Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

handelen - (doen, zich gedragen; koopmanszaken doen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

handelen ww. ‘doen, zich gedragen; koopmanszaken doen’
Mnl. handelen ‘betasten’ in de sieke die de uate of teten der gementucht handeld of ontrint ‘de zieke die de vaten of het voedsel van de gemeenschap betast of bevuilt’ [1236; CG I, 29], handelen ‘ter hand nemen’ [1240; Bern.], ‘behandelen’ [1275-76; VMNW], ook als wederkerend werkwoord hem handelen ‘zich gedragen’ [1340-60; MNW-R]; vnnl. handelen, coophandelen ‘koopmanszaken doen’ [1573; Thes.], handelen ‘zich gedragen, te werk gaan’, in bijv. soo handelt men oock dickwils niet op 't alderscherpste [ca. 1600; WNT].
Oude afleiding van → hand, die in alle Oudgermaanse talen behalve het Gotisch voorkomt, met dezelfde betekenis ‘betasten, in de hand nemen’.
Os. handlon (mnd. handelen); ohd. hantalōn (nhd. handeln); ofri. handelia (nfri. hannelje); oe. handlian (ne. handle); on. handla, höndla (nzw. handla); < pgm. *hand-lōn-. De betekenissen in de moderne talen lopen uiteen.
In het Middelnederlands wordt handelen, in tegenstelling tot nu, vrijwel uitsluitend als overgankelijk werkwoord gebruikt. De hoofdbetekenissen, ‘in de hand nemen’ en ‘behandelen’ zijn overgenomen door resp.hanteren en behandelen. Ook latere overgankelijke betekenissen, die soms nog tot in de Nieuwnederlandse periode gangbaar waren, zijn overgenomen door vormen met voorvoegsels, zoals verhandelen, onderhandelen. Het is de wederkerende vorm mnl. hem handelen die, door wegval van hem, de huidige betekenis ‘werkzaam zijn, zich gedragen’ opleverde. De betekenis ‘koopmanszaken doen’ is ontstaan onder invloed van het hieronder genoemde zn. handel.
handel zn. ‘het handelen’. Vnnl. handel ‘al iemands daden’ [1500-50; WNT], deze betekenis nu alleen nog in de uitdrukking handel en wandel [1586; WNT]; handel (in de coopmenschap) ‘koop en verkoop, koopmanszaken’ [1573; Thes.]. Meestal wordt dit woord beschouwd als terugvorming bij het werkwoord handelen, dat niet meer als afleiding van hand werd gezien. Afleiding zonder uitgang van een werkwoordsstam is echter in het Vroegnieuwnederlands ongebruikelijk (het qua vorm vergelijkbare wandel, zie → wandelen, is veel ouder), en bovendien bestond bij alle betekenissen en betekenisnuances van handelen al het zn. handeling. Veeleer moet handel in de huidige betekenis gezien worden als ontlening aan Duits Handel, dat wel van het werkwoord handeln afgeleid is en al in de 15e eeuw de betekenis ‘koopmanszaken’ heeft, uit ouder ‘handwijze’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

handelen* [doen, behandelen, handel drijven] {1236 in de betekenis ‘in de hand nemen, behandelen, verrichten, handelen, te werk gaan’} oudhoogduits handlon [bevoelen, behandelen], hantalon [aanraken, zijn krachten richten op], oudfries hondelia [behandelen], oudengels hondlian [met de hand behandelen], oudnoors handla, hondla [aanraken, behandelen], van hand.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

handelen ww., mnl. handelen ‘in de hand nemen, betasten, behandelen, verrichten, bespreken, besturen, hanteren’, os. handlon ‘bevoelen, behandelen’, ohd. hantalōn ‘met de hand aanraken, zich inspannen voor’, ofri. hondelia ‘behandelen’, oe. hondlian ‘met de hand behandelen’, on. handla, hǫndla ‘met de hand aanraken, aangrijpen’. — Afl. van hand.

In de tegenwoordige betekenis van ‘handel drijven’ is het een jonge afl. van handel 1.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

handelen. Ags. hondlian ook ‘bespreken’.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

handelen ‘doen, behandelen; handel drijven’ -> Deens handle ‘doen; handel drijven, boodschappen doen’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors handle ‘actief zijn; boodschappen doen, handel drijven’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds handla ‘doen, behandelen; handel drijven, boodschappen doen’ (uit Nederlands of Nederduits); Frans dialect hand'ler ‘handelen in rommel’; Pools handlować ‘handel drijven’; Negerhollands handel ‘behandelen’; Sranantongo handel ‘drugs verkopen’; Surinaams-Javaans andel ‘handel drijven’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

handelen* doen, behandelen 1236 [CG I1, 29]

handelen* handel drijven 1573 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut