die uit het Arabisch, Hebreeuwsch, Chaldeeuwsch, Perzisch en Turksch afkomstig zijn, 's-Gravenhage

Harem
Is onveranderd het Arab. harem (حرم), eigenlijk datgene wat heilig of waartoe de toegang slechts aan zekere personen veroorloofd is; van daar: dat gedeelte der woning, dat voor de vrouwen bestemd is; ook de vrouwen zelve.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

harem ‘vrouwenverblijf; vrouwen en bijzitten van een moslim’ -> Indonesisch harem ‘vrouwenverblijf; vrouwen en bijzitten van een moslim’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

harem vrouwenverblijf, vrouwen en bijzitten van een moslim 1792 [WNT vrouw] <Turks

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut