Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

halte - (stopplaats)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

halte zn. ‘stopplaats’
Vnnl. halte ‘stilhouding, het stoppen’ [1657; WNT], ook in de uitdrukking halte houden ‘stoppen’: men hield dan weder halte [1695; WNT]; nnl. halte “eene plaats zonder stationsgebouw, waar de trein een oogenblik stilhoudt om reizigers op te nemen en af te laten” [1872; van Dale], later ook stopplaats voor tram [1899; WNT veranderen] en autobus [1937; WNT Aanv. bus III].
Ontleend aan Frans halte ‘stopplaats voor treinen’ [1866; Rey], uit algemener ‘stopplaats’ [1794; Rey], dat door betekenisoverdracht ontstaan is uit ouder ‘stilstand, het stoppen’. In die betekenis kwam het oorspr. alleen voor in de combinatie faire halte ‘halthouden, stoppen’, ouder faire halt [1566; Rey], waarbij halt(e) net als Nederlands → halt als militaire term is ontleend aan Duits halten.
In de terminologie van de begintijd van de spoorwegen werden stopplaatsen onderscheiden in hoofdstations, stations (zie → station), halteplaatsen, stopplaatsen en overweghaltes, in volgorde van afnemende voorzieningen en treinstopfrequentie. Ook voor trams had men tramhaltes en tramstations. Tegenwoordig geldt zowel voor vervoer over rails als voor autobussen in het algemeen dat stopplaatsen met een gebouw station heten en stopplaatsen zonder noemenswaardige voorzieningen halte.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

halte [stopplaats] {1657} < frans halte < hoogduits halt (vgl. halt).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

halt 2 of halte znw. v. < fra. halte (sedert de 16de eeuw < nhd. halt).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

halt II, halte znw. Nnl. uit fr. halte. Dit uit hd. halt (zie halt I).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

halt, halte v. en tuss., over Fr. halte, uit Hgd. halt, imper. van halten = houden (z. hou 2).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

halte s.nw.
Plek langs 'n pad of treinspoor waar 'n voertuig vir kort rukkies stilhou om passasiers of vrag op en af te laai.
Uit Ndl. halte (1657).
Ndl. halte uit Fr. halte uit Hoogduits Halte.
Eng. halt (1910).

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

halte (Frans halte)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

halte ‘stopplaats voor openbaar vervoer’ -> Indonesisch halte ‘stopplaats voor openbaar vervoer’; Jakartaans-Maleis halté ‘bushalte’; Menadonees halte ‘stopplaats voor openbaar vervoer’; Sranantongo halte ‘stopplaats voor openbaar vervoer’.

Dateringen of neologismen

Nicoline van der Sijs (2015-heden), Jaarwoordenzoeker ‘Een woord uit elk jaar 1800-heden’, zie ook bij Onze Taal

locomotief [voorspan van een spoortrein] (1839). In 1839 werd de eerste spoorlijn van Nederland in gebruik genomen, tussen Amsterdam en Haarlem. In deze periode worden uit het Engels, waar de techniek vandaan kwam, de woorden bus, cokes (‘soort kolen’), locomotief, lorrie (‘laag en vlak dienstwagentje dat door mankracht kan worden voortbewogen’), rail, tender (‘kolenwagen’), tram, trein en tunnel geleend. Neerlandicus Jan te Winkel constateert in het gedenkboek Eene halve eeuw 1848-1898: “De spoorwegen zijn bij ons al een jaar of tien ouder, dan het midden onzer eeuw. Toch zijn de meeste woorden, die daarop betrekking hebben, eerst in de tweede helft der eeuw gevormd of algemeen in gebruik gekomen. De samenstelling locaalspoor dagteekent van omstreeks 1878. Nieuw zijn alzoo spoorwet, spoornet, spoorlijn, spoortrein, ook verkort tot spoor en tot trein, waarnaast goederentrein, sneltrein, bommeltrein (een te vergeefs bestreden germanisme), pleiziertrein en ten slotte zelfs harmonicatrein. Voor spoorwagen heeft men ook wagon, dat wat ouder, en coupé, dat wat jonger is. Vvoor kolenwagen gebruikt men ook tender. Station was niet nieuw, wel stationschef, evenals wisselwachter. Aan de Duitschers ontleende men halte, aan de Engelschen stoppen. Nieuw is retourbiljet, nieuwer rondreisbiljet, allernieuwst kilometerboekje. Ook de tram, aanvankelijk tramway en toen door het volk tramwáái genoemd, is bij ons nog geen vijftig jaar oud. Sinds er aanleiding was gekomen om van stoomtram te spreken, ontstond als tegenstelling ook paardentram. De oudere “omnibus” is er grootendeels, de “diligence” bijna geheel door verdrongen. Den vroegeren “char-à-bancs” kent niemand meer.”

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

halte stopplaats voor openbaar vervoer 1896 [WNT] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut