Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

hardnekkig - (niet wijkend, onverzettelijk)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

hardnekkig bn. ‘niet wijkend, onverzettelijk’
Mnl. dat hartnackige volc [ca. 1445; MNW], hart-, hertnackich [1458; MNW-P], hartneckich [1477; Teuth.]; ook het bw. hartneckelick [1488; MNW].
Afgeleid met → -ig van → hard en → nek. Misschien als leenvertaling van Duits hartnäckig ‘onverzettelijk’, dat echter pas later verschijnt, als hardneckisch [1495; Kluge21]. Zowel in het Duits als in het Nederlands alleen aangetroffen in de huidige, overdrachtelijke betekenis, ook bij → halsstarrig, en vergelijk ook BN dikke nek ‘iemand met kapsones, druktemaker, opschepper’. Zonder uitgang -ig verschijnt zowel in het Nederlands als in het Duits al vroeg een vergelijkbaar woord als toenaam van resp. Johannes Ardenake (Brussel) [1283; Bonenfant 1953] en Heyno Hardenacke (Hamburg) [1266; Bahlow 1972].
Lit.: P. Bonenfant (1953), Cartulaire de l'hôpital Saint-Jean de Bruxelles, Brussel; H. Bahlow (1972), Niederdeutsches Namenbuch, Wiesbaden

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

hardnekkig* [halsstarrig] {hartnackig, hertnackich [halsstarrig] 1357} is oorspr. gezegd van trekdieren die een harde, een onbuigzame nek hadden.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

hardnekkig bnw., mnl. (l4. eeuw) hartnackich, -neckich. = hd. hartnäckig (sedert 1495), mnd. hardenackich; ook mnd. hardenacket, oudnnl. hardnekt. Voor de bet. vgl. halsstarrig.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

hardnekkig bijv., vergel. halsstarrig.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

hardnekkig b.nw.
1. Halsstarrig, onversetlik, onbuigsaam, koppig. 2. Sonder verposing, verslapping of onderbreking volgehou, langdurig. 3. Wat nie wil genees nie. 4. Moeilik om op te los.
In bet. 1, 2 en 3 uit Ndl. hardnekkig (Mnl. hartnackich, hertnackich in bet. 1, 1834 - 1856 in bet. 2, 1861 - 1863 in bet. 3). Ndl. hardnekkig het ontwikkel uit verwysings na trekdiere met harde, onbuigsame nekke. Bet. 4 het in Afr. self ontwikkel. Eerste optekening in Afr. in Patriotwoordeboek (1902).
D. hartnäckig (15de eeu).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

hardnekkig* halsstarrig 1357 [MNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut