Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

hansworst - (belachelijk persoon)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

hansworst zn. ‘belachelijk persoon’
Vnnl. de Hans-beuling, hans-worst “Jack-pudding” ofwel ‘potsenmaker, belachelijk persoon’ [1691; Sewel NE], ook specifieker ‘helper van een kwakzalver’ in nnl. loopjes en grappen die een kwakzalvers Hansworst nauwlyks zouden betaamen [1731-35; WNT], door betekenisoverdracht ook hansworstje ‘kinderpop in gedaante van een hansworst’ [1779; WNT].
Ontleend aan Duits Hanswurst ‘id.’, uit de gangbare naam Hans Wurst voor een toneelzot in 17e-eeuwse toneelstukken. Buiten het toneel duikt de naam al eerder op: Hans Wurst ‘lomp figuur’ (waarbij het lijf doet denken aan een worst) [1519; Grimm], Hans Wurst ‘naam voor een onhandige boer’ [1553; Grimm].
Kluchtfiguren kregen vaak de naam van een algemeen volksgerecht, bijv. Engels Jack Pudding; Frans Jean Potage (zie → hansop), en zie → pekelharing.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

hansworst [potsenmaker] {1732} < nederduits Hans Worst of hoogduits Hans Wurst, vgl. Jack Pudding en Jean Potage (vgl. hansop).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

hansworst znw. m. in de 17de eeuw < nhd. Hanswurst, Hansworst, een zelfde naam als het bovengenoemde fra. Jean Potage of het eng. Jack Pudding.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

hansworst znw. Uit hd. nd. Hanswurst, Hansworst m. Vgl. fr. Jean Potage en eng. Jack Pudding.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

hansworst m., eig. de vette nar die in de Vastenavondspelen den gullen vleeschtijd vóór de vasten voorstelde: z. pekelharing.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

hanswors s.nw.
1. Nar of grapmaker in 'n toneelstuk of 'n sirkus. 2. Iemand wie se gedrag komies of belaglik is.
Uit Ndl. hansworst (1732 in bet. 1, 1836 - 1837 in bet. 2), gevorm na Hans Worst
of Hans Wurst, 'n vaste komiese figuur van die ou Duitse toneel. Eerste optekening in Afr. in bet. 1 in Patriotwoordeboek (1902).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

hanswors: “harlekyn, nar” (WAT); Ndl. hansworst, Pd. Hans Worst, Hd. Hans Wurst/Hanswurst, die naam van ’n ou Du. toneelfiguur, die eerste in ’n Pd. vert. v. 1519, vgl. ook Fr. Jean Potage en Eng. Jack Pudding; v. wors.

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

hansworst: iemand die zich belachelijk gedraagt; aansteller; dwaas; janpotage*. Sedert ca. 1732. Oorspronkelijk de naam van een Duitse toneelfiguur, Hans Wurst, een logge dikke man die op een worst geleek; een harlekijn. Bij ons voor het eerst voorkomend in een vertaling van Sebastiaan Brandts ‘Narrenschiff’ (uit 1519). In andere landen zien we hem terug met zijn lievelingskostje. Vgl. bijvoorbeeld Engels: Jack Pudding en Frans: Jean Potage.

Waren ze vergadert op de stadsmarkt, in plaats van over de belangen van ’t Vaderland te handelen, bragten ze niets voor den dag als de belagchelykste beuzelingen, en d’advyzen hunner statelykste Raadsheren bestonden in loopjes, en grappen, die een kwakzalvers Hansworst nauwlyks zouden betaamen. (Justus van Effen, De Hollandsche Spectator, 28/04/1832)
’t Is net een clown! zei er een en anderen vonden hem een hansworst, een pias, een Jan Klaassen… (A.C.C. de Vletter, Paljas, 1902)

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

Hansworst (Duits Hanswurst)
Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

hansworst potsenmaker 1732 [WNT] <Nederduits

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut