Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

hard - (niet zacht)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

hard bn. ‘niet zacht’
Onl. hart in tho ougedōs folki thīnin harda thing ‘Gij hebt Uw volk harde zaken doen zien’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. hart ‘niet zacht, stevig, bitter’ [1240; Bern.], ‘meedogenloos, wreed’ in alte fel ende alte hart [1265-70; CG II, Lut.K].
Os. hard (mnd. hart, harde); ohd. hart (nhd. hart); ofri. herd (nfri. hurd); oe. heard (ne. hard); on. harðr (nzw. hård); got. hardus; < pgm *hardu-.
Verdere etymologie onbekend. Traditioneel wordt verwantschap verondersteld met: Grieks krátos ‘kracht, macht’, zoals in woorden op -cratie, bijv.democratie, kratús ‘sterk’; Sanskrit krátuḥ ‘geestkracht, wil’; < pie. *kor-tos. Deze etymologie is echter problematisch, omdat men ook in het Germaans de klinker na de r zou verwachten.
Van oudsher werden met dit Germaanse woord veel persoonsnamen gevormd, zoals Bernhard, Richard etc., waarin betekenis ‘sterk, moedig’ was. Later leidde dit element via Frans -ard tot het achtervoegsel → -aard voor ongunstige persoonsaanduidingen.
In het Middelnederlands bestond een van hard afgeleid en zeer frequent bijwoord van graad harde ‘zeer, in hoge mate’, dat in het Nieuwnederlands volledig verdrongen is door de woorden → zeer 2, → heel en → erg. Als relict is deze betekenis nog te vinden in de vaste verbinding hard nodig (zijn) en in de specifieke betekenis ‘snel’, in hard rijden, lopen etc.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

hard* [moeilijk samen te drukken, te verbrijzelen, te buigen; luid, meedogenloos] {oudnederlands hard 901-1000, middelnederlands hart} oudsaksisch hard, oudhoogduits hart, oudfries herde (bijw.) oudengels heard, oudnoors harðr, gotisch hardus; buiten het germ. grieks kratus [sterk], kartos, kratos [kracht]. De uitdrukking hard tegen hard [elkaar in felheid niets toegevend] is ontleend aan het malen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

hard bnw., mnl. hart ‘hard, stevig, moedig, lastig, wreed’, onfrank. hard, os. hard ‘hard, moedig’, ohd. hart, harti, herti ‘hard’, ofri. herde (bijw. ‘stevig, zeer’), oe. heard ‘hard, moedig, erg’, on. harðr ‘hard, moedig, lastig’, got. hardus ‘hard’. — gr. kratús, kraterós ‘sterk, machtig’, oi. karkara- ‘ruw, hard’ (IEW 531). — Zie: harden.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

hard bnw., mnl. hart (d) “hard, stevig, moedig, onaangenaam, lastig, wreed”. = onfr. hard “durus”, ohd. hart, harti, herti “hard” (nhd. hart), os. hard “hard, moedig”, (ofri. herde bijw. “stevig, zeer”), ags. heard “hard, moedig, erg” (eng. hard), on. harðr “hard, moedig, vlug, lastig”, got. hardus “hard”. Verwant met gr. kratús, kraterós “sterk”, misschien met oi. kaṭhiná-, káṭhora- “hard, vast, stijf’, ksl. čĭrstvŭ, črĭstvŭ “stevig, zuiver, echt”, wsch. niet met lat. crassus “dik”, oi. krtsná- ”geheel”, - en ook niet met lit. kartùs “bitter”, oi. katú- “bijtend, scherp”, waarvoor veeleer een grondbet. “snijdend” moet worden aangenomen. Met mnl. harde, onfr. hardo, ohd. harto, os. hardo, ofri. herde, ags. hearde, on. harða “zeer” vgl. voor de bet. ’t verwante gr. kárta “id.”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

hard bijv., Mnl. hart, Onfra. en Os. hard + Ohd. hart (Mhd. en Nhd. id.), Ags. heard (Eng. hard), Ofri. herd, On. harđr (Zw. hård, De. haard), Go. hardus + Skr. kratuṣ = kracht, Gr. kratús, Osl. črǐstvŭ = sterk: Idg. wrt. qar = hard zijn. Uit het Germ. komt Fr. hardi.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

hel (bn.) 1. hard 2. snel; Sermoen euver de Weurd (18e eeuw) hail, Middelnederlands hel <1477> < Duits hell.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

pi’si, 1. (de, -’s), naam voor een aantal boomsoorten behorende tot de Advocaatfamilie*. Het merendeel der soorten [van de Advocaatfamilie*] is bekend als pisie, soms met een bepaalde toevoeging als harde of zachte, witte of zwarte, kaneel-* of zilverpisie*. Deze toevoegingen - uitgezonderd de beide laatste - worden echter niet constant gebruikt (L&Me 159). - 2. (de), hout van deze bomen. Pisi laat zich goed bewerken behalve de harde, zwarte soort, die toch, wanneer hij goed is afgewerkt, een erg mooi oppervlak heeft (Muntslag 144). - Etym.: S. - Samenst. ook: bambapisi*, savannepisi*.

wied (het), 1. onkruid, kruidachtige wilde gewassen op ongewenste plaatsen. Bloemendaal was een grote modderpoel met gesloten huisjes en hoog wied en gras langs en uit de goten* (Vianen 1972: 119). - 2. het verwijderen van onkruid (wied*, 1), het wieden* (1, 2). Het jaar 1982 kan bestempeld worden als het jaar waarin voor de eerste keer in de geschiedenis van Victoria alle geplande onderhoudswerkzaamheden konden worden uitgevoerd. Dit kon omdat in plaats van handwied* op grote schaal is gebruik gemaakt van chemisch wied (jaarverslag van Palmoliebedrijf Victoria, cit. volgens WS 20-8-1983). - Etym.: (1) AN ’wiede’, ’wiet’ is ’uitgewied onkruid’ (Van Dale); veroud. Vgl. E weed = onkruid. Oudste vindpl. Kuhn 1828: 92. - Samenst. van 1: liemswied*. Zie ook: wiedsel*. Samenst. van 2: handwied*.
— : hard wied, (plantersterm) schadelijk onkruid. Op gronden echter, waar schadelijk onkruid of ’hard wied’ (voornamelijk grassoorten) overheerschend was, b.v. op plaatsen met weinig schaduw, was het gevolg van het onvoldoende wieden* voor de cacao zeer duidelijk (Enc.NWI 189; enige vindpl.).
— : zacht wied, (plantersterm) onschadelijk onkruid. Wanneer op de velden zoogenaamd onschadelijk onkruid of ’zacht wied’ stond - en dit onkruid is op goeden grond bij voldoende schaduw altijd overheerschend - dan leed de cacaoboom onder dit onvoldoende wieden* veel minder dan men zou verwachten () (Enc.NWI 189; enige vindpl.).

Thematische woordenboeken

E. Sanders (1997), Borrelwoordenboek: 750 volksnamen voor onze glazen boterham, Den Haag

harde In 1881 in Gent gehoord voor ‘borrel’. Een Gents dialectwoordenboek uit 1950 beschouwt het als een typisch Gents woord en geeft als voorbeeldzin: eerst ne zwarte en dan nen harde voor ‘eerst een kop koffie en daarna een borrel’. Het woord kwam ook voor in de vorm harte. Mogelijk moet men hier simpelweg denken aan ‘iets dat hard aankomt’. Vergelijkbaar is de verouderde Franse term dur ‘sterke borrel’. Evenzo heeft het Duits de begrippen harter (Schnaps) en harte Sachen.

[Liev.-Coopm. 505; NZ 4:100]

S. Theissen (1978), Germanismen in het Nederlands, Hasselt

hard-

Het Nederlands kent niet veel samenstellingen van hard- met een substantief, maar hardboard, -glas, -soldeer, -voer worden algemeen aanvaard.

Twee dergelijke samenstellingen worden door sommigen als een germanisme beschouwd:

a. Hardgummi (D. ‘Hartgummi’) was in de jaren ’60 nog in Van Dale en Jansonius te vinden. Nu is Van Gelderen de enige die het nog vermeldt.

b. Hardmetaal (D. ‘Hartmetall’) (‘een metaalcarbide waaruit de snijdende randen van sommige werktuigen vervaardigd worden’) wordt door sommigen goedgekeurd, omdat het een nieuw begrip vormt, verschillend van ‘hard metaal’. Jansonius heeft het dan ook zonder verdere aantekening opgenomen. Van Dale beschouwt het echter nog als een germanisme. Dit technische woord wordt in de algemene taal niet vaak gebruikt. De meeste woordenboeken hebben het zelfs niet opgenomen.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Hard van ’t Voorgerm. kartus = sterk (vgl. ’t Gr. kratos = sterk; Skr. kratus = kracht), van den Idg. wt. ker = maken.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

hard ‘moeilijk samen te drukken, te verbrijzelen, te buigen; luid; meedogenloos’ -> Frans dialect âr, hard ‘hard, gehard’; Bretons hardiz ‘dapper’ <via Frans>; Negerhollands hart, hād ‘goed hoorbaar, overluid, onaangenaam voor gehoor; meedogenloos (volgens de regels), strikt, streng’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

hard* moeilijk samen te drukken, te verbrijzelen, te buigen; luid, meedogenloos 0901-1000 [WPs]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

251. Beter hard geblazen dan den mond verbrand ( of gebrand).

Sedert de 17de eeuw zeer gewoon in den zin van het is beter veel, misschien onnoodige drukte te maken ter voorkoming van ongelukken, dan schade te lijden. Zie Spieghel, 279; Coster, 40, vs. 902: Beter dat je stijf blaest dan datje je mongt barrent; Smetius, 77; De Brune, 230:

 't Is beter blaezen t'aller stond,
 Als datmen heel verbrand zijn mond.

Zie verder Paffenrode 51; Tuinman I, 279; Van Effen, Spect. VI, 112; IX, 66; Antw. Idiot. 248: t Is beter geblazen als de(n) mond verbrand (zoo ook Waasch Idiot. 122 b); Ndl. Wdb. II, 2807; Joos, 210: Te heet gegaapt is te laat geblazen; voor het nd. Taalgids IV, 250; Eckart 45; 46. In het fri.: better wol to bliezen as de mûle barnd of better út in heech gat bliesd as de mûle barnd; hd. besser hart geblasen, als sich den Mund verbrennen (Wander I, 331).

432. Een harde dobbel.

In de uitdrukking hij zal een harden (of kwaden) dobbel hebben, hij zal het hard te verantwoorden hebben, het is te vreezen, dat hij (voor de ziekte, in den strijd, enz.) bezwijken zal. Ontleend aan het dobbelspel, zoodat de uitdr. eigenlijk wil zeggen: hij heeft veel kans van mis te dobbelen, hij zal veel moeite hebben het te winnen, hij zal tegen twaalf oogen dobbelen; vgl. het mnl. dobbel, in den zin van dobbelspel (Mnl. Wdb. II, 218). In de 17de eeuw komt de uitdr. voor in Snorp. 33: Heytse een qua dobbel gehadt, of heytse gien gelt om te betalen; II, 20: Hy moet een quae dobbel ghehadt hebben; zie verder bij Halma, 113: Eenen quaaden dobbel hebben, perdre au jeu, avoir du malheur au jeu; bij Sewel, 178: Als hy maar eens een kwaade dobbel krygt, if he once comes off a looser. Beide woordenboekschrijvers vatten de spreekwijze op in den letterlijken zin van verliezen (in het dobbelspel); thans vatten wij haar uitsluitend figuurlijk op. In de Zaanstreek en elders hoort men: 't Zal een zware, harde dobber zijn, in denzelfden zin van: het zal er om spannen, het is zeer de vraag of het goed zal gaan (Boekenoogen, 153-154), waarbij aan een schip kan gedacht worden, dat in den storm op de baren dobbert. Vgl. Handelsblad 9 Sept. 1914 p. 2 k. 2 (avondbl.): Als het Engelsche expeditiecorps in Frankrijk op dezelfde zakelijke wijze te werk gaat als de 3000 man te Ostende, dan zullen de Duitsche troepen een harden dobber hebben; Het Volk, 1 Juli 1914, p. 2 k. 4: Loopen zij in hun vol getal over naar den man der concentratie, dan zullen wij een heelen dobber hebben; 24 Juni 1914, p. 2 k. 1: Maar het voorstel zou in ieder geval een harden dobber hebben gehad. In Friesland: hy dobbelt er om en hy scil in hirde dobbel (ook dobber) ha; vgl. ook Molema, 512: 't zel d'r om dobbeln, 't zal er om dingen, 't kan evengoed niet als wel gelukken; Bergsma, 90: de kerel is doodmin: hij krig 'r 'n dobbel an; Opprel, 52 a: der zel en kwajen dobbel over loope, het zal verkeerd uitkomen; Harreb. I, 138 a.

836. Hard tegen hard,

d.w.z. barsch tegen barsch, dus: elkander in felheid niets toegevend, gezegd van twee vertoornde menschen. De zegswijze is ontleend aan het malen; vgl. mlat. raro molunt bini lapides eque bene duri (Werner, 84); Mhd. zwêne glîche herte steine malent selten kleine; Goedthals, 72: Twee herde steenen malen selden cleene, dur contre dur ne fist onques bon mur; Servilius, 258*: Twee herde steenen malen selden cleyne (fijn); De Brune, 123; 306: Twee harde steenen in t gemeen, zy maelen zelden reyn en kleyn; Wander IV, 817; oostfri. twe harde stenen malen gin gôd mêl; zie Molema, 147 a: hard tegen hard, de twist is hooggaande; 't gait hard om hard = het is ernst, beide partijen doen hun uiterste best; mnd. hart gegen hart (Eckart, 189). Sedert de middeleeuwen is de verbinding bekend, blijkens Lekensp. III, 3, 92:

Maer vindi liede die sijn loos,
Ongheraect ende quadertieren,
Die in deser felre manieren
U dus willen voorgaen,
Die so moghedi weder staan
Metten selven datsi leren:
So moghedi hart met herde keren.

waarmede te vergelijken is Hs. Moll, 7, 82 b: Christus haren herden woorden herdelike antwoorde, als enen naghel jeghens enen anderen slaende; zie ook Sart. III, 4, 26: Ignis non extinguitur igni, hert tegen hert is quade kans; in Hopm. Ulr. 65: Hart tegen hart zei de duvel, en hij scheet tegen de donder; De Brune, 304: Hard teghen hard dat valt te zuer; Sewel, 317: Het is hard tegen hard, it is hard against hard; Rutten, 87: hard om hard; fri. hird tsjin (of om) hird; vgl. Ndl. Wdb. V, 2150; Wander II, 365; hd. hart wider hart oder hart gegen hart tut niemals gut; eng. hard with hard never made any good wall; syn. is het Zuidnederlandsche kop tegen kei (Joos, 102; Waasch Idiot. 364; Antw. Idiot. 634) of hard tegen onzacht.

837. Zoo hard als een spijker (of een kei) zijn

d.w.z. gierig zijn; ook blut zijn, geldeloos zijn, arm zijn, afgebrand zijn (hd. abgebrannt sein), ook afgebrand zijn als een voetzoeker (o.a. Kalv. II, 74; 109). De uitdr. schijnt uit de 19de eeuw te dagteekenen; ze komt voor bij Harreb. II, 288; Ndl. Wdb. VI, 897; fri. sa hird as in spiker. In Zuid-Nederland zegt men hard van afgang zijn, eig. moeilijk afgaan, hardlijvig zijn, en overdr. moeilijk van zijn geld kunnen scheiden (Antw. Idiot. 1746; Teirl. II, 18). Waarschijnlijk zal deze overgang van beteekenis ook met onze zegswijze hebben plaats gehad. In het fr. être dur à la détente ou à la desserre, gierig zijn; ook het eng. hard, waarnaast hardness, beteekent gierig. (Aanv.) In de 17de eeuw beteekent het: zeer gezond, sterk zijn, tegen alle ongemakken bestand zijn; Ndl. Wdb. V, 2150; Halma, 599..

1648. Een harde noot.

Een harde noot wordt als beeld genomen van een moeilijk (en onaangenaam) werk in de uitdr. een harde noot kraken, eene moeilijkheid doorstaan, eene onaangenaamheid ondervinden. Vgl. Hooft, Brieven, 464: Deeze noot (het lezen van ‘P. Pauloos leeven’), hardt van dop, en bitter van bolster, is zeeker moeilijk en weersmaaklijk te kraaken gevallen; Anna Bijns, Nw. Refr. 109: Des mijn herte zoo zueren note gecraeckt heeft; Van Vloten, Geschiedz. I, 231: Veel van hen craecten die herde noten (= kwamen om) in wyngaert, in coren, opt strate, in goten; waarmede te vergelijken is Profijt. Liedeb. 51, 12: Si moet de harde not der bitter doot ierst craken, eer si die kerne der soeticheyt van mijnre godheyt mach smaken (Mnl. Wdb. III, 2036); Halma, 286: Dat is eene harde noot om te kraaken, dat is eene zaak moeielijk om uit te voeren, c'est une affaire épineuse; zie nog andere plaatsen in Ndl. Wdb. IX, 2139 en vgl. Villiers, 87. Ook in het hd. das ist eine harte Nusz, dat is eene moeilijke, onaangename zaak; jemand eine harte Nusz zu knacken geben (zoo ook bij ons o.a. Het Volk, 7 Febr. 1914, p. 5 k. 4; De Arbeid, 11 April 1914, p. 3 k. 4); Antw. Idiot. 1918: dat is 'en harte noot (om kraken), 't is een harde slag, een pijnlijk ongeluk; eng. that is a hard nut to crack. In Zuid-Nederland: eene bitter noot om kraken, eene lastige zaak (Joos, 93Noord en Zuid XVI, 318.); harde noten moeten kraken of te kraken hebben, harde waarheden moeten hooren, veel verdriet en last uitstaan; zie De Bo, 749; Waasch Idiot. 461 b; vgl. fri. nuten kreakje, twisten, en Van Dale, die hiervoor opgeeft kwade noten kraken, het hard te verantwoorden hebben, waarbij echter moet worden opgemerkt, dat dit vroeger in de 17de en 18de eeuw beteekende: iets slechts voorspellen; zie Winschooten, 166; 171; Smetius, 133; Tuinman I, 112 en Halma, 286: Quaade nooten kraaken, augurer mal des choses à venir; 384: een quaade nootenkraaker, un Prophète de malheur. Ook rare, goede noten over iemand (hooren) kraken, raar of goed over iemand (hooren) spreken.

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

kar-3, redupl. karkar- u. dgl. ‘hart’

Ai. karkara- ‘rauh, hart’ = gr. κάρκαροι· τραχεῖς Hes., ai. karkaśa- ‘rauh, hart’ (auch karaka- m., ‘Hagel’?); vermutlich gr. κρανα[ϝ]ός ‘hart, rauh, felsig’.
Dazu wohl die Wörter für ‘Krebs’: ai. karkaṭa- m. ‘Krebs’ (karkin- ‘Krebs als Sternbild’, Lw. aus gr. καρκίνος), karka-ḥ m. ‘Krabbe’;
gr. καρκίνος ds., lat. cancer, -crī ds. (dissim. aus *carcro-, vielleicht schon idg., vgl. ai. kaŋkaṭa- m. ‘Panzer’ aus *kaŋkr̥ta-);
daß aksl. rakъ ‘Krebs’ aus *krakъ dissim. sei, ist möglich; die Ähnlichkeit mit norw. (usw.) ræke ‘cаncег squilla, Garnele’ setzt Entlehnung des norw. Wortes voraus;
ferner Worte für harte Schale, Nuß: gr. κάρυον ‘Nuß’, καρύα f. ‘Nußbaum’; lat. carīna f. ‘Nußschale, Schiffskiel, Schiff’ (vielleicht aus dem Gr. nach Keller Volkset. 279, in welchem Falle καρύινος die Quelle ist); cymr. ceri (*carīso-) ‘Obstkern’.
Mit t-Suffixen: got. hardus ‘hart, streng’, anord. harðr ‘hart’, ags. heard ‘hart, stark, tapfer’, as. hard, ahd. hart, herti ‘hart, fest, schwer’, Adv. anord. harða, ags. hearde, ahd. harto, mnd. harde ‘sehr, besonders’ (vgl. gr. κάρτα), urgerm. *harðú- aus idg. *kar-tú-; auf Grund einer idg. Erweiterung *kre-t-, *kr̥t- äol. (Gramm.) κρέτος, woneben mit dem Vokalismus des Adj. att. κράτος, ep. ion. κάρτος ‘Stärke, Kraft’, hom. κρατύς ‘stark’ Komparat. ion. κρέσσων, att. κρείττων, Superl. κράτιστος, ep. κάρτιστος, Adv. κάρτα ‘stark’, κρατερός, καρτερός ‘stark, kräftig, fest, heftig’ (usw.); fern bleibt ai. krátu-, av. xratuš ‘geistige Kraft’.
Ai. kaṭhiná-, káṭhora- ‘hart, fest, steif’ kann auch mit idg. l zu cymr. caled, mir. calad ‘hart’, gall. -caletos gehören (s. kal- ‘hart’).
Wegen der Existenz eines weitverbreiteten iber.-mediterr. *carra ‘Stein, Steinhaufe’ (v. Wartburg FEW. s. v.) ist die Zugehörigkeit folgender Worte zweifelhaft, die teils hierher oder zu (s)ker- ‘schneiden’ gehören, teils nichtidg. Herkunft sein können:
air. carrac f. (nir. carraig) ‘Felsen, Klippe’ und crec f. ds., Gen. craice, creice, mir. auch Nom. craic (nir. craig) f. ds., Gen. creca, stammen alle aus dem Brit., ebenso mir. crach ‘rauh’ (= schorfig); zu acymr. carrecc, cymr. carreg f. ‘Stein, Felsen’ (*karrikā), bret. karreg, corn. carrek ds., vgl. cymr. carrog ‘Bach’ (*karrākā), eig. ‘Steinbach’ = mir. carrach ‘schorfig’ und gallo-rom. *cracos ‘Stein’ (v. Wartburg FEW. s. v), acymr. creik, cymr. craig f. (*krakī) ‘Felsen’, bret. krag ‘Sandstein’, cymr. crach ‘Schorf’ = bret. (Vannes) krah ‘kleiner Hügel, Spitze’ (*krak-, *krakk-, vielleicht durch Metathese aus *kar-k-) usw. Grundformen sind voridg.*karr- oder idg. *(s)kr̥-s- (ergäbe kelt. carr-), bzw. *kar-k-; ebenso zweidentig ital.-venezian. (ven.) scaranto, caranto ‘steiniger Bergbach’ und ven. ON Scarantia > Scharnitz (Tirol), Carantania ‘Kärnten’, usw.;
desgleichen germ. *har(u)gaz ‘Steinhaufen, Opferstätte’ in anord. hǫrgr ‘Steinhaufen’, ags. hearg m. ‘heidnischer Tempel’, ahd. harg ‘Hain, Tempel’ (finn. Lw. karko ‘Holzstoß, Stapel’, harkko ‘Klumpen, Haufen’), vielleicht auch zu air. cymr. bret. corn ‘Steinhügel, Steingrab’, und ahd. hart ‘Bergwald’, ags. harað, -eð ds.; kaum hierher als ‘Waldbewohner’ der altgerm. VN Χαροῦδες, Harudes, ags. Hæreðas, aisl. Hǫrdar; eher zu air. caur, cur ‘Held’ (*karut-s).

WP. I 30f., 345f., WH. I 8, 151, 166, 168, Loth RC 43, 401 f., Thurneysen KZ. 48, 71; 59, 7 Anm., Much Hoops Reallex. s. v. Harudes.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal