Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

hamel - (gecastreerde ram)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

hamel zn. ‘gecastreerde ram’
Mnl. als persoonsnaam in Hein de Hamel [1182; Debrabandere 2003], Balduinus Hamel [1240; id.], hamel “eyn gelubt scaip” [1477; Teuth.].
Oude substantivering van een in het Nederlands niet geattesteerd bn. met de betekenis ‘verminkt’. Wel wordt in de Lex Salica het werkwoord chamin- (lees hamin-) ‘drukken, kwetsen; castreren’ gebruikt [8e eeuw; LS]. Wrsch. hetzelfde woord als → ham 1 ‘vlees van de varkensbil’. De voorgestelde alternatieven zijn niet overtuigend. NEW verbindt de hamel-woorden met de Proto-Indo-Europese wortel van → ham 2 ‘bocht in rivier etc.’, een wortel met de grondbetekenis ‘samendrukken’, daarbij denkend aan een oude castreermethode. Een andere voorgestelde wortel is die van → kapoen ‘gecastreerde haan’, met de grondbetekenis ‘snijden’, waarbij echter de -m- niet wordt verklaard.
Mnd. hāmel; ohd. hamal (nhd. Hammel), alle ‘hamel’. Daarnaast de bn. ohd. hamel ‘verminkt’; oe. homola ‘verminkt’; de werkwoorden ohd. hamalōn (mhd. hamelen, hemelen); oe. hamelian; on. hamla, alle ‘verminken’; daarvan de afleidingen mnd. hāmelinge ‘verminking’; ofri. hemilinge ‘id.’. Bij een stam pgm. *ham- ‘verminken’. Hierbij horen wrsch. ook: ohd. hamf ‘kreupel’; on. háf ‘met verminkte handen’; got. hamfs ‘verminkt’. Het woord → ham 1 wordt teruggevoerd op een stam pgm. *ham(m)- ‘gebocheld zijn’, wrsch. is dit dezelfde stam en zijn beide woorden dus verwant. Hiervoor pleiten ook de synoniemen ozw. hamboge, hamulboghi ‘knieholte’.
Er zijn geen zekere niet-Germaanse verwantschappen. NEW verbindt de hamel-woorden met de wortel pie. *kem- ‘samendrukken’ (IEW 555), zie → ham 2. De andere voorgestelde wortel is pie. *(s)kep- ‘snijden’ (IEW 931), zie → kapoen.
Zie ook de samenstelling → belhamel.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

hamel2* [gesneden ram] {1376-1400} middelnederduits hamel, oudhoogduits hammal (hoogduits Hammel), eig. een bn.: oudhoogduits hamal, oudengels homol [verminkt]; buiten het germ. gallisch Mars Camulos [Mars de snijder], middeliers cumall [kampioen] (vgl. kapoen, belhamel).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

hamel znw. m. ‘versneden ram’, mnl. hāmel, mnd. mhd. hamel m. Eigenlijk het gesubstantiveerde bnw. ohd. hamal, oe. homol ‘verminkt, geknot’, vgl. on. PN Hamall en de samenst. hamalkyrni ‘graansoort met aren zonder stekels’ en verder mhd. hamel ‘klomp, ruw afgebroken top’ (voor de verhouding van znw. en bnw. vgl. frans mouton en lat. mutilis). Daarnaast abl. nhd. dial. hummel ‘rund zonder horens’, ne. humble ‘hoornloos’ en zie verder: hommel 1 en hommel 2. — Voor de verklaring moet men denken aan de oude methode der castrering, die bestond in het stukkloppen van de teelballen; men kan dus uitgaan van de idg. wt. *kem ‘samendrukken’ (IEW 555), waarvoor zie: ham 2.

Andere verklaringen zijn: 1. van idg. wt. *(s)kep ‘snijden, schaven, krabben’, vgl. lat. capo, capus ‘kapoen’ (ook ‘versneden’), gr. kóptō ‘slaan, hakken, houwen’; daarvan zou men dan een genasaleerde bijvorm moeten aannemen. Hoogst onzeker, bovendien moet men, zoals boven aangegeven, niet uitgaan van een begrip ‘snijden’, maar ‘kloppen’. — Een andere verklaring verbindt met ohd. oe. scamm, on. skammr ‘kort’ van een idg. wt. *(s)kem ‘verminkt’, vgl. oi. śámala- ‘fout, gebrek’ (IEW 929). — Minder aannemelijk is ook de vergelijking met gr. kámptō ‘buigen’ en lit. kumpas ‘krom’ (FT 377).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

hamel znw., mnl. hāmel m. = mhd. hamel (nhd. hammel; ook reeds ohd. hamal?) m., mnd. hāmel m. “hamel, versneden ram”. Een gesubstantiveerd bnw., oorspr. = “de verminkte”: vgl. ohd. hamal, ags. homol “verminkt”, waarbij ohd. hamalôn, ofri. homelia, ags. homelian (eng. to hamble) “verminken”. On. hamall in hamalkyrni o. “rogge en tarwe, koren zonder stekels” kan = ohd. hamal zijn. Wsch. van een basis, die “snijden” beteekende (zie hamer); verwantschap met on. hamla “terugroeien” en met mnl. hemmen, mhd. (nhd.) hemmen, mhd. hamen, ijsl. hemja “belemmeren, in toom houden”, saalfrank. chamian “drukken”, die met lit. kamů́ti “samendrukken” worden gecombineerd, is niet wsch.; ofri. hemma “verminken” echter hoort bij hamel. Mogelijk is verwantschap van hamel enz. evenals van bei. hummelbock, -gaiss “bok, geit zonder horens” met de bij hinde besproken basis ḱem-; ook is verwantschap hoogerop met de. hammel “dwarshout voor aan een wagen, waaraan de strengen vastzitten”, gr. kámax “paal” en arm. samikʿ, oi. çámyâ- (zie bij haam) mogelijk; eventueel laten beide etymologieën zich combineeren. Dat germ. *χamma- “ingesloten ruimte” bij hamel enz. hoort (“afgesneden, afgeperkte ruimte”) is mogelijk, maar niet wsch.: zie ham I. Wel zijn ohd. hammêr, got. hamfs, ohd. hamf, os. hâf “verminkt” verwant. Čech. komolý “afgeknot”, slov. (karinthisch) komolyi “zonder horens” zullen wel uit ohd. hamal ontleend zijn.

[Aanvullingen en Verbeteringen] hamel. Bij mnl. hemmen enz. is nog russ. kom “klomp”, serv. kȍm “uitgeperste druivenschillen” gebracht. — Ook russ. komólyj “ongehoornd” komt voor; men brengt dit slav. bnw. gew. bij een echt-slav. woordgroep.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

hamel. Ohd. hammêr, got. hamfs enz. (slot v. h. art.) sluiten zich wsch. als ‘krom, verkromd’ het eerst aan bij gr. kampḗ ‘bocht’, kámptō ‘ik buig’, lat. campus ‘veld’ (ospr. ‘buiging, dal’), lit. kam̃pas ‘hoek; streek’, kum̃pas ‘krom’, kum̃pti ‘krom worden’. Wil men de verwantschap met hamel blijven handhaven, dan zou de bet. ‘verminken’ uit ‘verkrommen’ verklaard en nauwer verband met haam moeten worden aangenomen. Dit is echter zeer onzeker, evenals de combinatie van hamel met de familie van schaven, waartoe weliswaar semantisch dichtbij liggende woorden als lat. capus, capo, gr. kápōn ‘kapoen’, obg. skopiti ‘castreren’ behoren.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

hamel 1 m. (gesneden ram), Mnl. id. + Ohd. hamal (Mhd. hamel, Nhd. hammel), is zelfst. gebr. bijv.nw. en bet. verminkt; vergel. nog Ohd. hamalôn, Ags. hamelian (Eng. to hamble), On. hamla = verminken; niet verder op te sporen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

hamel s.nw.
1. Gekastreerde ram. 2. Steriele, impotente man.
In bet. 1 uit Ndl. hamel (al Mnl.). Bet. 2 het in Afr. self ontwikkel. Eerste optekening in Afr. in bet. 1 by Pannevis (1880).
Vanuit vroeë Afr. in S.A.Eng. (1835 in bet. 1).

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

haml, haomel schraal, mager (gez. van mens en dier) (Groningen, Drente). = nl. hamel ‘versneden ram’ = ohgd. hamal ‘verminkt’, oeng. homol ‘verminkt’. Misschien ~ arm. kcamel ‘drukken’ en hgd. hemmen ‘hinderen’.
W. de Vries 1895, 69, IEW 555.

hoamel mager, schraal (Noordoost-Nederland). = hgd. hammel ‘verminkt’, = nl. znw. hamel ‘gesneden ram’. ~ oind. śámala- ‘fout, gebrek’.
W. de Vries 1895, 69, Ter Laan 318, WNT V 1733, NEW 233-234.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

hamel ‘gecastreerde ram’ -> Engels hamel ‘gecastreerde ram’ ; Frans dialect † beste ameline ‘castraat’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

hamel* gecastreerde ram 1376-1400 [MNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal