Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

handhaven - (in stand houden)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

handhaven ww. ‘in stand houden’
Onl. in het zn. chandechabina ‘verpleging, verzorging’ [8e eeuw; LS]; mnl. hanthauen ‘in bewaring houden’ [1286; CG I, 1161], die voghet wert van weesen, sal hy haer goet hanthaven, hy eist sculdech te verzekerne met dobblen herve ‘degene die voogd wordt van weeskinderen, moet hun bezit zeker stellen met een dubbel erfdeel als hij het wil beschermen (in stand wil houden)’ [1297; Stall. I, 558]; vnnl. handhaven ‘in stand houden’ [1599; Kil.].
Leenvertaling van Frans maintenir [ca. 1135; Rey] en, gezien de Oudnederlandse attestatie, van vulgair Latijn *manutenere ‘in bewaring houden, beschermen’, letterlijk ‘in de hand houden’, gevormd uit Latijn manū ‘hand’ (ablatief van manus, zie → manuaal) en tenēre ‘houden’ (zie → tenor). Dat het Nederlandse woord ontleend zou zijn aan het Hoogduits (mhd. handhaben ‘vastpakken, ondersteunen, beschermen’ [15e eeuw; Pfeifer], ‘hanteren, gebruiken’ [16e eeuw; Pfeifer]) moet op grond van de datering en de betekenis worden ontkracht. Het tweede lid -haven hoort vermoedelijk bij de wortel pgm. *hab- ‘houden’ en is dan een nevenvorm van → hebben, en zie ook → havenen met de historische betekenis ‘behandelen, verzorgen’. Als werkwoord is haven ‘houden, hebben’ alleen oostelijk Middelnederlands, maar algemeen Middelnederlands is wel het zn. have ‘bezit’ [1201-25; CG II, Floyr.], zie → have. FvW suggereert volksetymologische invloed van het Middelnederlandse zn. hanthave ‘handvat’ [1490; MNW], maar ook dat lijkt een anachronisme, hoewel het Hoogduits al ouder handhaba ‘handvat’ [9e eeuw; Kluge] heeft en het woord in het Middelnederlands dus misschien ook ouder is.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

handhaven [in stand houden] {hant(h)aven [de hand slaan aan] 1301-1400; de huidige betekenis 1599} vermoedelijk < middelhoogduits hanthaben [vastpakken, beschermen], dat onder invloed van latijn manu tenēre [met de hand vasthouden], frans maintenir ontstond. Vgl. middelnederlands hantholden, hanthouden [handhaven].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

handhaven ww., mnl. hanthāven ‘de hand slaan aan’, mnd. hanthāven ‘beschermen’, mhd. hanthaben ‘vastpakken, ondersteunen, beschermen’. Voor het nl. woord mogen wij hd. herkomst aannemen, terwijl mhd. hanthaben gevormd is naar het voorbeeld van fra. maintenir, lat. manu tenēre. Bovendien bestond er reeds het znw. mnl. hanthāve, ohd. hanthaba, mhd. handhabe ‘handvat’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

handhaven ww., mnl. hanthāven “de hand slaan aan” (Mnl. Handwdb.). = mhd. hanthaben “vastpakken, ondersteunen, beschermen” (nhd. handhaben), mnd. hanthāven “beschermen”. ’t Ndl. ww. is wsch. onder hd. invloed opgekomen, mhd. hanthaben ontstond onder invloed van lat. manu tenere, fr. maintenir. Ook het znw. handhabe (reeds ohd. hanthaba) v. (= mnl. hanthāve v.) “handvat” kan daarbij invloed hebben gehad. Zie verder hebben.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

handhaven. Mnd. hanthāven ook = ‘behandelen, met de hand aangrijpen of bewerken’.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

handhaven o.w., van Mnl. hanthave + Hgd. handhabe = handvatsel, waarin het tweede lid van den stam van heffen en hebben: vergel. -haftig en hecht 1.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

handhaven (Duits handhaben of vert. van Frans maintenir)

C.H.Ph. Meijer (1919), Woorden en uitdrukkingen verklaard door Dr. C. H. Ph. Meijer, Amsterdam

Handhaven, ook wel handhavenen (zie ook op Havenen en vgl. lijkenen naast lijken); mnl. hanthaven, hantaven. In oudere taal en ook in Z.-Ned. nog in den zin van aanvatten, vasthouden, de hand reiken. Nu nog alleen in de overdracht. bet. = helpen, zorgen voor, ongeschonden bewaren, bevestigen, bestendigen; wederkeerend = zich staande houden, niet wijken, zich doen erkennen, in ’t bezit blijven van. De afkomst gaat waarschijnlijk terug op het oude zelfst. nw. handhave = handvat, maar het fransche maintenir heeft op de verschillende beteekenissen zeker invloed gehad.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

handhaven ‘in stand houden’ -> Fries hanthavenje ‘in stand houden’; Deens håndhæve ‘in stand houden’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors håndheve, handheve ‘in stand houden, controleren of een wet wordt nagevolgd’ (uit Nederlands of Nederduits).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

handhaven in stand houden 1599 [Kil.] <Duits

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal