Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

hannes - (sukkel; volksnaam of oude naam voor varkensgras)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

hannes [sukkel] {1620} verkorting van Johannes (vgl. hanne).

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

hannes: sullig persoon; lummel. Bij Boekenoogen: ’t Is een hannes. Schele Hannes is een scheldwoord voor een onbetrouwbaar sujet. Hannes is een verkorting van de voornaam Johannes.

Stomme hannes! grommelde Verhoef, de kooi latend om voor ’t raam te gaan, waar hij bleef uitzien naar wat er sedert de morgen veranderd was. (Frans Coenen, Zondagsrust, 1902)
Men wuifde hem vrolijk weg en achterna en uit de kreten als ‘sullige jongen’ en ‘goeie hannes’, die achter de deur die hij behoedzaam sloot opklonken, begreep hij dat zijn optreden instemming had gewekt. (Heere Heeresma, De vis, 1963)

H. Kleijn (1970), Planten en hun naam: Een botanisch lexicon voor de Lage Landen, Amsterdam

Polýgonum aviculáre: Varkensgras
De soortnaam aviculare beduidt tot voeder dienend van de vogels (avis: vogel) omdat vogels, vooral kooivogels, de zaadjes graag eten. Behalve als voeder voor varkens, vandaar Varkensgras, werd hij ook aan deze dieren gegeven wanneer zij ziek waren.
De naam Varkensgras komt veelvuldig voor en is over ons gehele land verspreid. Naast deze naam komen ook andere voor die verband houden met dit dier, zoals Zwienegras of Zwijntjesgras in Groningen, Varkensgors op Walcheren, en op Overflakkee en Goeree Varkensgos. De benaming Mottegras in Groningen en op Walcheren, wordt ons direct duidelijk wanneer we weten dat met mot een varken of zeug bedoeld wordt. Dit is eveneens het geval met het in Groningen en Friesland voorkomend Bargegêrs: varkensgras.
Heukels geeft bij de volksnaam Bloedkruid de volgende aantekening: ‘Om de roode bloedvlekken afkomstig van Christus op de bladen.’ Hij zal hiermede het tot hetzelfde geslacht behorende Perzikkruid (P. persicdria) bedoeld hebben, dat een duidelijke bruinrode vlek op het blad heeft. Het kan ook uit een verkeerd gegeven informatie ontstaan zijn. De verklaring van Bloedkruid ligt volgens ons elders, en wel teruggaand op Dioscorides en Plinius. Dioscorides beschreef een plant die veel knopen in de stengel bezit en over de grond kruipt en die hij polygonon arrhen: manlijke duizendknoop noemde. Bij Dodonaeus treffen we voor dit kruid de naam Duysentknoopmanneken oft Verckensgras aan. Naar alle waarschijnlijkheid is het de kosmopolitische Polygónum aviculáre. Hij beveelt de plant onder meer aan bij bloedspuwingen en neusbloedingen. Plinius noemde haar Sanguinaria: bloedkruid. Columella uit de eerste eeuw na Chr. noemde het Varkensgras Sanguinalis. In de ‘Gart der Gesundheit’ van 1485 komen we haar tegen als Blutkrut. Bij Dodonaeus (1604) vinden we het volgende onder verckensgras: Dioscorides seydt dat het sap van Duysentknoop gedroncken zijnde dichmaken ende vercoelen can. Het helpt de gene die bloetspouwen oft met bloedich braecken gequelt zijn. In 1621 deelt Hondius ons in zijn leerdicht mede:
Soo de borst is overladen,
En haer bloed en etter spuycht:
Verckensgras is zeer geraden.
Bij P. Nylandt (1682) vinden we het volgende recept: ‘Voor buyckloopen, bloetspouwen, ende onmatige maentstonden der vrouwen: Neemt van het sap twee oncen, ende geeft het in, ofte bereydt een afziedsel van dit cruydt in wijn, ende laet’er van drincken.’ In de apotheek stond het kruid bekend onder Herba Centumnodia vel Sanguinaris. Hier geen Duizendknoop maar slechts Honderdknoop - centum: honderd en nodi: knopen. Zeer oude papieren hebben ook de namen Wegentree in oostelijk Brabant, en Wegenbreeë in de Achterhoek, want reeds in de vroege middeleeuwen komen we haar tegen onder de benamingen van Wege-treta en Wegebrede.
Voor het graafschap Zutphen staat genoteerd Weggras, misschien wel teruggaand tot Hildegard von Bingen (ca. 1150), die in haar ‘Physica’ het Varkensgras Weggrass noemt. Het is uiteraard mogelijk dat deze namen onafhankelijk van elkaar ontstaan zijn. Een Groningse volksnaam die we tegenkwamen en die een kwart eeuw geleden nog in gebruik was, luidt: Kroep-bie-de-weg. Deze namen hebben betrekking op het groeien langs wegen en op paden, waar het plantje met voeten getreden wordt zonder daarvan grote hinder te ondervinden. Dat het tegen een stootje kan bewijst wel het voorkomen tussen de straattegels. Op Zuid-Beveland komt de naam Strekgras voor. Deze naam vindt volgens ons zijn oorsprong in het Middelnederlandse ‘streck,’ in de betekenis van sterk. Dus een taaie plant die zich goed kan handhaven. Volgens ons is de op de Oost-Veluwe voorkomende naam Trekgras een verbastering van Strekgras. Of had men moeite met het uitroeien en moest men er hard aan trekken?
Dat het als een taaie rakker beschouwd wordt, bewijzen de namen IJzerhard in West-Friesland, en IJzerkruid in Noord-Limburg. Een andere naam die op dit langs de weg groeien betrekking heeft is Hannes-aan-de-weg. Waarschijnlijk is het een vertaling (boekennaam) uit het Duits, want daar spreekt men ook van Hanns am Wege of Hansel am Wege. In Oostenrijk komt Hansel am Weg voor. In 1519 bestond reeds Heinzlin by dem Weg. Waarschijnlijk is de naam in Oostenrijk ontstaan, want daar komt de volgende sage vandaan: in een dorp woonde een rijke maar gierige boer, die een mooie dochter had, die Grete heette. Tegenover het huis van de boer woonde een arme boer die een zoon had, Hannes genaamd. Deze twee jongelui werden op elkaar verliefd, maar de rijke boer verhinderde elke toenadering. Grete keek zo lang vanuit haar huis naar Hannes, en deze naar Grete, dat zij beiden in bloemen veranderden. Uit Grete ontstond ‘Gretel in der Staude of Juffertje-in-’t-groen (Nigélla damascéna), en uit Hannes ontstond ‘Hansel am Wege.’
Namen die betrekking hebben op de knopen aan de stengel zijn: Doezend-knoop, Knoopgras en de verbastering tot Knopgras. In oostelijk Brabant spreekt men van Vogelvoet. Kan dit slaan op de liggende stengels, die vanuit een centraal punt naar alle richtingen groeien? Waarschijnlijk wel!
Bij Dodonaeus vinden we nog vermeld Proserpinaca, afkomstig van Apuleius: ‘omdat sij langsder aerden cruypt.’ Proserpina is namelijk de Griekse godin van de onderwereld. Dodonaeus somt nog een twaalftal andere Griekse namen op, die, volgens hem, Apuleius aan deze soort gegeven zou hebben. De naam Kreupelgras (in Waterland) is eveneens terug te voeren op het plat tegen de grond liggen van de stengels. Dit Kreupel heeft dezelfde afstamming als kruipen, dus het over de grond kruipen van de plant. Houttuyn (1800) zegt: ‘zoo geheeten omdat het op de grond ligt.’
In de geneeskunde, ook in de volksgeneeskunst, was het Varkensgras een gewaardeerd middel tegen allerlei ziekten en kwalen. We zullen hierop niet nader ingaan; alleen dit: Plinius raadde aan het te gebruiken bij de derdedaagse koorts, maar dan moest het kruid met de linkerhand geplukt zijn. Men beweerde dat het wanneer het tussen het koren en andere cultuurgewassen groeide, hun groei belemmerde. Het bijgeloof hieromtrent was zo groot, dat men zei dat men het Varkensgras niet moest eten anders trad er vermindering in de groei op. Zelfs Shakespeare wist van dit bijgeloof af, want in zijn Midzomernachtsdroom lezen we:
Get you gone, you dwarf:
you minimus, of hindering Knot-gras [varkengras] made:
you bead, you acorn.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

hannes sukkel 1620 [WNT]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1016. Janhen,

d.w.z. een keukenpiet, een keukenklauwer, een hennetaster (hd. Hennentaster, Hennengreifer), een Jan Krent (Zaansch); zie de beschrijving van een Jan Hen in O.K. bl. 99-103. Deze benaming wordt in de 17de eeuw o.a. aangetroffen bij Coster, 355 en 464; zie verder C. Wildsch. IV, 410; Tuinman II, 84; Sewel, 367: t' Is een rechte janhen, t' is a true hengroper; Ndl. Wdb. VII, 202. Kiliaen citeert Henne, hanne, uxorius, homo imbellis, muliebri animo, dus: een sukkel, welk hanne in de middeleeuwen naast hannen voorkomt in den zin van een knul, een Hannes; Plantijn kent een Hennen leght achter, un bon Jehan, ou bon homme qui est gouverné de sa femme, uxorius, dat overeenkomt met Junius, Nom. 365: een hannen, Jan light achter, een goede Jan vaer, die de hoornen draghet. Bij Pers, 531 b is sprake van vertsaeghde hennen; bl. 532 a: bloode hennen; bij Cats (1726) I, 205: een hennen, sukkel; thans nog bij Claes, 85: henne, onnoozelaar. Ons hen in de benaming Janhen is ongetwijfeld niets anders dan het mnl. hanne, een bastaardvorm van Johannes (vgl. een Hannes), waarnaast henne ontstond door de bijgedachte aan hen, kip. De tegenw. bet. heeft zich dan uit die van knul, sukkel ontwikkeld, evenals bij hennetaster.Kluyver, Proeve van Critiek op het woordenboek van Kiliaan, 110; Ndl. Wdb. V, 2106; VI, 577.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut