Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

halveren - (in tweeën delen)

Etymologische (standaard)werken

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

halveeren ww., eerst nnl. Mhd. reeds halbieren en mnd. halvêren.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

† -e[e]ren suffix, ter vorming van ww. uit ofr. -er < lat. -âre, mnl. -êren, mnd. -êren, ofri. -êra, -êria, ook in de scand. talen ontleend. Hiernaast mnl. -ieren, mhd. -ieren (hd. -ieren) uit ofr. -ier. Ospr. alleen productief in ontleende woorden, later werden ook van ndl. woorden ww. op -e[e]ren gevormd, als boele[e]ren, halve[e]ren, hoere[e]ren, redene[e]ren, waarde[e]ren, vgl. ook trotse[e]ren. (Zie over een en ander W. de Vries Woordv. 190 vlgg.). Soortgelijk verloop in het Hd. De. Zw.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

halveren (vert. van Latijn mediare of Duits halbieren)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

halveren ‘in twee gelijke stukken verdelen’ -> Deens halvere ‘in twee gelijke stukken verdelen’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors halvere ‘in twee gelijke stukken verdelen’ (uit Nederlands of Nederduits).

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal