Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

-halve - (namens, wegens)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

-halve achterv. ‘namens, wegens’
Onl. in northhalvon, ōsterhalvon ‘ten noorden, oosten van’ [10e eeuw; W.Ps.], halva ‘zijde, kant’ in an allen haluon ‘aan alle kanten’ [ca. 1100; Will.], bōsthalf (= be-oost-half) ‘ten oosten van’ [1181-1210; Künzel]; mnl. halve ‘zijde, richting’ in in allent halven ‘aan alle kanten, overal’ [ca. 1350; MNW], van des godshus halven ‘uit naam van de kerk’ [1277; MNW].
Oorspr. een zn. bij → half, met de betekenis ‘zijde’. Als simplex is het woord in het Nederlands verdwenen, ten gunste van de afleiding → helft.
Os. halƀa (mnd. halve); ohd. halba (vnhd. Halbe ‘zijde, richting’; nhd. -halb(en) in dezelfde functie als in het nnl., halben (vz.) ‘wegens’); oe. healf ‘zijde, helft’ (ne. half ‘helft’); on. halfa ‘zijde, helft’ (nzw. halva); got. halba; < pgm. *halbō-.
De betekenis ‘zijde, kant, richting’ blijft in het Oud- en Middelnederlands in het algemeen beperkt tot de verbindingen met windrichtingen en allen, en zie ook → behalve (vergelijk daarbij Engels side ‘zijde, kant’ in besides ‘bovendien, behalve’). Gebruikelijk is in het Middelnederlands wel al de overdrachtelijke betekenis ‘vanwege, namens’, letterlijk ‘van de kant van’, in de vaste verbinding van + genitief + halven; bij voornaamwoorden ook zonder van, zoals → derhalve en de verouderde schrijftaalwoorden weshalve, uwenthalve, allenthalve. Als vereenvoudiging is hieruit, met dezelfde betekenis, het woordvormingsproces zn. + -s- + -halve ontstaan, dat ook nu nog steeds productief is, met name in verbindingen met abstracta op -heid, bijv. beleefdheidshalve [1735; WNT beleefdheid]. Verbinding met uitheemse woorden is zeldzaam, een uitzondering is coulancehalve in verzekeringsjargon.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

-halve* [achtervoegsel met de betekenis ‘kant, zijde’] {in bv. gods halven 1200} alleen nog in samenstellingen, een naamval van middelnederlands halve, half, alve, alf [zijde, richting, streek], van -halven [van de kant van], oudsaksisch halƀa, oudhoogduits halba, oudfries halve, oudengels healf, oudnoors halfa, gotisch halbahalf.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

-halve in samenstellingen als derhalve, mijnenthalve, ambtshalve is eigenlijk een nv. van mnl. halve ‘zijde, kant, opzicht’; hier vinden wij nog gescheiden in allen halven, van minen halven. — Dit woord halve beantwoordt aan os. halƀa, ohd. halba, ofri. halve, oe. healf ‘kant, zijde, richting’, on. halfa ‘deel, streek, kant; geslacht’, got. halba ‘zijde, deel, opzicht’. — Zie verder: half.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

-halve (in derhalve, mijnenthalve, ambtshalve e.dgl.). Oorspr. casus van mnl. halve v. “zijde, kant, opzicht”. In ’t Mnl. staat halve(n) op de grens van afzonderlijk woord en tweede compositie-lid; gew. gaat er een prepositie vooraf en wordt het als afzonderlijk woord geschreven: in allen(t) halven, van mînen(t) halven. Halven is dat mv. (ouder misschien enk.?). De t is secundair. Vgl. ohd. halb (mhd. halp, halbe, halben, nhd. halb, halben), dat ook al als postpositie = “-halve” gebruikt wordt. Mnl. halve znw. v. = ohd. halba, os. halƀa, ofri. halve (fon... halvon “van wege”), ags. healf v. “kant, zijde, richting”, on. halfa v. “deel, streek, kant (in af ... halfu “van wege” e.dgl.), geslacht”, got. halba v. “zijde, deel, opzicht” (in þizai halbai “in dit opzicht”). Verwant met half; oorspr. bet. “deel, dat door snijden ontstaat”. Zie behalve en voor de bet. van -halve vgl. wegens.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

-halve. De bet. is rechtstreeks uit die van half te verklaren, de bett. ‘helft’ en ‘kant, zijde’ gaan vaak samen, vgl. bv. russ. pol ‘kant; helft’, hong. fél ‚id.; id.’, fins puoli‚ ‘id.; id.’ (meded. Kern). Daarom is het niet juist, van een andere grondbet. uitgaande, het germ. woord met gr. kólpos ‘boezem’ te combineren (Güntert WuS. 11, 137), dat trouwens liever niet van welven gescheiden moet worden, of — vager nog — met gr. kálpis, kálpē ‘kruik, urn’, lat. calpar ‘wijnvat’ (uit gr. kálpē met lat. uitgang?), ier. cilornn ‘kruik’ (ibid. 138).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

halve voorz., Mnl. halven + Hgd. halben: eigenlijk dat. enk. en meerv. van ’t znw. halve, Os. halba + Ohd. halba (Mhd. en Nhd. halbe), Ags. healf (Eng. half in behalf), Ofri. halve, On. halfa, Go. halba = zijde, kant, afgel. van ’t bijv.nw. half: rechter en linker zijden zijn zooveel als rechter en linker helften; vergel. nog suff. -hande.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

-halve, bijv. in mijnenthalve, is het oude woord voor zijde, dus letterlijk ’t zelfde als mijnerzijds.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut