Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

handvest - (oorkonde, overeenkomst)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

handvest zn. ‘oorkonde, overeenkomst’
Mnl. hantfeste ‘ondertekende akte, oorkonde etc.’ [1240; Bern.].
Samengesteld uit → hand en mnl. veste ‘bevestiging’, bij het werkwoord vesten ‘vaststellen, verordenen, bekrachtigen’ [1240; Bern.], en zie → veste ‘versterkte muur’. De letterlijke betekenis is dus ‘wat met de hand bevestigd is’.
Mhd. hantveste ‘leencontract’ [13e eeuw; Kluge] naast het bn. hantveste ‘vast, krachtig met de hand’ [12e eeuw; Kluge] (nhd. alleen het bn. handfest); het Engels heeft een jonger zn. handfast ‘contract, overeenkomst’ [1611; OED], maar het bijbehorende werkwoord is wel ouder: handfast ‘verloven, de hand drukken ter bevestiging van huwelijkscontract’ [1200; OED] (nu verouderd); on. handfesta ‘verloven, de hand drukken ter bevestiging van overeenkomst’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

handvest* [stuk met rechtsbeginselen] {handvest(e) [eigenhandige bevestiging van een oorkonde, ondertekende akte] 1285; als ‘stuk met wetgeving’ 1631} van hand + vast, dus eigenlijk: wat met de hand bevestigd is.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

handvest znw. o., mnl. hantveste ‘ondertekening van een oorkonde, ondertekende oorkonde’, mnd. hantveste, ohd. hantfesti, dus eig. ‘bevestiging door ondertekening’, samengesteld uit hand en veste, afgeleid van vast.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

handvest znw., mnl. hantveste v. “onderteekening van een oorkonde, onderteekende oorkonde”. = ohd. hantfestî v. (nhd. handfeste), mnd. hantveste v. “id.”. Van hand en *fastîn- (vest II), van vast. Vgl. ags. hondfæst(n)ing v. “bekrachtiging”, on. handfesting v. “huwelijksbelofte, door handreiking bevestigd”, handfestning v. “voldoende waarborg”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

handvest. I.pl.v. ags. hondfæst(n)ing lees: hondfæst(n)ung.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

handvest v., Mnl. handveste + Ohd. handfesti (Nhd. handfeste) = wat door handteekening bevestigd is; het 2e lid is met e = ä van vast.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

handvest* stuk met rechtsbeginselen 1528 [Hs KBH 129.E.2, Hoorn]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut