Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

hand - (uiteinde van de arm)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

hand zn. ‘uiteinde van de arm’
Onl. ande- ‘hand’ [8e eeuw; LS], hant (ev.), hendi (mv.) [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. hant ‘hand’ [1200; CG II, Servas].
Algemeen Germaans woord: os. hand (mnd. hant); ohd. hant (nhd. Hand); ofri. hond, hand (nfri. hân); oe. hand-, hond (ne. hand); on. hönd (nzw. hand); got. handus (alle met de betekenis ‘hand’ of ‘hand plus arm’); < pgm. *handu-, in jongere taalfasen overgegaan in een i-stam. Daarnaast de werkwoorden mnl. handen ‘de handen gebruiken, regeren’, gehenden ‘overhandigen’ (zie ook → overhandigen); mhd. henden ‘pakken’; ofri. henda, handa ‘pakken, arresteren’; oe. hendan ‘grijpen’ (misschien gerelateerd aan → hint), gehendan ‘vasthouden’; on. henda ‘vangen, gebeuren’ (nzw. hända ‘gebeuren’); got. frahinþan ‘grijpen’; < pgm. *handjan-.
Er zijn geen verwante woorden buiten het Germaans en het is dan ook vrijwel zeker een woord uit een voor-Indo-Europese substraattaal. Schrijver (2001) concretiseert deze aanname verder: pgm. *hand- gaat met Germaanse klankverschuiving en grammatische wisseling terug op voor-Germaans *kant-, dat sterk gelijkt op Proto-Finnoegrisch *käti ‘hand, arm’, maar dan met een nasaalinfix, kenmerkend voor vele Germaanse substraatwoorden.
Lit.: Schrijver 2001, 422

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

hand* [lichaamsdeel aan uiteinde van arm] {oudnederlands, middelnederlands hant 901-1000} oudhoogduits hant, oudsaksisch, oudfries, oudengels hand, oudnoors hǫnd, gotisch handus, verwant met oudengels hentan [trachten te pakken], oudnoors henda [grijpen]; hand betekent dus ‘grijper’, evenals het grieks cheir; buiten het germ. zijn geen verwanten gevonden. In de uitdrukking zijn handen jeuken hem [hij heeft zin er tegenaan te gaan] heeft jeuken de betekenis van ‘sterk verlangen naar’. De uitdrukking hand op de mond [zwijg!] is ontleend aan Job 21:5 en 39:38, de hand in eigen boezem steken is ontleend aan Exodus 4:6 waar bedoeld is: de ruimte tussen borst en gewaad. Voor de uitdrukking iemand op zijn hand hebben [iem. tot bondgenoot hebben] vgl. middelnederlands side [kant, partij]. De uitdrukking zijn handen van iets afwassen [verklaren dat men niet verantwoordelijk is] is ontleend aan de handwassing van Pilatus in Mattheus 27:24. Zie ook Deuteronomium 21:6 en Psalmen 26:6. De uitdrukking de hand leggen op iets slaat op de oude gewoonte dat wie een recht wilde doen gelden op een zaak, niet kon volstaan met de wens uit te spreken, maar de zaak ook met de hand diende aan te raken, terwijl achter de hand hebben uit de zeemanstaal komt en betekent: het deel van het lopend want dat ligt achter de mannen die trekken of vieren aan dek. Ook hand over hand komt uit de scheepvaart: hand over hand hijsen, waarbij de handen om de beurt, over elkaar, aan het touw worden geslagen en men dus soepel kan blijven doortrekken. De uitdrukking van iemands hand vliegen [gereed staan om te doen wat iem. beveelt] is ontleend aan de jacht met vogels die van de hand worden gelost om het wild te achtervolgen; zwaar op de hand zijn [tobben] is eigenlijk gezegd van paarden die het hoofd laten hangen, wat een druk geeft op de hand van de ruiter. De verbinding hand- en spandiensten wil zeggen: diensten die men in persoon en met paard en wagen verricht voor de gemeenschap en vervolgens ‘iem. behulpzaam zijn’ → bovenhand.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

hand znw. v., mnl. hant, onfrank. hant, os. hand, ohd. hant, ofri. oe. hond, on. hǫnd, got. handus. — Evenals on. greip bij grijpen en gr. cheír bij oi. harati ‘neemt’ behoort, kan men ook het germ. woord als ‘de grijper’ beschouwen en dan verbinden met got. hinþan ‘vangen’, nzw. hinna, nde. hinde ‘beetpakken, bereiken’, vgl. ook oe. huntian ‘jagen’ en ohd. herihunda, oe. hūð ‘buit’, got. hunþs ‘vangst’.

Deze woordengroep is uitsluitend germaans; de verbinding met osl. na-čǐną, začęti ‘beginnen’ (FW 229) is zeer onwaarschijnlijk (zie IEW 564 die deze woorden anders verklaart). — Het is niet onmogelijk, dat het woord uit een voorgerm. taal stamt als een jachtterm en dat dan later daaruit het woord voor ‘hand’ gevormd werd.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

hand znw., mnl. hant (d) v. = onfr. hant (d), ohd. hant (nhd. hand), os. hand, ofri. ags. hond (eng. hand), on. hond, got. handus v. “hand”. Het eenige woord voor “hand”, dat wellicht reeds idg. deze bet. gehad heeft, is gr. kheir enz. (zie bij gordel): ’t komt van de basis ĝher-, die “omvatten, grijpen” beteekent. Evenzoo kan hand een oud woord met de vóór-germ. bet. “grijper, vatter” zijn, verwant met got. fra-hinþan “gevangen nemen”, zw. hinna “bereiken”, got. hunþs (v.?) “vangst”, ohd. (heri)hunda v., ags. hûð v. “buit”. Met ags. huntian (eng. to hunt) “jagen” wijst deze woordfamilie op een basis qen- of ḱen- “vatten” en dan is ’t het waarschijnlijkst, dat obg. za-čĭną, za-čęti “zwanger worden”, na-čĭną, na-čęti “beginnen” (voor de bet. vgl. beginnen) (gew. anders verklaard) verwant zijn. De wortel is dan qen-, zoodat de toch al hypothetische combinatie van hand met ier. cêt “langs, bij”, prefix com-, lat. cum “met”, gr. katá “langs ... heen” dàn met deze etymologie onvereenigbaar is, als slav. “met”, ook in dgl. functiën als gr. katá, hierbij hoort. Ook gr. -konta “tientallen” (zie honderd), dat men vergeleken heeft, heeft k. Wel is ’t mogelijk, hoewel hoogst onzeker, dat gr. eg-konéō “ik ben ijverig” (“pak mij aan”), lett. zîstës, zîtës “.streven” (ook oi. cánas- “welgevallen, bevrediging”?) van ’t zelfde qen- komen.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

hand. Alle combinaties buiten het Germ. hoogst onzeker.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

hand v., Mnl. id., Onfra. en Os. id. + Ohd. hant (Mhd. id., Nhd. hand), Ags. hond (Eng. hand), Ofri. hond, On. hand (Zw. hand, De. haand), Go. handus, verwant met Go. hinþan = grijpen en Eng. to hunt = jagen; niet buiten het Germ.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

handomdraai bw.
Handomkeer.
Uit Ndl. handomdraai (1856 - 1859), wsk. so genoem omdat 'n oogwenk omtrent so lank duur as om jou hand om te draai.

handrem s.nw.
Rem wat met die hand gewerk word, gewoonlik om 'n voertuig in stilstaande posisie te hou.
Mntl. uit Ndl. handrem (1911), of uit hand en rem, as leenvertaling van Eng. handbrake (1894).
D. Handbremse.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

hand (de, -en), (ook:) 1. arm met hand. Mijn vader heeft zijn hand gebroken = (i.h.a.) Mijn vader heeft zijn arm gebroken. Zie ook Cairo 1980c: 199. - 2. tros (bananen). Buurman had al twee keer bacoven* verkocht aan een exporteur. En behoorlijke bossen* met vijftien en twintig handen!!! (Dobru 1968b: 37). - 3. (veroud.) vertakt deel van een plant. De eene planter volgt den loop der natuur en snoeit niet; de tweede breekt er [van katoenheesters] alleen de doode takken af; een derde slaat de plant, als zij een voet hoog is, den kop af, om meer takken (hier handen genoemd) te bekomen () (Teenstra 1835 I: 281). - 4. beurt, door loting vastgesteld, voor het ontvangen van een uitkering uit een onderlinge spaarkas die kasmoni* genoemd wordt. Daarom haal ik [onderwijzeres] geen streep door typisch Surinaams-Nederlandse* gezegden en woorden, dus hun [van de leerlingen] natuurlijke expressies z.a. ’ik was aan het spelen, mijn moeder moet een baby krijgen, m’n vader heeft tweede hand van een kasmoni* gehad (BN 120: 49; 1980). - Etym.: E ’hand’ bet. tot 1751 ’arm’, en kan ook nu nog bet. ’tros’ (als 2) en ’beurt bij spel’ (vgl. 4). Ook S anoe = hand (lichaamsdeel) en SN 1, 2 en 4. Het cit. van 3 is de enige vindpl. - Zie i.v.m. 2 ook: bos* (I), vinger* (2).

J. du P. Scholtz (1961), Afrikaanse woorde en uitdrukkinge - eiegoed of erfgoed?, uitgegee deur Edith H. Raidt, in: Tydskrif vir Geesteswetenskappe, pp. 235-290

Hand snw. Segsw.: Van die hand tot die mond val die pap op die grond. In Ndl. is die segsw. veral bekend in die vorm: Tussen lepel en mond valt het sop te grond (Harreb. I, 261). Egter ook Corn. en Vervl. 1741: “Van de hand tot de(n) mond valt de pap op de(n) grond”; Joos 275: id.; Harreb. III, LXXXVI: id.

Thematische woordenboeken

K. van Dalen-Oskam & M. Mooijaart (2005), Nieuw bijbels lexicon: woorden en uitdrukkingen uit de bijbel in het Nederlands van nu, uitgebreid met De Nieuwe Bijbelvertaling, Amsterdam

De hand aan de ploeg slaan, doortastend, zonder aarzelen, beginnen met het werk.

Hand en handen worden in verschillende vormen van beeldspraak gebruikt om over iemands daden of macht te spreken. Deze beeldspraak is universeel. In de bijbel kennen we haar bijvoorbeeld in (in) Gods hand, Gods sterke of machtige hand. Verder zijn er verschillende uitdrukkingen met hand(en) aan bepaalde bijbelpassages ontleend.
Bovengenoemde uitdrukking is afkomstig van Jezus' terechtwijzing van een discipel die eerst thuis afscheid wil nemen voor hij Jezus volgt: 'Jezus zei tegen hem: "Wie de hand aan de ploeg slaat en achterom blijft kijken, is niet geschikt voor het koninkrijk van God" (Lucas 9:62, NBV).

Liesveldtbijbel (1526), Lucas 9:62. Jesus sprac tot hem, Wie zijn hant aen die ploech slaet, ende siet te rugge, die en is niet bequaem totten rijcke gods.
[Laatste regels van het refrein van de verbondshymne van het Simplisties Verbond, midden jaren '70:] Hou het leven simpel / Er blinkt nog zoveel aan de boeg / Sla beide handen aan de ploeg / En hou je wensen simpel / De helft is dik genoeg. (E. Sanders, Jemig de pemig! De invloed van Van Kooten en De Bie op het Nederlands, 1999, p. 92)
Harder dan tevoren zou ik voor Het Avondnieuws aan het werk gaan. Ik zou insgelijks de hand aan de ploeg slaan wat een paar onderwerpen betreft, waarin ik mij tot dusver onvoldoende had verdiept. (H. Lampo, De man die van nergens kwam, 1991, p. 243)

Doen wat zijn hand vindt om te doen, aanpakken wat zich voordoet.

De aanmaning om te doen wat de hand vindt om te doen, wordt gedaan door de Prediker, die op het tijdelijke van het aardse bestaan wijst en het advies geeft dit ten volle te benutten: 'Doe wat je hand te doen vindt. Doe het met volle inzet, want er zijn geen daden en gedachten, geen kennis en geen wijsheid in het dodenrijk' (Prediker 9:10, NBV).

Statenvertaling (1637), Prediker 9:10. Alles wat uwe hant vindt om te doen, doet [dat] met uwe macht.
Ik heb nooit gewikt en gewogen. Ik heb gedaan wat mijn hart mij ingaf en wat mijn hand vond om te doen. (N. Noordervliet, Tine of De dalen waar het leven woont, 1995 (1987), p. 70)

Op (de) handen dragen, ten zeerste respecteren, vereren of liefhebben; soms daarbij ook: beschermen.

In bijbelse passages wordt op de handen dragen gezegd van moeders die hun kinderen koesteren (Klaagliederen 2:20 en 22 in de Statenvertaling) en, in de Psalmen, van engelen, die de gelovige tegen alle onheil beschermen: 'Hij zal aangaande u zijn engelen gebieden, / dat zij u behoeden op al uw wegen; / op de handen zullen zij u dragen, / opdat gij uw voet niet aan een steen stoot' (Psalmen 91:11-12, NBG-vertaling). Naast het aspect van beschermen kent de uitdrukking tegenwoordig vooral de betekenis 'ten zeerste respecteren, bewonderen, houden van', dikwijls door een groep ten opzichte van een leidinggevende persoon e.d. Een klas kan bijvoorbeeld een lerares op handen dragen; zij wordt vereerd door de leerlingen en kan geen kwaad doen in hun ogen.

Statenvertaling (1637), Klaagliederen 2:20. Sullen dan de wijven hare vrucht eten? de kinderkens diemen op de handen draecht?
Zijn kleine, parmantige vrouw met heur wondermooie, donkere ogen droeg hij op de handen. (T. Kortooms, Mijn kinderen eten turf, 1967 (1959), p. 8)
Marieke de Vries. In Tilburg wordt ze op handen gedragen. Zowel in de raadszaal, waar ze al 16 jaar haar gezicht laat zien, als binnen de vakbond FNV. (Rooie Vrouwen Magazine, 1993, nr. 8)

Zijn handen in onschuld wassen, zich onschuldig verklaren; terecht of ten onrechte geen verantwoordelijkheid willen nemen voor een bepaalde misstand.

Zeer frequent is deze verbinding, die gebaseerd is op het ritueel van het wassen van de handen ten teken dat men aan vergoten bloed onschuldig is. Het wordt beschreven in Deuteronomium 21:6, maar het bekendst werd het door Pilatus, die, nadat Jezus veroordeeld was, ten overstaan van het volk zijn handen waste onder de woorden: 'Ik ben onschuldig aan de dood van deze man. Zie het zelf maar op te lossen' (Matteüs 27:24, NBV). De formulering zelf treffen we in enkele Psalmen aan, bijvoorbeeld in deze betuiging van onschuld in Psalmen 26:6: 'Ik zal mijn handen in onschuld wassen, / een rondgang maken om uw altaar, HEER' (NBV).

Liesveldtbijbel (1526), Psalmen 26:6. Ic wil mine handen wasschen met onscult, ende wil HEERE om uwen outare sijn. (In de Statenvertaling (1637): in onschult.)
Twee handen heb ik. / Ze weten weinig van mij af. / Zij wassen zich in onschuld / als in antimaterie, / hun schaduwen in mijn evenwicht. (H. Andreus, Verzamelde gedichten, 1983 (Een weinig science-fiction, 1965), p. 659)
Er is geen rechter waartoe de slachtoffers [de verjaagde bewoners van Kosovo] zich kunnen wenden. En de politieke elite wast haar handen in onschuld. (Trouw, 30-3-1999, p. 3)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Hand brengt men tot de familie van ’t Got. hinthan = grijpen, vangen.— Hand, hande bet. ook soort: drieërhande, waarbij men aanneemt, dat hand ook zijde bet. (vgl. aan de linkerhand en aan de linkerzijde): van goeder hand = van goede zijde en bij uitbreiding: van goede soort. – Verwant met hand is ook behendig = bij de hand zijn; heinde = bij de hand, dus kortbij (dit heinde staat voor: hende, vgl. den compar. in: „Wel Angeniet, kom hender!” (Hooft heeft: „verre en heindgelegene volcken”), en handelen = in de hand nemen. In handhaven schijnt men aan handhave = handgreep, handvatsel te moeten denken (haven als bijvorm van hebben, houden, vgl. hij heeft), zoodat handhaven dan bet. vasthouden, niet loslaten, iets verdedigen, iets steunen, vgl. maintenir, letterlijk óók: hand-houden.Prof. Kluge ziet in handhaven ’t Ohd. anthaba, waarin ant = tegen (vgl. antwoord) en haba = greep, verwant met ’t Lat. capio = grijpen; dus: anthaba = waar men tegen of aan grijpt; handvat.Handvest = oorkonde met de hand, d. i. handslag, bevestigd.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

hand ‘lichaamsdeel aan uiteinde van arm’ -> Frans dialect han'diclitche ‘slechte arbeider (met linkerhanden)’; Negerhollands hand, han, hant ‘lichaamsdeel aan uiteinde van arm’; Skepi-Nederlands hant ‘lichaamsdeel aan uiteinde van arm’; Sranantongo (h)anu (ouder: han) ‘lichaamsdeel aan uiteinde van arm’; Aucaans anoe ‘lichaamsdeel aan uiteinde van arm’ ; Sarnami háñth ‘lichaamsdeel aan uiteinde van arm’; Creools-Engels (Maagdeneilanden) han ‘lichaamsdeel aan uiteinde van arm, arm’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

hand* lichaamsdeel aan uiteinde van arm 0701-800 [Lex Salica]

M. De Coster (1999), Woordenboek van Neologismen: 25 jaar taalaanwinsten, Amsterdam

de hand op de knip houden, geen geld uitgeven; zuinig zijn. Deze uitdrukking werd in de loop van de jaren tachtig populair.

Bovendien, toen het Congres de hand op de knip wilde houden omdat het tegen Amerikaanse hulp aan de Contra’s in Nicaragua was, riepen diezelfde conservatieven dat het buiten zijn boekje ging door zich in het buitenlandse beleid van de president te mengen. (Het Parool, 05/01/90)
Ook andere landen die een sociaal beleid in Europa belangrijk zijn gaan vinden, houden toch het liefst de hand op de knip. (Trouw, 06/06/97)
Gezien het feit dat we een 80486 gaan opvoeren, adviseren wij u de hand op de knip te houden en ‘veel voor weinig’ te winkelen. (Computer Idee, 25/03/98)

zijn hand overspelen (← Eng. to overplay one’s hand ), te ver gaan, te veel eisen stellen (bij onderhandelingen), te veel wagen.

Het zou niet de eerste keer zijn dat een Sovjet-Russische partijsecretaris zijn hand overspeelde en, terugkomend van een buitenlandse reis, bijvoorbeeld niet door het voltallige Politburo van het vliegveld wordt gehaald, maar door de geheime dienst KGB. (Trouw, 01/10/88)
Toch wil Wöltgens, zonder zijn hand te overspelen, in de laatste anderhalf jaar voor de verkiezingen de PvdA-fractie wat meer profiel geven. (Elsevier, 24/10/92)
Dit wordt wel ‘niche-marketing’ genoemd, maar ik denk toch dat Dixan zijn hand een beetje overspeelt. (HP/De Tijd, 10/01/97)
De kraakbeweging overspeelde haar hand bij de kroningsonlusten in Amsterdam op 30 april 1980, toen felle gevechten uitbraken tussen radicale krakers en de politie in wat de ‘Slag om de Blauwbrug’ is gaan heten. (Elsevier, 08/02/97)

handen en voeten aan iets geven (← Dui.), iets tot stand brengen; er vaste vorm aan geven; (een plan) uitwerken, uitvoeren. Een rapport met handen en voeten is ‘een rapport met alles erop en eraan’; informele uitdrukking, meermaals gehoord in de jaren negentig.

In het ‘Nieuwsblad van het Noorden’ kondigde Rood onlangs aan dat haar uitgever interesse toont om het initiatief handen en voeten te geven. (Vrij Nederland, 18/03/95)
Wat ik nu doe? Ik werk als projectmanager ‘teleshoppen’ bij KPN-multimedia, wat inhoudt dat ik handen en voeten geef enerzijds aan de marketing- en sales-kant van projecten en anderzijds aan de concrete, logistieke invulling ervan op het gebied van ‘warehousing’ en ‘distribution’. (HP/De Tijd, 30/08/96)
Ik hou van non-fictie. Ik vind het belangrijk de mogelijkheden daarvan te onderzoeken, en leuk om dat genre juist hier in Nederland, waar het relatief weinig ontwikkeld is, handen en voeten te geven. (HP/De Tijd, 01/08/97)
Twee jaar voor het verschijnen van ‘The Bell Curve’ en in hetzelfde jaar dat Galbraith zijn in tevredenheid verharde medeburgers kapittelde, deed de schrijver Mickey Kaus (The New Republic, Harper’s, The Washington Monthly) een poging zo’n programma voor Amerika handen en voeten te geven. (HP/De Tijd, 09/01/98)
Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

795. Iemand de hand boven het hoofd houden,

d.w.z. iemand beschermen, met de hand boven zijn hoofd, als 't ware om de slagen af te weren, die daarop zouden neerkomen. Vgl. Pers, 672 b; Sewel, 313: De hand boven 't hoofd houden, to protect, countenance, patronize; en Ndl. Wdb. V, 1767. In het Friesch: immen de hân boppe de holle hâlde.

796. De hand in den (of in eigen) boezem steken,

ook wel in eigen boezem tasten, d.i. ‘zijn geweten of gemoed onderzoeken, zichzelf beproeven en eigen schuld erkennen, in tegenstelling met het beschuldigen van anderen’. Waarschijnlijk niet rechtstreeks ontleend aan Exodus 4, 6: ‘Ende de Heere seyde.... tot hem, Steeckt nu uwe hant in uwen boesem,’ waar de ruimte bedoeld is tusschen de borst en het daarover heen geplooide kleed, terwijl wij bij het bezigen dezer zegswijze denken aan boezem in de beteekenis van gemoed. Zie Ndl. Wdb. III, 230-231; Zeeman, 129 en Wander I, 519: in seinen Busen greifen.

786. Zijn handen jeuken hem,

d.w.z. hij heeft grooten lust om te vechten. Het ww. jeuken heeft hier de beteekenis van sterk verlangen naar iets, haken naar, zooals in de 17de eeuw en thans nog dialectisch; vgl. jokerig, jeukerig naar iets, verlangend naar iets; Opprel, 61: Hij jookt om klaar te komen. Voor de 17de eeuw vgl. Winschooten, 276: Mijn spieren jooken: dat is, ik ben geneegen tot vegten: gelijk men anders seid, mijn handen jooken; Huygens V, 101: Gut, Kees, ick voel men hande, ick voel men naegele, men tanden en men bloet soo jeucke; Zeestraet, 99. Zie Ndl. Wdb. V, 1754; Halma, 236: De handen jeuken hem, hij heeft lust tot schrijven of tot vegten; lat. prurit mihi tergum, dorsus; pruriunt dentes, pugni (bij Plautus; zie Otto, 121; V. Wyss, 31); hd. seine Hände jucken ihm; eng. his fingers itch to be at it; to tickle at, heftig naar iets verlangen (zeldzaam); fr. les mains lui demangent; fri. de tosken jukje him, de tanden jeuken hem, de maag jeukt hem, dat in vroegeren tijd in onze kluchten voorkomt in den zin van: hij heeft honger (zie Harreb. II, 324); ook de hûd, de rêch jokket him; de hanne jokje my; in Twente: de knökkel jokt mi.In Vlaanderen en Holland beteekent mijn rechterhand jeukt mij, ik heb geld, eene erfenis te verwachten (nd. meine linke Hand juckt), waarvoor ook mijn neus jeukt mij (in Overijsel = we krijgen wijn); terwijl mijn linkerhand jeukt mij beteekent ik verwacht slaag, of in Friesland: ik zal geld moeten uitgeven; de rug jeukt hem, hij wil geslagen worden; zie Halma, 236 en Sewel, 368; W. Dijkstra, II, 240 en Aug. Gittée in Los en Vast, 1890, bl. 260. Te Leeuwarden: miin gat joekt mij: 't wudt 'n goed butterjaar, d.i. de boter wordt goedkoop; dan kan men veel boter eten, wat den stoelgang bevordert; jeukende voeten doen sneeuw of dooi verwachten; de ooren jeuken, zijn belust op nieuws. Zie Volkskunde, XXIII, 231; Ndl. Wdb. VII, 281 vlgg. Syn. den kriebel in zijn vingers hebben (o.a. Dievenp. 58).

801. Zijne handen van iemand afwasschen,

d.w.z. verklaren ‘dat men alle aansprakelijkheid voor zijne schuld van zich afwerpt, dat men hem voor zijne daden geheel verantwoordelijk en de gevolgen voor zijne rekening laat’. Zie het Ndl. Wdb. I, 1811; Abr. Bl. I, 55; Zeeman, 262.

804. De laatste hand leggen aan iets,

d.w.z. iets voltooien; hd. die letzte Hand an etw. legen; fr. donner le coup de pouce à un tableau; mettre la dernière main à une oeuvre; eng. to put the finishing stroke to a th.; to put the finishing touch(es) (up)on a th.; ontleend aan het latijn: ultimam (extremam) manum imponere alicui rei. Vgl. Sewel, 313: De laatste hand aan 't werk leggen, to put the last hand to a work, to finish it; verder Ndl. Wdb. V, 1788; in het hd. ook die letzte Feile anlegen; fr. donner le dernier coup de lime à qqc.

787. Met de handen in het haar zitten,

d.w.z. in verlegenheid zitten, radeloos zijn. Vgl. Idinau, 286:

Al craut-men hem, daer 't ieuckt, by tijden,
Nochtans so sit-men met de handen in 't haer,
Oock dickmaels, sonder daer ieucksel te lijden,
Dan alleen uyt droefheydt, oft anxt en vaer.
De handen en t' herte, bestaen seer naer.

Vondel, Fenic. 380:

Gy, moeder, ook beladen
Om my, betreurt mijn leet, gekleet in rougewaeden,
Onopgetoit, en met de handen in het haer.

Zie verder Tuinman I, 310; II, 105; Van Effen, Spect. IV, 221; Ndl. Wdb. V, 1412.

788. Twee handen op éen buik zijn,

d.w.z. het in alles éens zijn, vooral in het kwade; éen lijn trekken; ‘met de twee handen zijn ongetwijfeld de beide met elkaar overeenkomende, een stel -, een paar vormende handen van één en denzelfden persoon bedoeld’.Ndl. Wdb. V, 1755; III, 1737. Zie o.a. Kmz. 359; Nest. 34: En dan spele ze (maintenées) nog twee hande op één buik met d'r kruijenier. Te vergelijken hiermede zijn: zij liggen onder éen laken (o.a. De Brune, Bank. 18); twee hoofden onder éenen kaproen (fr. deux têtes dans un bonnetGoedthals, 36: Twee hoofden in eenen caproen; vgl. ook Plantijn; Breughel no. 26; De Oock1, 143 en Volkskunde XI, 251.; eng. two faces under one hood); twee dieven in éen kerk; twee schoenlappers in éen pothuis; twee zielen in éen zak; twee kramers in éen winkel (Joos, 78); twee luizen op éenen kam (Schuerm. 354 b); zij schijten in éénen pot (De Bo, 993), of alle twee door éen gat (18de eeuw; Waasch Idiot. 577); zij pissen of kakken allen in éénen pot (Harreb. II, 198; Ndl. Wdb. VII, 1549); zij liggen, slapen of steken onder éen deken (17de eeuw; zie ook P.K. 149; Nkr. VII, 9 Aug. p. 2; Ndl. Wdb. VIII, 2165; hd. mit jem. unter einer Decke stecken); zij kruipen onder éen deken (De Arbeid, 6 Maart 1915, p. 2 k. 1); zij spelen onder éen hoedje Arbeid, 24 Mei 1914, p. 1 k. 4; De Tijd, 7 April 1914, p. 5 k. 1); zij liggen onder één hoedje (in Kunstl. II, 166); zij blazen in éen gat (hd. in ein Horn blasen); fri.: hja stekke de kop yn ien sek (zie ook Draaijer, 45); twee billen in éen broek (fr. deux culs dans une chemise), dat voorkomt bij De Decker I, 341 en De Brune, 345: ‘het zijn twee billen in éen broeck; het zijn twee handen op een buyck’; twee hoofden onder éen deken enz. Zie Sewel, 149; Harreb. I, 102 a; fri. hja skite op ien pot, skûlje ûnder ien hoedsje, under ien tekken.

789. Vele handen maken licht werk,

d.w.z. wanneer velen aan iets medewerken, is de taak gemakkelijk; mlat. multorum manibus alleviatur onus (Werner, 50). Vgl. Goedthals, 32: vele handen maken licht werck, menichten breken burgen ende sloten; beaucoup de gens parfont beaucoup d'ouvrage; Servilius, 41*: Veel handen maken licht werck, maer 't is de duyvel in dye schotel, multae manus onus levius reddunt; Sartorius II, 4, 69: Veel handen maecken licht werck, maar 't is de Donder in een schotel; Spieghel, 286; V. de Venne, 213: Veel handen lichten swaer werck; en verder Harrebomée I, 155 a en III, 169; Erasmus, CXXI; Wander II, 308-309 en vgl. Huygens VII, 331: Vele schouderen maken licht werck. In het Friesch: folle hânnen meitse maklik wirk; hd. viel Hände machen kurze, leichte Arbeit; eng. many hands make light (or quick) work; fr. à plusieurs mains l'ouvrage avance.

790. Met hand en tand (iets verdedigen),

d.w.z. met alle mogelijke verweermiddelen, zoo hardnekkig mogelijk verdedigen. Vgl. Sart. I, 4, 77: Met handt met tandt houden, vertaling van mordicus tenere; Marnix, Byenc. 75 v: Daerom wilt sy die met handen ende tanden beweren, ende om gheene waerom uyt de vuyst laten rucken; Hooft, Brieven, 358: met neb en nagel vasthouden; lat. unguibus et dentibusArchiv XIII, 401.; bij Sartorius I, 4, 69: met handt en met voet, extremum conatum significantes, sic dicimus (lat. manibus pedibusque naast pugnis calcibus). Zie Tuinman I, 48; Ndl. Wdb. V, 1757; Joos, 48; Rutten, 86 b; Waasch Idiot. 275 b: u verweren met handen en tanden; 642 b; Teirl. II, 13: met handen en voeten, op alle wijzen; met handen en tanden (soms met hand en tand), op alle wijzen, met al zijne macht en kracht; Antw. Idiot. 530: iets met handen en tanden zeggen, met den meesten nadruk; met hand en tand vasthouden; vgl. eng. to defend tooth and nail; to go into a business tooth and nail (met alle macht); hd. sich mit Hand und Fusz wehren.

807. De winnende hand is mild,

d.w.z. wien het wel gaat, is gewoonlijk vrijgevig, kan wel wat missen. We lezen de zegswijze bij Roemer Visscher, Sinnepoppen, 1ste schock XXXI: de hant die wint is milt, en verder bij Winschooten, 364; Smetius, 94; Tuinman I, 167; Harrebomée II, 277; Ndl. Wdb. V, 1795; Amst. 58: Kastelein, 'k geef een rondje - de winnende hand is mild. In het Friesch: de winnende hân is myld; nd. gewinnende Hand ist mild.

808. Van hooger hand,

d.i. van regeeringswege, van overheidswege. Hooger handHooger is volgens het Ndl. Wdb. vergelijkende trap; men denke aan de macht die hooger dan -, die boven de menigte staat; vgl. de comparatieven in overheid, oppergezag. wil hier zeggen ‘de gestelde macht in den eenen of anderen harer hoogere of lagere vertegenwoordigers’; zie Halma, 203: Van hooger hand, bijw. wegens de hooge Overigheid; Ndl. Wdb. V, 1799; Schuermans, Bijv. 112 b; hd. von höherer, hoher Hand.

809. Aan de hand (of het handje) zijn,

d.w.z. te doen zijn, voorvallen; eig. in behandeling zijn, onder handen zijn, behandeld wordende, gaande zijn, gebeuren; mnl. aen handen sijn; zie Ndl. Wdb. V, 1806; Nest. 61; Lvl. 61; Falkl. VI, 118; Prikk. II, 2.

791. Van de hand in den tand leven,

d.w.z. elken dag verteren wat men verdient; het krap, niet breed hebben. In de 16de eeuw bij Campen, 83: tis mit hem van den handen inden tanden; Goedthals, 119: vander handt inden tant varen, le souffreteux mange son bled en herbe; Idinau, 269:

Het gaet daer al, van handt in den tandt.
Daer men kort op-eet, watmen windt.

Halma, 203: Van de hand in den tand, spreekw. zoo veel winnende als men verteert; Tuinman I, 105; 140; Harreb. I, 278; Kalv. I, 82. De Duitschers zeggen von (aus) der Hand in den Mund leben; nd. et geit van der Hant oppen Tant; van de Hand in 'n Tand; eng. to live from hand to mouth, waarmede bedoeld wordt, datgene, wat verdiend is, wat men in handen gekregen heeft, dadelijk voor de noodzakelijkste levensbehoeften, voor voedsel, weer moeten uitgeven; Ndl. Wdb. V, 1758; Waasch Idiot. 642: van de hand in den tand, zoo gewonnen, zoo verteerd; Antw. Idiot. 1741: van de hand in den tand leven.

792. Als de eene hand de andere wascht, worden ze beide schoon,

d.w.z. wanneer men elkander helpt, heeft men er beide nut en voordeel van; vgl. gri. χειρ χειρα νιπτει; lat. manus manum lavat (of fricat); mnl. als die een hant die ander wasschet so worden si beide scoenDes Coninx Summe, 143.; Goedthals, 104: als deene hant dandere wascht, so wordense beyde schoone, l'une main lave l'autre et toutes deux le visage; Prov. Comm. 21: als deen hant dander dwaet so synse beyde schoone; Servilius, 43; Campen 86; Sartorius, I, 1, 68; Spieghel, 284; Idinau, 49; V. Moerkerken, 236; Tuinman I, 265; Halma, 203; Sewel, 314; Harreb. I, 276; Wander II, 298-299; 312 en Taalgids IV, 244. In het Friesch: de iene hân moat de oare waskje; as de iene hân de oare wasket wirde se beide skjin; hd. wenn eine Hand die andere wäscht, werden sie beide rein.Eenigszins te vergelijken is Spreuken, 27, 17: Yser scherpt men met yser; alsoo scherpt een man het aengesichte sijnes naesten, d.w.z. onderling verkeer voedt de menschen op; vgl. Ndl. Wdb. VI, 1434.

793. De (of zijn) hand over 't hart strijken,

d.i. ‘zich tot zachtere gedachten stemmen, inzonderheid met betrekking tot weigerachtigheid of onwilligheid ten opzichte van eens anders wenschen’; wellicht eig. een gebaar maken waarmede men zich verteedert (het hart week maakt?)’; zie Brieven v. Betje Wolff, bl. 369: Was hier zo een knaap te krijgen voor geld, wij zouden onze hand over ons hart leggen; Harrebomée I, 279 b; Ndl. Wdb. V, 1766; Sjof. 201 en vgl. het Zuidnederlandsche hand over herte leggen, toegeven, door de vingers zien (De Bo, 403 b); hd. die Hand übers Herz legen; fr. se passer la main sur le coeur. In Zuid-Nederland beteekent met zijn hand over zijn herte strijken (of vrijwen), genoegen hebben (Teirl. II, 13).

794. Hand(je) op den mond!

d.i. zwijg! vertel het medegedeelde niet verder. Ontleend aan den Bijbel, waar de hand op den mond leggen gebezigd is in den zin van Gode zwijgen, niet murmureeren. Vgl. Job. 21, 5: Siet my aen, ende wordet verbaest; ende legget de hant op den mont; 39, 37: Siet, ick ben te geringe, wat soude ick u antwoorden? ick legge mijne hant op mijnen mont. Vgl. nog De Brune, 326: Tand voor tongh is goed devijs; het Zuidnederl. iemand iets hand voor tonge zeggen, d.i. op voorwaarde, dat hij er over zal zwijgen; Ndl. Wdb. V, 1767. Vgl. den vinger op den mond leggen (Vondel, Roskam, vs. 63); de lippen voor de tanden houden; hd. die Hand auf den Mund legen; eng. to put one's finger to one's lips. Zie mondje toe!

797. Iemand op zijne hand hebben,

d.w.z. iemand aan zijne zijde hebben, tot bondgenoot of partijgenoot hebben. Hand heeft hier de bet. van zijde; vgl. eng. he sides with me, hij is op mijne hand. De uitdr. dateert uit de 17de eeuw; vgl. voor later Halma, 203: Iets op zijn hand hebben, tot zijnen dienst hebben. Dezelfde beteekenis heeft hand ook in de uitdr. iets van goeder hand vernemen, d.i. van betrouwbare zijde, Zuidndl. van goeder paart (fr. de bonne main; hd. von guter Hand; eng. from good hands); aan de betere (of beterhand) -, aan de winnende hand zijn, fri. oan 'e winnende hân, aan de zijde van den vooruitgang, van de beterschap zijn; vgl. het eng. to be on the mending hand. Zie voor dit alles Ndl. Wdb. V, 1772.

810. Aan de hand doen (iemand iets -),

d.w.z. iemand aan iets helpen; hem iets aanbieden, verschaffen, opleveren; eig. maken dat hij het in handen krijgt; hd. jem. etw. an Handen (oder die Hand) geben. Vgl. Sewel, 312: Iemand iets aan de hand geven, to give one occasion to a thing, to hint to one; Van Effen, Spect. IX, 169; Antw. Idiot. 529 en Ndl. Wdb. V, 1805.

811. Achter de hand hebben.

Een zeemansuitdrukking ‘toegepast op dat gedeelte van het loopend touwwerk, dat bij het vieren of inhalen achter de hand van den achtersten der vierende of trekkende manschappen op het dek ligt. Vandaar bij overdracht: iets in voorraad hebben tot gebruik bij voorkomende gelegenheid’. In de 18de eeuw voorkomend in Willem Leevend VI, 27; zie verder het Ndl. Wdb. V, 1806-1807; nd. wat achter de Hand hewwen (Reuter, 43); hd. etw. hinter der Hand haben; fri. whet efter 'e hân habbe.

815. In de hand werken,

in de uitdr. iemand in de hand werken, d.i. datgene doen wat een ander ten goede strekt, hem in zijne plannen behulpzaam zijn, hem steunen; vandaar iets in de hand werken, iets bevorderen (beide in de 18de eeuw); fri. yn 'e hân wirkje; hd. einem in die Hand oder die Hände arbeiten; sich in die Hände arbeiten. Waarschijnlijk wil de uitdr. eig. zeggen: aan een werk beginnen, dat men in handen geeft van een bekwamere om het af te maken, zooals bijv. een leerjongen doet. Eene andere verklaring geven Grimm IV2, 354 en het Ndl. Wdb. V, 1820.

798. De doode hand,

voorkomende in goederen in de doode hand, dat zijn goederen die aan een instelling behooren en zoodoende niet kunnen vererven. ‘De benaming schijnt wel te zien op de onvererfbaarheid en onvervreemdbaarheid van de goederen en bezittingen der geestelijkheid, waardoor deze ten eeuwigen dage aan 't levende verkeer zijn onttrokken’. Zie het Ndl. Wdb. V, 1776; Mnl. Wdb. II, 299; III, 99; Stallaert I, 555; fr. mainmorte; hd. die tote Hand; eng. mortmain en dead hands. In de 16de en 17de eeuw werd doode hand ook gebezigd voor een overledene als bezitter; erflater; bezit van een overledene, erfdeel. Zie Ndl. Wdb. III, 2845.

799. Geen hand voor iets verdraaien (of omdraaien),

d.w.z. niet de geringste moeite voor iets doen; er niets om geven. Bij Sartorius I, 3, 68: manum non verterim, ick wil myn handt niet daerom verdrayen. Zie verder Suringar, Erasmus no. CXIV; Ndl. Wdb. V, 1779; Ppl. 6; 53 en vgl. het lat. ne manum quidem vertere. In Twente: doar wik de hand nig um verleggen. In Zuid-Nederland zegt men in deze uitdr. nooit verdraaien, maar wel omdraaien, omkeeren, omleggen, opheffen of uitsteken (Teirl. II, 12; Antw. Idiot. 530). Vgl. verder Wander II, 324: ich drehe (kehre) die Hand nicht um darum; fr. je ne lèverais pas le doigt pour cela; eng. I don't lift (or stir) a finger for it; fri. der gjin han (of finger) om útstekke. Bij De Brune, Bank. I, 168: Nietighe beuzelinghen, die gheen hand-keer waerdigh en zijn.

800. Zijne handen van iets afwasschen,

d.w.z. ‘verklaren dat men alle schuld aan eene handeling, die men als slecht of verkeerd en dus als eene zedelijke onreinheid beschouwt, van zich afwerpt, dat men er niet aansprakelijk voor zijn wil, maar de verantwoordelijkheid en de gevolgen ten laste van anderen laat’. De uitdr. komt in de 16de eeuw voor bij Campen, 5: Hy wasschet der syn handen af, hy slacht Pilatus. Zij is ontleend aan de zinnebeeldige handenwassching van Pilatus (zie Matth. 27, 24); vgl. no. 802 en Ndl. Wdb. I, 1811; fr. se laver les mains de quelque chose; hd. seine Hände (oder sich) von etw. rein waschen; eng. to wash one's hands of a thing.

802. Zijne handen in onschuld wasschen,

d.w.z. geen schuld hebben aan iets, alle verantwoordelijkheid van zich afwerpen. De uitdr. is ontleend aan eene oude Israëlietische gewoonte. ‘Zij had allereerst betrekking op bloedschulden en vindt daarin hare verklaring. Zie b.v. Deut. 21: 6 vlgg., waar uitvoerig beschreven wordt, hoe de oudsten der stad zich zuiveren moesten van de verdenking van medeplichtigheid aan een manslag in de nabijheid der stad gepleegd. Men wilde met deze spreekwijze te kennen geven, dat men geen bloed aan de vingers laat kleven, zich dus zuivert van alle deelgenootschap aan het vergoten bloed. Maar zoo ging de spreekwijze ook op andere zaken over en werd eene betuiging van onschuld ook aan andere misdaden’; Zeeman, 262. Vgl. Ps. XXVI, 6: Ick wassche mijne handen in onschult; Matth. XXVII, 24; Ndl. Wdb. V, 1782; hd. seine Hände in Unschuld waschen.

803. De hand leggen op iets.

Eene uitdr. die herinnert aan het oude gebruik, dat ‘wie een recht wilde doen gelden, zich eene zaak verzekeren, niet kon volstaan met zijn wensch uit te spreken, maar ook de hand moest slaan aan het voorwerp van zijne begeerte, om zoo aan ieder duidelijk te maken, wat hij wilde en waarop zijn wil gericht was’Mededeelingen v.d. Maatschappij der Nederl. Letterk. 1897-98, bl. 116.. Vgl. lat. manum alicui inicere; Sewel, 313: De hand op iets leggen, iets beslaan, to lay one's hand upon a thing; to seize upon it; fr. mettre la main sur une chose; hd. (die) Hand legen auf etw.; eng. to put one's hand to a thing; to lay hands on. Vgl. beslag leggen op iets; 17de eeuw iets of iemand beslaan; mnl. enen aenslaen, 17de eeuw iem. of iets aanslaan, er beslag op leggen.

805. De hand lichten (met iets),

d.i. iets niet streng nemen, het er zich gemakkelijk mede maken; van verordeningen en voorschriften: ze niet streng handhaven. In den handel verstond men eertijds onder de hand lichten, minder vragen dan de marktprijs is (fr. lâcher la main), en onder (de hand) weten te zwaren en te lichten (fri. lichte en swierje), den prijs zijner waren naar gelang der omstandigheden weten op of af te slaan; fig. weten te geven en te nemen, te heffen en te leggen, te snijden en te binden, zooals men vroeger zeide (Bank. II, 311); vandaar de hand lichten met iets, het met iets niet te streng nemen, er zich met een Franschen slag afmaken. Zie Ndl. Wdb. V, 1790Hiermede moet niet in rechtstreeksch verband gebracht worden handlichting, ontheffing van minderjarigheid. In het mnl. beteekende die hand lichten van iet, afzien van de toepassing eener wettelijke bepaling, ontheffing verleenen van, het tegenovergestelde van de hand op iets leggen; en vandaar hantlichtinge, afstand van eene vordering of van rechten, die men op een goed kon doen gelden; fr. mainlevée.; VIII, 1968; Molema, 243 a: hij ken nijt lichten en zwaren; oostfri. man mut to lichten un to swaren wêten.

812. Bij de(r) hand zijn,

d.w.z. dicht bij zijn; de hand is hier genomen als zinnebeeld van nabijheid; vgl. lat. ad manum esse; het mnl. present ende bi der hant, en ons voorhanden. Vandaar ook dat de uitdr. kan beteekenen niet meer afgezonderd (op de slaapkamer) zijn, te spreken zijn (fr. visible), al op zijn (Sewel, 313; Halma, 203); eene derde beteekenis is die van behendig, bedreven, bij de pinken, listig zijn, zich de kaas niet van het brood laten eten, die wellicht zoo moet worden verklaard, dat iemand spoedig ergens tegenwoordig is, er gauw bij is, vlug is; vgl. bij het hek zijn (Harreb. I, 299) en het Antw. bij de werk zijn, gereed zijn, fri. by de wirken, aanwezig; 17de eeuw bij de werke(n) zijn of hebben, bij de hand zijn of hebben (Lat. Versch. 413). Zie verder het Ndl. Wdb. V, 1811; II, 2569; Antw. Idiot. 232: bij der hand zijn, handig, vlug, behendig zijn.Terloops zij gewezen op het adj. bijdehandsch (fr. sous la main) van een paard gezegd, dat aan de linkerzijde in 't span loopt, terwijl het andere dan vandehandsch (fr. hors de la main) genoemd wordt.
Bij de voerlieden is de linkerhand de hand bij uitnemendheid: deze houdt de teugels; Ndl. Wdb. V, 1770-1771.

813. In de hand komen,

d.w.z. van dienst beginnen te worden, gezegd van jonge menschen, die reeds in staat beginnen te worden tot eenig hulpbetoon; eig. komen ter beschikking van een ander, in zijne macht komen, zoodat hij er baat, voordeel van kan trekken. Vgl. Psalm 127, vs. 4: Gelijck de pijlen zijn inde hant eenes Helts: sodanich zijn de sonen der jeucht; met de kantteekening: sulcke kinderen zijn gemeenelick van kloecker nature dan andre, ende sy komen d'ouders haest inde hant. Zie het Ndl. Wdb. V, 1814; Sewel, 313: Uw zoon zal u met 'er tyd zeer in de hand komen, your son will be in times of great service to you; Antw. Idiot. 530 en vgl. het Twentsche in de and greujen; hd. einem an die Hand gehen; fri. yn 'e hân komme.

814. In de hand vallen,

d.w.z. meevallen, het tegenovergestelde van uit de hand vallen, d.i. tegenvallen (o.a. Sjof. 78; O.K. 43: O, Mietje! je valt me zoo uit de hand - bitter uit de hand!), tegenslaan, van den duim schieten; fri. út 'e hannen falle. Het znw. hand kan in deze uitdrukking opgevat worden in den zin van macht, zoodat in de hand vallen van omstandigheden gezegd, eig. beteekent: als bij toeval in iemands macht komen, er over te beschikken krijgen, en vervolgens meevallen, terwijl uit de hand vallen dan beteekent niet meer in iemands macht staan, de macht er over verliezen, tegenvallen, tegenslaan. Beide uitdrukkingen zijn in de 18de eeuw vrij gewoon; zie Ndl. Wdb. V, 1815; 1837; vgl. M. Elias, Bek. Dronk. (anno 1691), bl. 14, vs. 11: Dat zou ons in de hand vallen; Halma, 203: In de hand vallen: dat land valt mij in de hand, je trouve cette terre meilleure que je ne pensois; dat huis valt mij uit de hand, cette maison me paroit pas si bonne que je me l'étois imaginé; in Twente: in 'n schoat vallen.

816. Iemand naar zijne hand zetten,

d.w.z. iemand aan zijn wil ondergeschikt maken, iemands wenschen doen involgen; mnl. iet te siere hant setten naast enen na sine hant setten. In de 16de en 17de eeuw reeds vrij gewoon. Eig. gezegd van dieren, ze leeren aan de hand te komen, b.v. om daaruit te eten (vgl. Rein. 1534); vandaar in het algemeen: ze mak, gehoorzaam maken. Zie Geneuchl. Dichten, anno 1600 (ed. Lettk.). bl. 22; Sart. II, 7, 21: Ghy steltet hier heel na u selfs handt; Winschooten, 290: Iemand de wet stellen, iemand naa sijn hand setten; Brederoo III, 370: De Min die 't al set na sijn hand, en heeft de werreld in; Tuinman I, nal. bl. 30; Halma, 203: Ik zal hem naar mijne hand zetten, je le gouvernerai comme il faut; Ndl. Wdb. V, 1822; Teirl. II, 13: iemand naar zijn hand leeren (ook van dieren).

817. Iemand of iets onder handen hebben (of nemen),

d.w.z. met iemand of iets bezig zijn; onder behandeling hebben; iemand duchtig de les lezen, iemand à faire nemen (wat geen Fransch isDe uitdr. wordt verklaard als contaminatie van faire son affaire à qqn en iemand onder handen nemen (Salverda de Grave, Franse Woorden, 33).); mnl. in hande of onder hande(n) hebben; lat. habere in manibus aliquid naast habere inter manus aliquid; eng. to have in hand. Geldt het een persoon, een zieke, dan staat de uitdr. gelijk met iemand onder het mes hebben. In het mnl. lezen wij in den roman van Lanc. II, 19040: Dar hi enen riddere vant ene joncfrouwe hebbende onder hant (haar mishandelende, duchtig onder handen nemende). Volgens Gallée, 29 a zegt men in het Geld.-Overijs. dialect: iemand onder de middelen nemen, iemand de les lezen (zie Ndl. Wdb. IX, 670), waar men in denzelfden zin in het Ndl. gebruikt iemand onder handen nemen; in Zuid-Nederland onder (de) handen pakken of nemen (zie o.a. Teirl. II, 13). Zie verder Ndl. Wdb. V, 1825; Mnl. Wdb. V, 310; vgl. hd. unter der Hand oder den Händen haben, met iets bezig zijn = eng. to have in hand; in den zin van iemand duchtig de les lezen zegt men in 't oostfri. iemand in de make hebben (Ten Doornk. Koolm. II, 561 b) = eng. to take a p. through hands.

818. Onder de hand,

d.w.z. niet openlijk, in het geheim; mnl. onder (den) dume; ndl. en zuidndl. ook uit de hand (17de eeuw; mnl. uter hant); hd. unter der Hand; fr. sous main; eng. underhand(ed). Van eene verkooping gezegd: zonder tusschenkomst van een openbaar ambtenaar, onder(s)hands, hetzelfde als uit de hand (hd. aus der Hand; fr. de la main à la main ); eng. offhand, by hand); syn. iets onder de pet koopen. Volgens Schuermans, Bijv. 215 zegt men in het Westvlaamsch ook onderduims en onderkotig. De beteekenis in den loopenden tijd, welke deze uitdr. ook heeft, moet hieruit worden verklaard, dat de hand ook als zinnebeeld van nabijheid, in ruimte en tijd genomen wordt (vgl. naderhand, mnl. na of naer der hant, ophanden (o.a. Winschooten, 157: Daar is wat op handen: daar is een potje te vuur; eng. at hand); vroeger ook op de handen of op de handNdl. Wdb. XI, 794; fri. op hân wêze., thans, voorshands, enz.; in dezen zin staat zij dus gelijk met het vroegere onder den tijd, fri. ûndertiid, in den tusschentijd. In het Ndl. Wdb. V, 1826 wordt als oorspr. bet. aangenomen: terwijl men iets onder (de) handen (Zuidndl. onder de hand) heeft, en vandaar overdr. terwijl iets anders plaats heeft, middelerwijl, intusschen. Zie ook Mnl. Wdb. V, 322; 355 en no. 507 noot.

819. Op de handen dragen (iemand -),

d.w.z. de teederste zorg voor iemand hebben, en daarna: iemand vereeren, hem buitengewone genegenheid betoonen. Volgens Zeeman, 261 is de uitdr. van bijbelschen oorsprong; zij komt voor in Psalm 91 vs. 12: ‘Hy sal sijne Engelen van u beveelen, datse u bewaren in alle uwe wegen. Sy sullen u op de handen dragen, op dat gy uwen voet aen geenen steen en stootet.’ Zie het Ndl. Wdb. V, 1827; Halma, 203; Sewel, 314 en vgl. het lat. in manibus gestare of habere aliquem (Otto, 250). Vgl. ook de oudgermaansche gewoonte om verkozen vorsten, bruiden of overwinnaars in triomf rond te dragen; Mnl. Wdb. III, 96; Grimm, Myth.4, 742. In Zuid-Nederland: iemand heffen en dragen (Antw. Idiot. 543); ook iemand op zijne armen dragen, vert. van fr. porter qqn sur les bras (Waasch Idiot. 80 a); hd. jemanden auf den Händen tragen; oostfri. up de hanne dragen (Dirksen I, 20).

820. Op zijn eigen handje,

d.w.z. eigenmachtig, op eigen gezag; ook naar eigen welbehagen, voor zich in het bijzonder. Sedert de Middeleeuwen komt deze uitdr. voor; zie Exc. Cron. 166 d: Doe trac vrou Jacoba wt Henegou in Engelant op hair selfs hant; Sartorius I, 6, 82: Nostro Marte, op ons selfs handt; sonder yemant te moeyen. De hand is hier genomen als zinnebeeld van macht of gezag; vgl. het lat. manus en onze uitdr. iemand in zijne hand hebben (mnl. in hand hebben). In het hd. zegt men: auf eigene Hand (oder Faust); eng. for one's own hand; in Kl. Brab. op eiger hand; Land van Waas: op eigen hand; Antw. Idiot. 529: op zijn eigen hand; Teirl. 213; op mijnen eigenem brevee (brevet); bij Anna Bijns, Refr. 158: op haer dumen, naar eigen willekeur, op hun eigen houtje; nog in Westvl. op zijnen eigenen duim (De Bo, 277Of moet men hier aan een ijzeren duim denken? vgl. eng. on one's own hook.. Eene andere verklaring geven Grimm IV2 354 en het Ndl. Wdb. V, 1830; XI, 295; fri. op syn eigen hantsje.

821. Hand over hand.

Een uitdr. aan het scheepswezen ontleend; voorkomend in ‘hand over hand halen, hijschen, halen, hijschen niet met de twee handen te gelijk aan het touw en met eene tusschenpoos tusschen elken ruk, maar terwijl men de handen om de beurt, over elkander, aan het touw slaat, en altijd door met éene hand daaraan trekt, zoodat het halen of hijschen gestadig en gelijkmatig, en gewoonlijk tevens tamelijk vlug plaats heeft.’ Vandaar bij overdracht: met gelijkmatige, eenparige snelheid; gestadig aan (17de eeuw). Zie voor deze verklaring het Ndl. Wdb. V, 1832 en vgl. verder Winschooten, 79: Hand oover hand, geduurig, gestaadig, meer en meer; Vondel XI, 237; Halma, 203: Hand over hand, bijw. gedurig, meer en meer; de plus en plus, continuellement. Ook in het hd. Hand über Hand; eng. hand over hand.

822. Van iemands hand vliegen,

d.i. ‘gereed staan, bereid om te doen, wat iemand verlangt, om uit te voeren wat hij beveelt. Vaak in toepassing op slaafs onderworpen of op omgekochte personen. Eig. gezegd van afgerichte jachtvogels (valken): wegvliegen om het wild te vervolgen, waartoe de vogel eerst van de hand gelost en vervolgens opgeschoten wordt’; Ndl. Wdb. V, 1841. In de 17de eeuw komt de zegswijze bij Hooft herhaalde malen voor; zie ook Sart. II, 8, 75: Sy moeten vliegen van syn handt; Pers, 519 b; 710 b; Vondel, Adam in Ball. 622; Lucifer, 1898; Bat. Gebr. 1014: Wat volcken vliegen niet, als valcken, van hun hand; Adonias, 566:

Aertspriester Abjathar met veltheer Joab kant
Zich weder tegen ons. Zy vliegen van sijn hant
En vlammen op den roof, als afgerechte valcken.

Sewel, 313: Van iemands hand vliegen, to be at one's command; Tuinman I, 327: Ymand van de hand vliegen, dat is, straks uitvoeren 't geen hy met zyn hand wyst en winkt; II, 159.

823. Hand- en spandiensten bewijzen,

in letterlijken zin: diensten die men in persoon (gewoonlijk met eenig gereedschap) en met een wagen met een of twee paarden bespannen gedurende eenigen tijd ten behoeve van gemeentewerken verricht (Ndl. Wdb. V, 1875). Fig. iemand helpen, van dienst zijn, hulp verleenen. De Vrijheid, 12 April 1922 p. 1 k. 2: En zoo kon deze gansche grootscheeps opgezette actie eindigen in versterking der positie van Aalberse en Nolens, voor wie de ex. Cranenburghers door het bijeenzamelen van de Roomsche stemmen, die anders niet op de coälitie zouden zijn uitgebracht, hand- en spandiensten hebben verricht. Zoo ook 22 Febr. 1922 p. 1 k. 3.

886. Bij het hek zijn,

d.w.z. bij de hand zijn; behendig, slim zijn; ook in het hd. (gleich) bei der Hecke (= Heck) sein. De uitdr. zal wel op dezelfde wijze moeten verklaard worden als bij de hand zijn, nl. er spoedig bij zijn, in dit geval bij het hek, d.i. in Duitschland een getralied hekje voor de eigenlijke huisdeur; vgl. ook Rutten, 89 b, die mededeelt, dat men onder een hekke in het Haspengouwsch (Neerhespen) het onderdeel eener halfdeur verstaat. Is nu iemand gleich bei der Hecke, zooals de Duitschers zeggen, spoedig bij het hekje, dan is hij vlug klaar, er dadelijk bij, wanneer hij b.v. geroepen wordt, of dat moet openen, onmiddellijk bij de hand. Of de uitdr. uit het Oosten ons land is binnengedrongen, is onzeker; zij is in de oostelijke streken wel bekend, doch ook in het Zaansch, volgens Boekenoogen, 310: Hij is goed bij 't hek, hij is bij de hand, bij de pinken.Of moet hier aan een andere beteekenis van hek worden gedacht? Een derde synonieme zegswijze, die volgens Schuermans, 27 in Limburg gebruikt wordt, luidt: bij den bak zijn (er vlug bij zijn om te eten?), terwijl in de Zaanstreek nog bekend is: bij de loop zijn (Boekenoogen, 591). Zie Noord en Zuid XIX, 29-31; Harreb. I, 299 a; Ndl. Wdb. VI, 488: Nog (goed) bij 't hek, rap, zoo met betrekking tot lichamelijke als geestelijke vermogens gezegd; Grimm, Wtb. IV2, 744; Eckart, 194; Woeste, 96 b: he es fro bi der hecke, he es glik bi der hecke.

1000. Men kan geen ijzer met handen breken,

d.w.z. het onmogelijke is niet te doen. Bij Sartorius I, 10, 78 lezen we: Ghy wilt het ys met de handen breecken, en zoo is er tot in het begin dezer eeuw in alle spreekwoordenverzamelingen sprake van ijs en niet van ijzerMen denke aan de ijsbrekers ‘groote gevaarten met scherpe ijzers voor den breeden platten steven, dat door 25 of 30 paarden werd voortgetrokken’; op een uithangbord aan de Weesperzijde stond er vroeger een afgebeeld; Van Lennep en Ter Gouw, Uithangteekens II, 271.. Eerst Weiland geeft op: Men kan geen ijzer met handen breken’. Zie Harrebomée III, 216; Joos, 100; Waasch Idiot. 303 b; Antw. Idiot. 1778: Ik kan geen ijzer met mijn handen breken of ik kan geen ijzer bijten; en vgl. het fri.: me kin gjin izer mei hânnen brekke; in het Oostfri.: man kan gên isder mit handen brekke; Wander I, 801: Eisen kann man nicht mit Händen brechen.

1228. Dat is een kolfje naar zijn hand,

d.w.z. dat bevalt hem best, dat is iets naar zijn zin; dat doet hij graag, dat is 'en kaantje nê zen hand, zooals men in de Zaanstreek zegt: ontleend aan het vroeger algemeen voorkomende kolfspelTer Gouw, Volksvermaken, 334 vlgg.. Volgens het Ndl. Wdb. III, 1823 moet men onder kolfje verstaan een kolfslag dien men gemakkelijk maken kan, of van welken men persoonlijk recht ‘den slag’, juist ‘het handje’ heeft. Men zou kunnen vragen of niet eerder te denken is aan den kolfstok, waarmede de bal wordt voortgeslagen. Men voelt bij het kiezen daarvan naar de zwaarte, evenals dit met eene keu geschiedt bij het biljarten. Vgl. Sartorius II, 9, 95: Ad pedem meum quadrat: dat is een kolf nae mijn handt; Pers, 184 a; Kluchtspel II, 103; Rusting, 416; Noozeman's Lichte Klaertje, 6: Wel dit komt nae mijn sin, een kolfje nae mijn hant; Gew. Weeuw. III, 46; Van Effen, Spect. VII, 59; 116; IX, 117; Sewel, 313: Dat is een kolfje naar zyn hand, that is a good thing for him, much at his liking; Harreb. I, 276; Krat. 199; Dievenp. 108; Het Volk, 7 Maart 1914, p. 5 k. 1; Schoolm. 243; Schuermans, 274; Joos, 94; 103; 122; Taalgids IV, 253; oostfri. dat is 'n grâp na mîn hand (Ten Doornk. Koolm. I, 674).

1228. Dat is een kolfje naar zijn hand,

d.w.z. dat bevalt hem best, dat is iets naar zijn zin; dat doet hij graag, dat is 'en kaantje nê zen hand, zooals men in de Zaanstreek zegt: ontleend aan het vroeger algemeen voorkomende kolfspelTer Gouw, Volksvermaken, 334 vlgg.. Volgens het Ndl. Wdb. III, 1823 moet men onder kolfje verstaan een kolfslag dien men gemakkelijk maken kan, of van welken men persoonlijk recht ‘den slag’, juist ‘het handje’ heeft. Men zou kunnen vragen of niet eerder te denken is aan den kolfstok, waarmede de bal wordt voortgeslagen. Men voelt bij het kiezen daarvan naar de zwaarte, evenals dit met eene keu geschiedt bij het biljarten. Vgl. Sartorius II, 9, 95: Ad pedem meum quadrat: dat is een kolf nae mijn handt; Pers, 184 a; Kluchtspel II, 103; Rusting, 416; Noozeman's Lichte Klaertje, 6: Wel dit komt nae mijn sin, een kolfje nae mijn hant; Gew. Weeuw. III, 46; Van Effen, Spect. VII, 59; 116; IX, 117; Sewel, 313: Dat is een kolfje naar zyn hand, that is a good thing for him, much at his liking; Harreb. I, 276; Krat. 199; Dievenp. 108; Het Volk, 7 Maart 1914, p. 5 k. 1; Schoolm. 243; Schuermans, 274; Joos, 94; 103; 122; Taalgids IV, 253; oostfri. dat is 'n grâp na mîn hand (Ten Doornk. Koolm. I, 674).

1563. De handen uit de mouw(en) steken,

d.w.z. het werk flink aanpakken, het tegengestelde van met de handen in de mouw staan (zie Sart. II, 1, 95; III, 1, 8: Met de handen in de mouw gaen, manum habere sub pallio; in eos, qui otio languent). Zie Com. Vet. 11: Haar meeste heerschap of gesegh was dat zy zelfs aldereerst de handen uyt de mou staecken daer wat te doen was; Moortje, vs. 2589: Ick had hangden an mijn lijf, en ick konse uyt de mou steken; De Brune, Bank. I, 211; 275; Halma, 203: Handen uit den mouw steeken, mettre la main à l' oeuvre. Zie verder Ndl. Wdb. V, 1783; IX, 1186; Villiers, 83; fri. de hannen út 'e mouwe stekke; fr. mettre les mains à la pâte, l. la main à la pâte.

1579. Iets voor goede (of gangbare) munt opnemen (of aannemen),

In eigenlijken zin het geld, dat men ontvangt voor echt, niet valsch of voor gangbaar houden, en vandaar bij overdracht: gelooven wat iemand zegt; iets in ernst opvatten; hd. etwas für bare Münze nehmen; fr. prendre qqch. pour argent comptant. In de 17de eeuw vrij gewoon; zie het Ndl. Wdb. IV, 238; IX, 1239; 1240; Huygens IV, 201; verder Van Effen, Spect. IX, 138; XII, 61; 167; C. Wildsch. III, 81; 246; IV, 192; Slop, 187: Hij wist niet of hij die woorden als goede munt moest bewaren of er om lachen; Villiers, 84: Hy neem alles vir goeie munt aan; vgl. het syn. iets voor contant nemen (17de eeuw); iets voor gereed (of goed geld) opnemen; iemand iets voor gladde (of echte) munt in de hand stoppen.

2291. Iemand troef geven,

d.w.z. slagen geven; ook iemand flink te woord staan, hem duchtig de waarheid zeggen, hem (af)troeven of overtroeven (no. 62; Tuerlinckx, 495; Antw. Idiot. 929; Villiers, 129); fri. troef opspylje; oantroevje, gevoelig aankomen; tatroevje, krachtig slaan. Vgl. Van Effen, Spect. IV, 1. Hoor vriend, sprak hy, ik heb niet gestudeert, en ik verzeker je dat onze pastoor jou wel anders troef zou geven op al jou redenen die je bijbrengt; Boere-krakeel, 189 en 190; Rusting, 141; Sewel, 798: Troef geeven (slaan), to beat; hy heeft helder troef gehad, he was soundly beaten; 608: optroeven (kastyden), to beat, to whip, to chastize. Deze uitdr. is ontleend aan het kaartspel, waarin de troef de kaart is, waarmede de andere kaarten genomen of geslagen kunnen worden. Vgl. het zuidndl. iemand een pandoering draaien (Leopold, 8) of geven en eene pandoering krijgen, een pak slaag krijgen; Ndl. Wdb. XII, 316; De Bo, 824: pandoer geven, - krijgen, slagen geven of krijgen; Schuermans, 742: iemand travans geven; De Bo, 1186: troef uitgaan, hard tegen iemand uitvaren; Molema, 530 a: van jas (= troefboer) kriegen, slaag of eene berisping krijgen. Van zich aftroeven, flink van zich af spreken, antwoorden; vgl. De Arbeid, 4 Maart 1914 p. 4 k. 3: Natuurlijk werd ik heftig bestreden. Evenwel ik troefde ook van mij af.

Eveneens zijn aan het kaartspel ontleend de uitdr. zijn laatsten troef uitspelen, hd. den letzten Trumpf ausspielen; eng. to play one's last trump, zijn laatste middel beproeven, waarvoor men in Zuid-Nederland volgens Tuerlinckx, 329 en Joos, 90 zegt zijn lesten knikker in de o zetten en vroeger bij ons zijn laatste brood bijzetten (Sart. I, 1, 59; Ndl. Wdb. III, 1553). Een hoogen troef uitspelen, een krachtige poging beproeven; vgl. Handelsblad, 28 Oct. 1923 (O), p. 10 k. 5: De regeering had gemeend een bijzonder hooge troef uit te spelen door haar lot aan onze verfoeide Vlootwet te verbinden. De troeven in handen houden, meester van het spel zijn, zorgen de baas te blijven. Geen troef verzaken, de gelegenheid niet laten voorbijgaan; zie E. Wolff-Bekker, Zieke Mietje: Die verzaakt geen troef als er een plaisierpartytje te nemen is. Armoede is troef, er heerscht voortdurend armoede, dat ook volgens Rutten, 236 b; Antw. Idiot. 1267; Teirl. 22; Claes, 243; Waasch Idiot. 662 b en Joos, 71 in Zuid-Nederland bekend is, en te vergelijken is met het is dalles (armoede) troef (in Groot-Nederland, 1914, 393); Rusting, 193: krabben, lollen, bijten was troef; Tydeman is troef (in Nkr. VII, 22 Febr. p. 2); rood is troef (in Nkr. VII, 18 Oct. p. 4); Die ziet, hoe bedrog en misleiding al jaren troef is geweest (Nkr. IX, 10 Juli 1915); Zij achten de vraag of in den Amsterdamschen raad reaktie troef zal zijn, dan wel de democratie den toon zal aangeven, van geen belang (Het Volk, 7 Juli 1915, p. 1 k. 1); Het Socialisme was in die dagen troef in het Noorden des lands (Het Volk, 16 Jan. 1914 p. 5, k. 4); Handelsblad, 26 April 1923 (O) p. 6 k. 3: Het zal een interessant stuk Roomsche machtspolitiek beteekenen, het uitspelen van een nieuwe zwarte troef, waarvan Mr. dr. Jan v. Best waarschijnlijk nog niet durfde droomen, toen hij vier jaar geleden zeide: Rome is troef. Het dial. hd. da ist Treff (= fr. trèfle), Schellen (= Maulschellen, maar ook in het kaartspel ruiten) Trumpf, daar vallen klappen, daar is schoppen troef, zooals onze voorouders zouden zeggen; da ist jetzt Dreck Trumpf, daar ziet het er slecht uit. Ook in Zuid-Nederland is de uitdr. troef geven (- krijgen) bekend (Antw. Idiot. 1267).

2396. De vingers jeuken mij,

d.i. ik gevoel grooten lust tot vechten of tot schrijven, hetzelfde als de handen jeuken mijJeuken is eigenlijk een onaangenaam prikkelen, dat tot krabben verlokt; bij overdracht een sterk verlangen, dat bevredigd wil worden.; zie no. 786; 1709; Huygens, Zeestraet, vs. 99:

 Der dingen is soo veel die 'k vinde te beschrijven,
 Dat hoe 'k meer onderneem, hoe 'k min sie te bedrijven.
 Mijn hand joockt niettemin.

Van Effen, Spect. VII, 181: Een partytje ombre, of quadrille, 't eerste voorwerp van de ordinaire societeiten, en daar onzen Heer mogelyk de vingers naar jeukten; Harreb. II, 381 a; Braga (ed. 1863), bl. 345; Mgdh. 272: Zijn vingers jeuken om te slaan; fr. les doigts me démangent; hd. die Finger jucken mir; eng. my fingers itch. Ook zeide men de ooren jeuken mij naar iets; vgl. II Tim. 4, vs. 3, kantt.: Hebbende een herte ende ooren, die jeucken nae wat nieuws ende vremts, waar de tekst heeft ketelachtich zijnde; in de 16de eeuw bij Sart. II, 3, 76: sijn voeten jeucken hem weder, de his qui denuo sollicitantur ad subeundum periculum; enz. Zie Ndl. Wdb. VII, 281-282.

2398. Den vinger op den mond leggen,

d.i. zwijgen, den mond toehouden, afsluiten, hetzelfde als de hand op den mond leggen (no. 794); eene sedert de 17de eeuw voorkomende zegswijze, die o.a. wordt aangetroffen bij Paffenrode, 97: 'k Sal de vinger op de mond leggen en swijgen, vertel jy maer voort; Vondel, Roskam, 63: Dies acht men hem voor wys, die vinger op den mond leyt; Harrebomée II, 97 a. In het fr. mettre le doigt sur la bouche, pour faire signe de garder le silence; hd. den Finger auf den Mund legen (Wander I, 1020); eng. to put one's finger to one's lips. Vgl. no. 1538.

2403. Geeft men hem den vinger, dan neemt hij de geheele hand,

d.i. hij maakt op onbescheiden wijze gebruik van hetgeen hem wordt toegestaan; hij is nooit te voldoen (Ndl. Wdb. V, 1751). Vgl. mlat. cum servo nequam palmus datur, accipit ulnam; Servilius, 73: gheefdy eenen den vinger, so wilt hi de geheele hant hebben; Idinau, 213:

 Gheeft haer den vingher, sy neemt de handt;
 Dat komt van te veel toe te gheven.
 Som treckent al naer haeren kant,
 Deur een toe-laeten so gedreven;
 Ghespeckte handen over-al aen-kleven.

Cats I, 521; Gew. Weeuw. II, 21; De Brune, 228: Wanneer ghy hem de vingher biet, hy wilt de vuyst en minder niet; Tuinman I, 167: Geeft men hem den vinger, hy grypt naar de geheele hand ‘dit zegt men van stoute, onbeschaamde, en onvergenoegbare menschen, die ymands goedheid en mildheid misbruiken, en inpalmen zo veel zy konnen’; C. Wildsch. I, 99: Geef mij den vinger dan neem ik de heele hand; W. Leevend III, 37; VI, 18: Geeft men hun den duim dan willen zij er de vingers nog bij hebben; Adagia, 1: Als men hem den Vinger geeft, dan neemt hy d'heele handt, quam par est, plus vult quam licet; Harreb. I, 276 a; III, 213 b; Prikk. V, 21; Dsch. 165: As me se de vinger geeft, dan neme ze de beide hande; hd. giebt man ihm den kleinen Finger so nimmt er die ganze Hand; eng. give him an inch, and he 'll take an ell; fr. si on lui en donne un pouce il en prend long comme le bras; si vous lui donnez un pied, il en prendra quatre; fri. as min him de finger jowt, nimt er gau de hiele hân; Schuermans, 601 b: geeft men een voetje, men pakt een schreedje of geeft men een hand, men pakt den heelen arm; in het Antw. Idiot. 1377: eerst e lid van 'ne(n) vinger, en daarna heel de hand; afrik. gee 'n man die pinkie, dan vat hy die hele handBij Hooft, Ned. Hist. 83: De gemeente gewoon tlijf in te hooren daar zij den vinger krijgt..

2464. Beter éen vogel in de hand dan tien in de lucht,

d.i. het zekere is boven het onzekere te verkiezen; eene gedachte, die op soortgelijke wijze al vroeg in onze literatuur wordt uitgedrukt. Vgl. Boeth. 190 c: Beter es een mussce in de hant dan twee up dhaghe; Goedthals, 48: Beter eenen vogel in de hant dan thien over 't lant, mieux vaut un present, que deux, et dire, attends; Prov. Comm. 135: beter eenen voghel ondert net dan X in de lucht, est avis in reti melior grege quoque volanti; mlat. una avis in laqueo plus valet octo vagis; Bebel, 55: melior est avis in manu vel nido quam decem in aere; Campen, 11: tis beter een Mussche in der handt, dan een Krane oppet dack (vgl. mlat. plus valet in manibus passer quam sub dubio grus); Coornhert, 467 b: Een mosche is beter inder hant dan thien oyevaeren inder lucht; Vondel, War. d. Dieren, CXVII; Idinau, 98:

 T' is beter een voghel in de handt,
 Dan seven die noch in de locht vlieghen:
 So is een kleyn beter, als seker pandt,
 Dan groote beloften, die dickmal bedrieghen.
 T' staet qualijck te gader, waer-segghen en lieghen.

Winschooten, 146: Het is beeter een Voogel in de hand, als tien in de lugt; Tuinman I, 131; II, 176; Taalgids IV, 250; Welters, 79; Harreb. I, 276 b; III, 214; Antw. Idiot. 1393; Waasch Idiot. 121: beter een duit in de hand als een blanke in den kant; 323: een vogel in de hand is beter als tien in den kant (heg); Ndl. Wdb. V, 1812, alwaar gewezen wordt op het onr. betri ein kráka i hendi en tvaer i skógi (13de eeuw); Wander IV, 1646; 1653-1654; Eckart, 547; fr. un moineau dans la main vaut mieux qu'une grue qui vole; hd. ein Sperling in der Hand ist besser als eine Taube auf dem Dache; eng. a bird in the hand is worth two in the bush. Vgl. V.d. Venne, Voor-Beduydsel, 5: Beter een Turf in de Keucken als duysent op het Veenlant.

2501. De vuurproef doorstaan,

d.i. een harde proef, een streng onderzoek doorstaan. De uitdrukking bevat eene herinnering aan den tijd der godsoordeelen of ordaliën. De vuurproef, te onderscheiden van de ijzerproef (zie no. 834), bestond hierin, dat de aangeklaagde zijne hand een bepaalden tijd in het vuur moest houdenVgl. Daar zou ik mijne hand (niet) voor in 't vuur willen steken (Harreb. I, 276 b); in Zuid-Nederland: ik zou er geen heet ijzer voor durven dragen; ik zou er geen kooltje vier voor opslikken; enz. fr. j'en mettrais la main au feu; hd. da wollte ich meine Hand (nicht) für ins Feuer legen, stecken., over gloeiende kolen moest loopen, of in het bloote hemd, dat soms met was bestreken werd, door een brandende houtmijt moest gaan; bleef hij ongedeerd, dan was zijne onschuld bewezen. Deze proef, die reeds in de Veda's vermeld wordt, en ook bij de Grieken bekend was, is eens in alle werelddeelen gebruikelijk geweest, en is dit nog in vele streken van Afrika, Zuid-Azië en Oost-Indië. Vgl. afrik. die vuurproef deurgaan; fr. passer par le creuset (smeltkroesHier wordt dus gedacht aan het onderzoek van ertsen of metalen; zie no. 1888.); hd. die Feuerprobe bestehen; eng. to stand the test; zie Noordewier, 437; De Cock1, 108; Grimm, Rechtsalterth.4 II, 567-578.

2532. In de eene hand water en in de andere vuur dragen,

d.w.z. zich nu op de eene wijze, dan weder op eene andere wijze voordoen; dubbelhartig zijn; uit twee monden spreken. De zegswijze wordt aangetroffen in het Grieksch bij Plutarchus: τη μεν υδωρ εφορει δολοφρονεουσα χειρι, τη δε ετερη το πυρ. Vgl. voor onze taal Rose, 989:

 Daer es menich verradere fel,
 Die vor die liede can smeken (vleien) wel
 Ende vore blusschen ende achter bernen,
 Daer si goede liede mede ernen (boos maken).

Vad. Mus. I, 326, 73: 't Fier draghen si in die ene hant ende dander hant es selden sonder water; Scaecspel, 75; Goedthals, 62: in deene hant watere, in dandere vier draghen, porter le feu et eaue; Campen, 36: hy draecht het water in deene hant, ende tvuyr in dander; Sart. I, 8, 97: altera manu fert lapidem, panem ostentat altera: hy dracht het vier in de een handt, ende water in dander handt, qui coram blandiuntur clam obtrectantes, palam amicos agunt, clanculum nocent cet.; III, 10, 48; Erasmus, VIII; Idinau, 24; Winschooten, 122: Vuur in de eene hand draagen, en het waater in de andere hand: schoon voor het oog: maar vals agter de rug; Tuinman I, 186; II, 216; Adagia, 42: In d'een handt heeft hy waeter, in d'ander handt heeft hy vier, altera manu fert lapidem, panem ostentat altera; Harreb. I, 279 a; Antw. Idiot. 1420; Waasch Idiot. 711 b; Rutten, 272; Ten Doornk. Koolm. III, 521. Syn. was heet (of warm) en koud uit één mond blazen (vgl. Ndl. Wdb. VI, 399; II, 2807); eng. to blow hot and cold. Op Goeree en Overflakkee beteekent hij blaast hitte en kou uit één gat, hij spreekt zich zelf tegen. Vgl. fr. souffler le chaud et le froid.

2674. Zwaar op de hand zijn,

d.w.z. lastig zijn door veel of onbelangrijk gepraat; in 't algemeen vervelend, vermoeiend zijn; als adjectief ook: zwaarwichtig. De uitdrukking is ontleend aan het paardrijden, waarbij men van een paard, dat den kop naar beneden laat hangen zegt, dat het zwaar op de hand is daar dit de hand van den ruiter vermoeit; vgl. Chomel II, 751: Om te maken dat een Paard niet op de stang leune, maar licht in de hand schijne, enz.; Halma II, 506: Un cheval pesant à la main, een paerd zwaar op de hand (hd. schwer in der Faust liegen; eng. to be heavy in (on) hand); fig. moeilijk te regeeren; fr. peser à la main (dit ook in fig. zin). Vgl. Harreb. I, 19 b; Ndl. Wdb. V, 1829; Jord. 123: Hij leek wat lijzig in z'n gang en zwaar-op-de-hand in 'n praatje; Nw. School III, 336; Handelsblad, 18 Juli 1914 (avondbl.) p. 5 k. 1: 'n Stille, ernstige, eenigszins zwaar-pp-de-hande en tot gezetheid neigende jongeling; Nkr. VIII, 3 Oct. p. 7: Hij had nu alle zwaar-op-de-handsche redeneeringen terug geduwd; I, 5 Jan. p. 3; V, 5 Maart p. 4; Kmz. 71: O! Hij 's weer zwaar op de hand! Da's nou toch zoo'n zwaar op de hande; Het Volk, 18 Juli 1914 p. 5 k. 2: Mijn grimmige, zwaar-op-de-handsche land- en partijgenooten; 26 Maart 1914 p. 1 k. 4: Ministers van oorlog zijn zwaar op de hand als het zooiets betreft; Schoolblad XLIV, 6: De man, met wien hij - om een zwaar-op-de-handsche uitdrukking te gebruiken - zieleverwant is; De Amsterdammer, 30 Aug. 1924, p. 17 k. 3: Zwaar-op-de handsch, moeizaam en houterig Hollandsch; fri. swier op 'e hân wêze.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut