Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

hamer - (gereedschap)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

hamer zn. ‘gereedschap’
Mnl. hamer ‘slagwerktuig’ [1240; Bern.]. Wrsch. ook al in het onl., met de betekenis ‘steen’ in de plaatsnaam Hamaritda ‘Ophemert (Gelderland)’ [800-50; Künzel].
Vanwege de Oudnederlandse betekenis ‘steen’, die ook in de Scandinavische talen voorkomt, veronderstelt men een oorspr. betekenis ‘stenen werktuig’; mogelijk bij een Proto-Indo-Europese wortel die ‘scherp’ betekent en ook voorkomt in → eg.
Os. hamar (mnd. hāmar); ohd. hamar (nhd. Hammer); ofri. hamer (nfri. hammer); oe. hamor (ne. hammer); alle ‘hamer’. On. hamarr betekent behalve ‘hamer’ ook ‘steen, klip’ (nzw. hammare ‘hamer’; (dial.) ‘stenig gebied, steile klip’; en bijv. de Noorse plaatsnaam Hammerfest); < pgm. *hamara- ‘hamer’.
Mogelijk verwant met Oudkerkslavisch kamy ‘steen’ (Russisch kámen', Tsjechisch kámen ‘steen’, Kasjoebisch (een West-Slavische taal) met -r kamor ‘steen’) < Proto-Slavisch *kāmor-o-, hoewel men klankwettig in de Slavische talen een sisklank in de anlaut zou verwachten. Een andere mogelijkheid is verband met Grieks ákmōn ‘aambeeld; meteoor’; Sanskrit áśman- ‘steen, rots’; Avestisch asman- ‘steen’; Litouws akmuo ‘steen’; bij pie. *h2eḱmen- ‘steen’ (IEW 29), *h2eḱ- ‘scherp’, zie ook → eg. De Slavische vormen kunnen eventueel uit deze laatstgenoemde groep afgeleid worden door metathese ak- > ka- als gevolg van de (al Proto-Slavische) hang naar open lettergrepen. Dan is pgm. *hamara- weer moeilijk te verklaren, of het moet een ontlening zijn aan het Slavisch (met Germaanse klankverschuiving).
hameren ww. ‘met een hamer slaan’. Mnl. hameren [1481-83; Voc.cop.]. Afleiding van hamer.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

hamer* [werktuig] {1201-1250} oudsaksisch, oudhoogduits hamar, oudfries homer, oudengels homor, oudnoors hamarr [hamer, steen, rots]. In wat hamer! is het mogelijk dat hamer ‘duivel’ betekent. Reeds Hieronymus heeft het woord in deze zin in de 4e eeuw gebruikt. Een herinnering aan het strijdwapen van Donar?

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

hamer znw. m., mnl. hamer, os. hamar, hamur, ohd. hamar, ofri. homer, oe. homor, on. hamarr ‘hamer’. Het on. woord betekent ook ‘steen, rots’ en dat leidt tot de vooronderstelling, dat men zal moeten uitgaan van een stenen voorwerp (een vuistwig zoals in de steentijd gebruikt werd). — Een wisseling van r- en n-stammen aannemend vergeleek H. Pedersen KZ 32, 1893, 247 gr. ákmōn ‘aanbeeld’, lit. akmuõ ‘steen’, osl. kamy ‘stenen wapen, hamer’, av. asman- ‘steen, hemel’, afgeleid van de idg. wt. *ak of *aḱ ‘scherp, spits; steen’ (waarvoor zie: eg 2)

Andere verklaringen: bij mhd. hamel ‘blok, ruwe klip’, ohd. hamm ‘verminkt’, gr. kámptō ‘buigen’ (zie dan ook: hamel), met secundaire vermenging met de groep van gr. ákmōn (Güntert WS 11, 1928, 140) en dan met betekenis-ontwikkeling als van sax naast secāre (Detter ZfdA 42, 1898, 57). — Ook N. van Wijk Ts. 23, 1904, 153-155 verwerpt de verbinding met een woord voor ‘steen’ en dus als oudste bet. ‘stenen wapen’. Daarom wil hij uitgaan van een verbaalwortel met de bet. ‘slaan, afbreken’, die echter door Pokorny in IEW niet vermeld wordt. — Anders weer Güntert, Labyrinth 1932, 21, die het woord verbindt met gr. kamára ‘gewelf’, dat hij met verwijzing naar antieke voorstelling over een stenen of kristallen hemelgewelf als een vooridg. woord voor ‘steen’ beschouwt, vgl. kretisch kamára. — In dit geval zou men kunnen vragen of niet eerder aan een vóórgerm. substraat te denken is.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

hamer znw., mnl. hāmer m. = ohd. hamar (nhd. hammer), os. hamur, hamar, ofri. homer, ags. homor (eng. hammer), on. hamarr m. “hamer”. On. hamarr m. beteekent ook “steen, rots” (vgl. ook mhd. hamel m. “steile rots, afgesneden stok”). Men is van de grondbet. “steen” uitgegaan en heeft gr. ákmōn “aanbeeld”, obg. kamy, lit. akmů̃ “steen” oi. áçman- “steen, steen om te slingeren, rots, hemel” (een woordfamilie met bevreemdend vocalisme en consonantisme) vergeleken. Veeleer echter hoort het woord als “het snijvoorwerp” resp. “het afgesnedene” bij de germ. basis (χem-:) χam-, waarvan ook hamel. Voor de bet. vgl. germ. *saχsa- “mes, zwaard” (zie mes) = lat. saxum “steen, rots”, bij den wortel van zaag.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

hamer. Te gewaagd is de hypothese van Güntert WuS. 11, 140, dat dit woord als ospr. ‘krom stuk hout, boemerang’ bij ohd. hammêr, got. hamfs enz. ‘verminkt’ zou behoren (zie hamel Suppl.), maar zich gekruist zou hebben met de germ. verwant van gr. ákmōn, obg. kamy enz.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

hamer m., Mnl. id., Os. hamur + Ohd. hamar (Mhd. hamer, Nhd. hammer), Ags. hamar (Eng. hammer), Ofri. homer, On. hamarr (Zw. hammar, De. hammer) + Skr. açmā = steen. Gr. ákmōn = aanbeeld, Osl. kamy, Ru. kamene, Lit. akmuo = steen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

hamel (zn.) hamer; Vreugmiddelnederlands hamer <1240>.

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

hamel, zn.: hamer. Var. van hamer door r/l-wisseling. Als naam van een maat: 1447 vander hoechden van 12 hamel voeten; 10 hamer voet breet, Hasselt (Gessler 56).

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

ha’mer (de, -s), (ook:) haan van een geweer. - Etym.: E hammer = o.m. id. AN (veroud.) h. = slagslot aan een stuk geschut. - Syn. slaghamer*, slag* (2).

Thematische woordenboeken

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

hamerslag. Dit woord, gebruikt als vloekwoord, is een (versterkende) uitbreiding van hamer. → hamer.

hamer. Evenals bliksem, donder, hagel, weerlicht wordt hamer, vooral ook in het Nederduits, als een vloekwoord gebezigd, en begrijpelijkerwijze heeft men er daarom de door Thor geslingerde hamer (de bliksemstraal) in willen zien. Het is echter zeer de vraag of dit attribuut van de Scandinavische dondergod door de West-Germanen aan hun Donar werd toegedicht. Als een benaming voor de duivel moet hamer reeds in het laatst der 4de eeuw, bij Hiëronymus, voorkomen, en in die zin zijn grond hebben in een verkeerde uitleg van Jeremia 50: 23, schrijft het WNT. In de 19de eeuw kende men nog de verwensing de hamer mag mij slaan, indien (enz.). Het WNT veronderstelt in deze verwensing een verhaspeling van verschillende vloeken, net zoals dat het geval is bij (dat) haal je de weerlicht!, dat ontstaan is uit hale u de duivel!, en sla u de weerlicht! In de hamer mag mij slaan kan daarom hamer staan voor duivel. Wij kennen nog de uitroep wat hamer! ‘wat voor de duivel, wat bliksem, wat donder’. Deze verwensing werd voor het eerst aangetroffen in het begin van de 18de eeuw. Ook bestaat de oorspronkelijke zelfverwensing de hamer sla mij weg, als het waar is ‘ik mag doodvallen, als ...’ Zij ging dienst doen als meineed, later als een soort vloek en uiteindelijk als uitroep van verontwaardiging. Later, toen de uitdrukking wat hamer! niet meer begrepen werd, zei men wat hamer en spijkerdoos!

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Hamer houdt men oorspr. voor steen, rots (’t Oudnoorsch had hamarr = rots) en duidt dus ’t steenen wapen bij uitnemendheid aan.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

hamer ‘werktuig’ -> Ests haamer ‘werktuig’ (uit Nederlands of Duits); Pools † hamer ‘werktuig’ (uit Nederlands of Duits); Shona humuro ‘werktuig’; Javaans amer ‘werktuig’; Kupang-Maleis hamer ‘werktuig’; Menadonees hamer ‘werktuig’; Munsee-Delaware hámǝl ‘werktuig’; Negerhollands hammer, hāmbu, hambu ‘werktuig’; Berbice-Nederlands hambru ‘werktuig’; Sranantongo amra ‘werktuig’ (uit Nederlands of Engels); Aucaans ambaa ‘werktuig’ ; Saramakkaans hám, áma ‘werktuig’ ; Sarnami hameri ‘werktuig’; Surinaams-Javaans amer, hamer ‘werktuig’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

hamer* werktuig 0801-850 [Künzel]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

784. Wat hamer!

d.w.z. wat duivel! wat bliksem! wat donder! De uitdr. die in 't begin der 18de eeuw het eerst is aangetroffen, herinnert ons aan den Noorschen god Thor of Donar, die met zijn hamer zijne vijanden verpletterde, gelijk Zeus met zijnen bliksem; vgl. 18de eeuw: om den hamer niet, voor den duivel -, om den dood niet; de door Schuermans, 174 opgegeven uitdr.: de hamer sla mij weg, als het waar is, waar wij zouden zeggen: ik mag dood vallen, als, etc.; en hij stond als van den hamer geslagen; de nnd. uitdr. dat di de Hamer slâ! (Eckart, 184), hd. das dich der Hammer (schlag!); beim Hammer; Potz Donner hammer! Het is, volgens het Ndl. Wdb. V, 1738, evenwel de vraag of hier aan Thor's hamer mag worden gedacht, daar het niet zeker is, dat óók de Westgermanen, bij wie de uitdr. het meest voorkomt, dit attribuut van den Skandinavischen Dondergod ook aan hunnen Donar hebben toegedicht. Als benaming van den duivel moet hamer reeds in de 4de eeuw bij Hieronymus voorkomen en in dien zin zijn grond hebben in eene verkeerde uitlegging van Jeremia 50, 23.Evenals wij thans spreken van een bliksemschen, weerlichtschen jongen, 't is een bliksemsch werk, zoo zeide men ook in de 18de eeuw: ‘'t Is een hamers werk’; Sewel, 312 en Ndl. Wdb. V, 1743. Later, toen de uitdr. niet meer begrepen werd, zeide men: wat hamer en spijkerdoos! (Harreb. I, 148 b). In het fri. hwet hammer is dat! of hwet hammer(slach)!

785. Onder den hamer komen,

d.w.z. in het openbaar verkocht of verpacht worden, wat men vroeger noemde met den stock verkoopen, publica auctione vendere (Kil.). Deze uitdr. vindt wellicht haren oorsprong in de Noorsche mythologie, volgens welke Thor of Donar door middel van zijnen hamer bijv. wijding gaf aan een gesloten huwelijk. De Germanen wijdden eveneens verschillende voorwerpen aan eene godheid door middel van een hamer, waardoor aan die handeling kracht werd gegeven, waardoor zij werd bevestigd. Eene herinnering daaraan bewaart de gewoonte, dat de voorzitter eener vergadering door middel van een slag met zijn hamer een besluit bekrachtigt of de afslager door middel van dat werktuig den koop toewijst. In de middeleeuwen vinden we reeds: metten hamere vercopen (Mnl. Wdb. III, 68), in het publiek verkoopen; vgl. ook het nhd. unter den Hammer kommen, bringen; eng. to go, come to (or under) the hammer; fr. passer sous le marteau. Zie Noordewier, Nederd. Regtsoudheden, 42 en 180; Taal en Lett. IV, 305; Schuermans, Bijv. 112 a; Ndl. Wdb. V, 1737 en Schrader, Wunderg. 183 vlgg.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal