Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

halsstarrig - (koppig, onwillig)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

halsstarrig bn. ‘koppig, onwillig’
Vnnl. halsstarrig ‘koppig’ [1562; Deux Aes].
Ontleend aan Duits halsstarrig ‘id.’ [16e eeuw; Pfeifer], een afleiding van Halsstarre ‘koppigheid’, eerder al ‘stijve nek’ (als medische kwaal) en gevormd uit Hals, zie → hals, en Starre ‘starheid’, zie → star. De overdrachtelijke betekenis ontstond onder invloed van het bn. halsstarc (met → sterk), dat dezelfde oorspr. en figuurlijke betekenissen had als halsstarrig, in het Nederlands als halssterk werd ontleend, maar nu zowel in het Duits als in het Nederlands reeds lang verouderd is. Vergelijk ook → hardnekkig, uit ‘harde nek’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

halsstarrig [hardnekkig] {hals-starrigh 1599} < hoogduits halsstarrig [idem], van Hals (vgl. hals) + starr (vgl. star1).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

halsstarrig bnw., sedert 17de eeuw (Statenbijbel), die het woord als oostelijk aanduidt en inderdaad < nhd. halsstarrig letterlijk ‘een stijve nek hebbend’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

halsstarrig bnw., sedert Kil., die ’t woord “Sax. Sicamb.” noemt. Uit hd. halsstarrig, letterlijk “halsstarre d.i. een stijven nek hebbend”. Voor ’t tweede lid vgl. star.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

halsstarrig. Het znw. halsstarre komt mnd. voor.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

halsstarrig bijv., uit Hgd. id., met -ig van hals en star = stijf. Overigens naar 5 Mozes XXXI, 27.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

halsstarrig b.nw.
Hardnekkig, onbuigsaam, koppig, onversetlik, eiesinnig.
Uit Ndl. halsstarrig (1599). Eerste optekening in Afr. in Patriotwoordeboek (1902).
Ndl. halsstarrig uit Hoogduits halsstarrig, 'n afleiding van halsstarre 'stywe nek' of mntl. 'n samestellende afleiding met -ig van hals 'hals' en star 'star, styf', en beteken lett. 'met 'n stywe nek, hardnekkig'.
D. halsstarrig.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

halsstarrig (Duits halsstarrig)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Staren, denom. van star = stijf; verwant met ’t Skr. sthira = vast, sterk, en ’t Gr. stereos = hard; het woord w.d.z.: met stijve, strakke blikken op iets turen; ook: „star-oogen. Eveneens is verwant: halsstarrig = een stijven hals hebbende.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

halsstarrig hardnekkig 1542 [Claes Tw. 12] <Duits

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut