Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

halverwege - (op de helft van de afstand)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

half bn. ‘zo groot als de helft’; bw. ‘voor de helft’
Mnl. half ‘voor de helft’ in alf [1227-32; CG I, 10], ‘zo groot als de helft’ [1236; CG I, 26], half [1240; Bern.], half uerbrant ‘half verbrand’ [1240; Bern.].
Os., mnd. half; ohd., nhd. halb; ofri. half (nfri. heal); oe. healf (ne. half); on. hálfr (nzw. halv); got. halbs; < pgm. *halba- ‘half’.
Zekere Indo-Europese verwanten zijn er niet, al worden soms met veel voorbehoud Litouws šalis ‘zijde, kant’ hiermee in verband gebracht. Als men uitgaat van een betekenis ‘deel’, kan half als s-loze vorm met ablaut behoren bij de wortel pie. *(s)kel- ‘snijden’, zie → schil. De oorspr. betekenis zou dan ‘in tweeën gedeeld’ kunnen zijn. Maar deze interpretatie is onzeker.
In beperkte mate wordt dit woord ook zelfstandig gebruikt, namelijk in de versteende combinatie ten halve (bijv. in beter ten halve gekeerd dan ten hele gedwaald) en soms bij aantallen (twee en een halve taart, maar ik heb er twee en een half). Zie over de oude manier van het tellen van halve eenheden → anderhalf.
Los hiervan staat een nu verouderd zn. mnl. halve ‘zijde’, nu alleen nog in samenstellingen en afleidingen, zie → -halve en → behalve. Ten slotte bestaat bij half het zn.helft, zoals lengte bij lang.
halva- voorv. ‘ongeveer de helft van de normale hoeveelheid vet en koolhydraten bevattend’. Nnl. in halvarine ‘variant van margarine met minder vet’ [1974; Koenen], halvajam, halvaprodukt [1982; Reinsma 1984]. Halvarine, een bedachte samentrekking van halfvollemargarine, is het oudste voorbeeld van een productnaam met halva-, deze half zo vette variant (40% vet in plaats van 80%) van margarine kwam in 1968 op de markt. Korte tijd later volgden naar voorbeeld hiervan de halvamel (halfvolle koffiemelk) en andere namen. ♦ halverwege bw. ‘op de helft van de afstand’. Nnl. halverwegs [1776; WNT], halverwege [1833; WNT]. Gevormd uit half en → weg 1, beide in verbogen vorm. Minder gebruikelijk is halfweg (nog wel in vier Nederlandse plaatsnamen Halfweg ‘plaats halverwege twee andere plaatsen’ [1745; van Berkel/Samplonius]) verouderd zijn varianten als ten halven wege (al mnl.), ter halver weg [1717; Marin NF], halfwege, halfwegs etc.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

halverwege, halverwegen bijw. Nnl., naast mnl. ten halven wēghe. Nnl. ook halfweg. Vgl. mhd. halben wëc, laat-mhd. ook halbwëg, nhd. halbwegs, mnd. halvewēge, halfwēge. Zie weg.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

halfweg, zal wel ospr. een accusatief zijn geweest met onverbogen bnw., tegenover de begrijpelijker datiefvorm in halverwege: v. Lessen Samengest. Naamw. 68.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

halverwege ‘midden op, midden in wat men aan het doen is, de helft van de weg afgelegd hebbend’ -> Negerhollands halfwē ‘midden op, midden in wat men aan het doen is, de helft van de weg afgelegd hebbend’.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal