Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

hanze - (koopmansgilde)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

hanze zn. ‘koopmansgilde’
Mnl. (in een middeleeuws-Latijnse oorkonde) hansa ‘handelsgenootschap van Utrechtse kooplieden’ [1233; Slicher van Bath], loensce hanse ‘Londense Hanze’ [1277; CG I, 355], anze ‘koopmansgilde’ [1380; MNW].
Mnd. hanse ‘hanze’; ohd. hansa als vertaling van Latijn cohors ‘schare krijgslieden’ (mhd. hanse ‘koopmansgilde, handelsbelasting’; nhd. Hanse ‘hanze’); oe. in maegða hōse (datief) ‘groep maagden’ (ne. hanse ‘hanze’ < mnd.); got. hansa ‘troep, schare’; < pgm. *hansō.
Buiten het Germaans komt het woord alleen voor als leenwoord: middeleeuws Latijn hansa ‘entreegeld van een gilde’ [1127; Niermeyer], ‘handelsbelasting’ [1181; Niermeyer], ‘koopmansgilde’ [1199; Niermeyer], ‘lidmaatschap van een gilde’ [1247; Niermeyer]; Frans hanse ‘koopmansgilde’ [1240; Rey]. In overige talen uitsluitend als nog recenter leenwoord met betekenis ‘Duitse Hanze’. Opvallend is nog de ontlening van een pre-Germaanse vorm zonder Germaanse klankverschuiving in enkele Fins-Oegrische talen, bijv. Fins kansa ‘volk’ en Ests kaas(a) ‘echtgenoot, echtgenote, collega’. De oudheid van dit woord, de beperkte geografische spreiding en het betekenisveld (sociaal-maatschappelijke ordening) wijzen op herkomst uit een Noord-Europese substraattaal.
De oudst bekende Germaanse betekenis is ‘menigte’ in het algemeen, zie de Gotische betekenis ‘troep, schare’ en de betekenis ‘volk’ van de Finse ontlening. De nauwere betekenis ‘groep kooplieden met gezamenlijke belangen in het buitenland’ is vanuit Zuid-Duitsland [799; Schmeller] gaan overheersen. Vooral in Vlaamse en Noord-Duitse steden verbonden in de 12e en 13e eeuw kooplieden zich tot verenigingen om zo een sterkere handelspositie te verkrijgen. De term werd ook gebruikt voor het entreegeld voor zo'n gilde en voor het lidmaatschap zelf. Hanzes van verschillende steden sloten zich soms aaneen tot regionale handelsblokken, zoals de Vlaamse Hanze op Londen, de Hanze der XVII Steden (in de Zuidelijke Nederlanden en Noord-Frankrijk), en in Noord-Duitsland de Duitse Hanze, waartoe ook o.a. Gelderse en Baltische steden behoorden. Het woord kwam zo gemakkelijk in vele talen terecht. De Duitse Hanze bloeide het langst, maar zakte in de 15e eeuw in. Na de officiële opheffing in 1669 werden zowel de bond als het woord vergeten. Hanze is nu alleen nog een historische term, zoals in hanzestad, maar vanwege de positieve connotatie van het woord wordt het ook nog gebruikt voor eigennamen van bedrijven, instellingen e.d., zowel in Nederland als in Duitsland (bijv. Lufthansa).

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

Hanze [koopmansgilde] {(h)anse, hense, hansa [gilde, koopmansgilde, entreegeld van een gilde] 1233} < oudhoogduits hansa (als vertaling voor latijn cohors) [schare van krijgslieden, later: koopmansgilde], vgl. oudengels hos [gevolg, schare], gotisch hansa [schare, menigte] (middeleeuws latijn hansa [handelsbelasting]), zwitsers-duits hans [drinkgelag], fins kansa [volk], het laatste waarschijnlijk een oud leenwoord uit het germaans. De etymologie is onzeker, vermoedelijk is de oudste betekenis die van ‘genootschap’, een (volks)gemeenschap met gemeenschappelijke kas en maaltijden. Taalkundig is het woord verwant met gotisch hunsl [offermaaltijd], met andere ablautbasis.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

hanze znw. v., mnl. hanse ‘koopmansgild; entreegeld voor een gild’, mnd. hanse, hense. Het woord stamt uit de tijd van de Noordduitse Hanse; in de 12de eeuw komt reeds hanshûs voor en sedert 1127 mlat. hansa ‘handelsbelasting’. — Het is reeds een oud woord: ohd. hansa (sedert 830) ‘schaar van krijgslieden’, oe. hōs ‘gevolg, schaar’, got. hansa ‘schaar, menigte’. Het germ. *hansō werd reeds vroeg ontleend > finn. kansa ‘volk’, karelisch kanža ‘vergadering’, eestn. kāz(a) ‘genoot, gemaal, gemalin’.

De etymologie is twijfelachtig. Vaak gesteld bij lat. censeo ‘schatten, beoordelen’, oi. śamsati ‘reciteren, verkondigen, prijzen’, waarbij men dan construeert een bet. ontwikkeling ‘vastgestelde bijdrage, belasting’ > ‘vereniging, gilde’. Maar dan wordt te weinig rekening gehouden met de oudste betekenissen, die niet anders dan een ‘schaar, gevolg’ aanduiden. — Lettend op de verhouding van schaar tot scheren wil Schnetz, Bayer. Blätter f.Gymn. Schulwesen 1922, 37-8 het woord uit een voorgerm. *kand-tā afleiden van de wt. *(s)kand ‘afsplijten’, vgl. lat. scandula ‘dakspaan’, oiers scandred ‘verstrooiing’. Is er echter reden om voor dit typisch germaanse woord een voorgerm. vorm op te stellen? — Het is moeilijk van got. hansa het woord hunsl ‘offer’ te scheiden, wat zou kunnen duiden op een oudste bet. ‘offergemeenschap’ (J. Trier, PBB 66, 1942, 234). — Voor oudere verklaringen vgl. S. Feist, Got. etym. Wb. blz. 245-6.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

hanze znw. Mnl. hanse v. beteekent “koopmansgild, entreegeld voor een gild”, evenzoo mnd. hanse, hense v.; mhd. hanse v. = “koopmansgild”. Op du. gebied komt hanshûs o. al vroeg in de 12. eeuw = “gildehuis” voor. Mlat. hansa heeft al in 1127 de secundaire bet. “handelsbelasting”. In de bet. “koopmansvereeniging” is het woord een eigennaam geworden: ’t duidt dan den bekenden van de 13.-17. eeuw bestaanden bond van handelssteden aan. De oudere bet. is “schaar, troep” blijkens: ohd. hansa, ags. hôs, got. hansa v. “schaar, troep” en het ontleende finsche kansa “populus, societas”. Men heeft lat. censeo “ik schat, beoordeel”, obg. setŭ “inquit”, alb. ϑom “ik zeg” (*kênsmi), oi. çáṁsati “hij reciteert, verkondigt, prijst” voor verwant gehouden, in ’t Germ. de bet. “belasting”, oorspr. “het schatten” voor ouder houdend dan “vereeniging, gild”. Aangezien “troep” de oudst-bekende bet. is, is deze etymologie niet wsch.; maar toch nog aannemelijker dan andere hypothesen, zooals de grondvorm *ḱom-sôd “het samenzitten”: voor *ḱom- vgl. bij hand, *-sôd zou met zitten verwant zijn.

[Aanvullingen en Verbeteringen] hanze. Bij lat. censeo enz. nog gr. kósmos “orde, organisatie, wereld, sieraad” < *kónsmo-s.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

hanze v., Mnl. hanse + Ohd. hansa (Nhd. hanse), Ags. hós, Go. hansa: Ug. *ham-sat-, gev. met *ham = Idg. *kom: Lat. cum, Ier. com = met, samen (z. ge-) en den sterken graad van den Idg. wrt. sed = zitten: vergel. Skr. samsad- = vergadering.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1922), Wetenswaardig allerlei: bijdragen tot algemeene kennis voor studeerenden bijeenverzameld door T. Pluim, Groningen

Hansa, Hanze of Stedenbond. Het woord is van Gotische afkomst en beteekende oorspr. schare, daarna vereeniging, genootschap. Later werd de naam toegepast op het verbond, dat verschillende handelssteden van Europa sloten tot onderlingen steun en bijstand tegen de zee- en landroovers. Ten slotte verstond men alleen onder Hansa den zoogenaamden Duitschen stedenbond, die van omstreeks 1200 tot in de 17e eeuw heeft bestaan. De Hanze omvatte meer dan 90 handelssteden (ook uit ons land: als Middelburg, Amsterdam, Kampen, enz.). Zij wist van de landsheeren meestal belangrijke voordeelen en voorrechten te verkrijgen. De stad Lubeck was langen tijd het middelpunt der vereeniging. In haar bloeitijd was de Hansa zoo machtig, dat zij meermalen tegen een of anderen staat oorlog voerde. Door den 30-jarigen oorlog (om van andere oorzaken te zwijgen) ging de bond sterk achteruit: in 1669 kwam de laatste Hanze-vergadering bijeen en de steden Lubeck, Hamburg en Bremen ontvingen de weinige bezittingen, die de eens zoo machtige Hansa bezat.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

Hanze ‘koopmansgilde’ -> Zweeds hansa ‘koopmansgilde’ (uit Nederlands of Nederduits); Fins hansa ‘koopmansgilde’ ; Pools Hanza ‘koopmansgilde’ (uit Nederlands of Duits); Lets hanza ‘koopmansgilde’ (uit Nederlands of Duits); Litouws Hanza ‘koopmansgilde’ (uit Nederlands of Duits).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

Hanze koopmansgilde 1233 [Slicher] <Duits

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut