Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

handig - (vaardig, bedreven; gemakkelijk te hanteren)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

handig bn. ‘vaardig, bedreven; gemakkelijk te hanteren’
Vnnl. handig ‘vaardig met de handen’ in een goede, trouwe, handige, voirsichtighe ende mynlike (‘beminnelijke’) suster [1500-50; MNW],‘vaardig in het algemeen’ in een handig wijf [1625; WNT], ‘gemakkelijk te hanteren’ in handigh om gebruiken [ca. 1635; WNT].
Afleiding van → hand.
Net als het Nederlandse woord zijn de corresponderende afleidingen in de andere Germaanse talen relatief jong en daarom wrsch. onafhankelijk van elkaar gevormd: mnd. handich; mhd. handec, hendec; ne. handy ‘handig’; on. höndugr (nzw. händig). Got. handugs ‘wijs’ hoort hier wrsch. niet bij.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

handig bnw., mnl. handich, mnd. handich, mhd. handec, hendec ‘handig’, oe. list-hendig ‘behendig met de hand’ (ne. handy), nijsl. höndugur, nnoorw. dial. hendig, nde. hændig, nzw. händig; alle afleidingen van hand.

Het got. handugs ‘wijs’, ohd. hantag ‘scherp, spits’, on. hannarr ‘kunstvaardig, verstandig’ vergelijkt men met gr. kentéō ‘steken’, kéntron ‘prikkel’ (IEW 567). Dit woord zal in sommige opzichten (zeker bij on. hannarr) mede van invloed zijn geweest.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

handig bnw., mnl. handich “handig”. Van hand gevormd. Evenzoo mhd. handec, hendec “handig”, mnd. handich “wat met de handen gebeurt, handig, geschikt”, eng. handy “handig” (vgl. ags. list-hendig “een handige hand hebbend”), de. hændig, zw. händig, noorw. dial. hendig, ijsl. höndugr “handig, flink”. Ohd. hantag “snijdend, scherp, bitter” zal veeleer met gr. kentéō “ik prik”, oi. çnáthiti “hij doorboort” verwant zijn. Got. handugs “wijs” (> obg. *chądogŭ “ervaren”, waarvan chądoźĭstvo, -ĭstvĭjetékhnasma”) wordt met ier. cond “geest, verstand” gecombineerd, zou echter bij hand kunnen hooren evenals gruz. chelowani “kunstvaardig, listig, knap” bij cheli “hand”.

[Aanvullingen en Verbeteringen] handig. Bij gr. kentéō enz. adde: kymr. cethr “spijker”, lett. sîts (= lit. *szintas) “jachtspriet”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

handig. Bij ohd. hantag ‘snijdend, scherp’ verder lett. sīts ( = lit. *šintas) ‘jachtspriet’, kymr. cethr ‘spijker’ (tenzij dit aan lat. centrum < gr. kéntron ‘prikkel’ ontleend is): v. Wijk Aanv.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

hendeg 1. bn. handig 2. bijw. zeer; Nuinederlands handig <1500-1550>.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

handig ‘behendig’ -> Fries handich ‘behendig’; Javaans andhig ‘knap (in iets), behendig’.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut