Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

hals - (nek)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

hals zn. ‘nek’
Onl. hals ‘id.’ [ca. 1100; Will.]; mnl. hals [1240; Bern.].
Os. hals (mnd. hals); ohd. hals (nhd. Hals); ofri. hals (nfri. hals); oe. heals (nu alleen nog Schots en ne. dial. hause; naast ne. neck, zie → nek); on. hals (nzw. hals; ne. hawse ‘kluis (scheepsterm)’); got. hals; < pgm. *halsa-.
Verdere etymologie onduidelijk. Verwanten zijn er alleen in het Latijn, Balto-Slavisch en Keltisch: Latijn collum ‘nek’ (zie → koltrui ‘halsboord’); Litouws kaklas ‘nek’; Middeliers coll ‘hoofd’. Mogelijk ontwikkeld uit pie. *kwol-so- bij de wortel pie. *kwel- ‘draaien’ (IEW 639; zie → wiel), waarbij de hals dus benoemd wordt als de plaats waar het hoofd draait. Voor de Germaanse woorden is de niet-klankwettige verdwijning van de labiaal (*kwol- > *kol-) dan onverklaard. Een andere mogelijkheid is pie. *kol-sos bij de wortel pie. *kelh3- ‘uitsteken boven’ (IEW 544, zie → hil), maar dat lijkt semantisch minder waarschijnlijk. Herkomst uit een voor-Indo-Europese substraattaal moet daarom, mede gezien de geografische verspreiding van het woord en het betekenisveld (lichaamsdeel), niet worden uitgesloten.
Een overdrachtelijke Middelnederlandse betekenis ‘leven’ en dus ‘lichaam, persoon’ bestaat nog als relict in de uitdrukking een onnozele hals, en zie hieronder.
halszaak zn. ‘gewichtige zaak’. Vnnl. hals-saecke ‘misdaad die met de dood strafbaar is’ [1599; Kil.]; nnl. het is geene halszaak ‘het is geen onvergeeflijke fout’ [1701; WNT]. Samenstelling met → zaak waarbij hals in de overdrachtelijke betekenis ‘leven’ is gebruikt., zoals ook in het verouderde halsrecht ‘recht over leven en dood van onderhorigen en onderdanen’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

hals* [keel] {1201-1250} oudsaksisch, oudhoogduits, oudnoors, gotisch hals, oudengels heals; buiten het germ. latijn collum [hals, nek], iers coll [hoofd], litouws kaklas [nek], lets kakls [nek]. De uitdrukking hals over kop [overhaast] betekent ‘kopje buitelend’, zodat de hals over het hoofd slaat. In om hals brengen staat hals voor ‘leven’, vgl. middelnederlands hals [fig.: het leven, het lichaam, een persoon].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

hals znw. m., mnl. hals, os. ohd. ofri. hals, oe. heals, on. got. hals. — lat. collus, collum (< *kolso) ‘hals’, celsus ‘hoog’ (Falk ANF 41, 1925, 120). — Dus alleen italisch-germ. (zie Krahe, Sprache und Vorzeit 75).

Minder waarschijnlijk is de verbinding met de idg. wt. *kel ‘draaien’ (waarvoor zie: wiel), daar uit idg. k in het germ. niet h zou ontstaan (IEW 639-40 aanvaardt echter deze etymologie). Dan zou de hals dus als ‘de draaier’ zijn benoemd.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

hals znw., mnl. hals m. = ohd. (nhd.) os. ofri. hals, ags. heals, on. got. hals m. “hals”. = ier. coll “hoofd”, lat. collum, oud-lat. ook collus “hals”. Volgens sommigen van de basis qel- “draaien” (zie wiel en vgl. obg. vratŭ “hals” van idg. wert- “draaien”), volgens anderen van qel- “hoog uitsteken”, waarvan o.a. got. hallus m. “rots”, ags. heall m. “id.”, on. hallr m. “helling” (ll uit ln), mnl. hil(le) m. (nog vla.; zeeuwsch en zuidholl. = “vlieberg”), ags. hyll m. (eng. hill), os. holm m. “heuvel”, mnd. holm (> nhd. holm) m. “eiland in een rivier”, ags. holm, m. “(hooge) zee”, on. holmr, holmi m. “eiland, heuveltje”, lat. celsus “hoog”, collis “heuvel”, columen, culmen “top”, gr. kolōnós “heuvel”, obg. čelo “voorhoofd”, lit. keliù, kélti “opheffen”, kálnas “heuvel”, oi. caṣā́la- “kapiteel van de offerzuil”, kū́ṭa- “hoorn, schedel, spits”. Uit ’t Germ. brengt men hier — zonder voldoenden grond — nog wel bij: on. hilla v. “plank”, de. hylde, zw. hylla “id.” en westf. hille v. (zie echter hal I).

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

hals. Tegen de afleiding van de basis van wiel vormt toch h < idg. q wel een bezwaar. — On. hallr m. = ‘rots’ (hallr ‘helling’ bij hellen).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

hals m., Mnl. id., Os. id. + Ohd. id. (Mhd. en Nhd. id.), Ags. heals, Ofri. hals, On. id., Go. id. + Lat. collum (d.i. *colsum) = hals, Oier. coll = hoofd, van Idg. wrt. kel = uitsteken, van waar bijv. excellere, Fr. excellent (z. halm). — Uit Germ. *halsberga, Fr. haubert.

Thematische woordenboeken

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

hals. In het Middelnederlands komt als zelfverwensing voor ic leghs minen hals teghen den dinen. Ik vermoed hierin een zelfverwensing die ijdel gebruikt werd en zich daardoor ontwikkelde tot meineed en vloek. De letterlijke betekenis zou kunnen zijn ‘ik verwed mijn leven tegen het jouwe (als wat ik zeg niet waar is)!’ Hals betekent ook ‘leven’. Vergelijk daarvoor de verouderde uitdrukking iemand om hals brengen. In een van de brieven van P.C. Hooft komt de elliptische zin voor “De plaegh op Uw hals!” Hier is onmiskenbaar sprake van een verwensing, die voluit luidt de plaag kome op uw hals. De betekenis laat zich licht raden: ‘krijg de pest!’ Ook zeventiende-eeuws is by mijn hals, een eed die tot krachtterm en vervolgens tot uitroep is geworden. Reeds in de Middeleeuwen komt de verwensing voor den hals moetti breken ‘breek je nek’. → plaag.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Halm is verwant met ’t Lat. calamus = riet en dit met culmen = spits, top, uitsteeksel (vgl. culmineeren); ook hals brengt men tot dit grondwoord, als uitstekend lichaamsdeel. – Halsstarrig is star (stijf) van hals, vgl. hardnekkig; en omhelzen = om den hals vatten.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

hals ‘keel; touw aan een onderhoek van het zeil, dienend om het loefwaarts staande lijk van het zeil naar voren en neerwaarts stijf te halen’ -> Deens hals ‘touw aan een onderhoek van het zeil, dienend om het loefwaarts staande lijk van het zeil naar voren en neerwaarts stijf te halen’; Noors hals ‘touw aan een onderhoek van het zeil, dienend om het loefwaarts staande lijk van het zeil naar voren en neerwaarts stijf te halen’; Zweeds hals ‘touw aan een onderhoek van het zeil, dienend om het loefwaarts staande lijk van het zeil naar voren en neerwaarts stijf te halen’ (uit Nederlands of Nederduits); Fins halssi ‘touw aan een onderhoek van het zeil, dienend om het loefwaarts staande lijk van het zeil naar voren en neerwaarts stijf te halen’ ; Pools hals, halsować ‘touw aan een onderhoek van het zeil, dienend om het loefwaarts staande lijk van het zeil naar voren en neerwaarts stijf te halen’; Russisch gals ‘touw aan een onderhoek van het zeil, dienend om het loefwaarts staande lijk van het zeil naar voren en neerwaarts stijf te halen’; Bulgaars gals ‘touw aan een onderhoek van het zeil, dienend om het loefwaarts staande lijk van het zeil naar voren en neerwaarts stijf te halen’ ; Oekraïens gals ‘touw aan een onderhoek van het zeil, dienend om het loefwaarts staande lijk van het zeil naar voren en neerwaarts stijf te halen’ ; Azeri gals ‘touw aan een onderhoek van het zeil, dienend om het loefwaarts staande lijk van het zeil naar voren en neerwaarts stijf te halen’ ; Lets halze ‘richting van een schip tegen de wind’; Litouws halsas ‘richting van een schip tegen de wind’; Negerhollands hals ‘keel’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

hals* keel 1080 [Rey]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

781. Hals over kop,

d.w.z. eigenlijk zeggen kopje buitelend, zóo dat de hals over het hoofd slaat, en daarna: op overhaaste wijze, ijlings; hd. über Hals und Kopf of Hals über Kopf; eng. heels over head; head over heels. Vroeger zeide men eers over bolle vallen, le cul pardessus teste (Goedthals, 134); over aars over bol, over hol over bol, hol over bol (vgl. hol bol over malkaar), over hoofd en hals, over hals over hoofd, over hals en kop, hoofd over hals; höl euver tröl (N. Taalg. XIV, 196); in het Zaansch thans: hoop over stoop, hoopstoops; V.d. Water, 89: huts over kop; in 't Oostvlaamsch hals over kop, over hals en kop (Joos, 57); in het Antw. hoofd over gat; in 't Westvlaamsch: eers over teers; hak over bak; hek over bek; kuul (fr. cul) over eersgat; eersgat over schijtgat (zie De Bo); heerd over steert (Waasch Idiot. 798); kop over gat (overhoop; Teirl. II, 173); hoop over soop; over hoop over soop; kul over eers; tuit over ende (Loquela 1884, 50); vgl. verder hals over nekke (Loquela 14, 4); hals over ooren (Gallée 16 a); kop over hals (in O.K. 166); in het Friesch: hol oer bol; hals oer de kop.

782. Zich iets op den hals halen,

d.w.z. zich zelven een last bezorgen, dien men moet torsen, een ongeval veroorzaken, zich iets berokkenen; in de 17de eeuw ook zich iets over den hals halen. Men moet hals hier opvatten in den zin van nek (zie Hooft's Brieven, 76). Weet men te maken, dat een ander dien last moet dragen, dat werk moet verrichten, dan schuift men hem dien last op den hals (vgl. Vondel's Gijsbr. v. Aemst. vs. 1624 en het 17de-eeuwsche iemand iets over den hals senden naast iemand iets of iemand op de hakken zenden); fr. mettre qqch. sur le dos de qqn., se décharger sur lui de la responsabilité; hd. sich etwas auf den Hals laden; einem etwas aufhalsen. Zie verder Lat. Versch. 259; Ndl. Wdb. V, 1540 en 1665-1666; vgl. no. 396 en Rutten, 152 a: Iemand in den nek krijgen, hem tot last hebben aangerand worden; iem. op den nek hebben, iemand moeten onderhouden; fri. him whet op 'e hals helje.In het fr. zegt men: avoir, se mettre qqch. sur les bras.

783. Om hals brengen,

d.w.z. om het leven (vgl. hd. Hals) brengen, eene beteekenis, die we thans nog terugvinden in enkele samenstellingen als halsrecht, halszaak, halsmisdaad, halsgeding, halsstraf; fri. om 'e hals, om 'e nekke bringe. De uitdr. om den hals brengen komt in de 16de eeuw voor bij Kiliaen: Om den hals brengen, obtruncare, necare, trucidare; den tegenwoordigen vorm vindt men in de 17de eeuw, toen men ook zeide iemand nekkenThans alleen als jagersterm of in den zin van iemand knauwen, iem. den genadeslag geven, gezegd van vermoeienis, zorg en tegenspoed (Ndl. Wdb. IX, 1821).; mnl. enen craghen.

Ook kon in de middeleeuwen hals de beteekenis hebben van het lichaam of den persoon, o.a. in de uitdr. een doode hals, d.i. een doode, een overledene, evenals thans nog in de uitdr. een onnoozele hals of ook een hals d.i. een stumperd, een bloed. Vgl. Sewel, 311: Een arme hals, a poor fellow. Zie verder het Ndl. Wdb. V, 1655; 1668-1669.

1911. Radbraken,

d.w.z. verknoeien, bederven, vooral van eene taal gezegd: slecht spreken, haar den hals breken; mnl. radebraken; hd. radebrechen (eine Sprache). Eig. beteekent dit wkw. op of onder een rad (de leden van een misdadiger) breken, kneuzen (vgl. ledebraken, ledebreken, verknoeien, en de uitdr. opgroeien voor galg en radMen lei soms latten onder de beenderen en knapte deze dan stuk door met een rad er op te stampen (Zwolsche Herdr. 18/20 aant. bl. 23). Nadat de verschillende ledematen stuk geslagen waren, werd het lichaam door de spaken van een rad gevlochten. Dat rad moest negen of tien spaken hebben en mocht te voren niet aan een wagen gebruikt zijn. Het rad werd met den misdadiger op een galg geheschen of in de zee geworpen (Frederiks, Het Oud-Nederl. Strafrecht I, bl. 385).; vgl. Lanc. II, 45020: Dat menne daer breken soude opt rat; Flor. 3479: Some riedense, dat mense hinge; some, dat mense op rade brake; Kiliaen: Braecken, vetus, j. breken, frangere, rumpere; radbraecken, rota torquere; rote insertum convellere noxium, et paulatim radiis rotarum convulsum lenta morte perimere; Plantijn: Raeybraken, casser et briser sur la roue, conquassere ossa in rota; dilaniare rotario supplicio; Halma, 528: Rabraaken, verknoeijen, bederven; Sewel, 661: De taal rabraaken, to speak a broken language; verder Grimm, Rechtsalterth. II, 265-267; Ndl. Wdb. III, 1001; 1005: 1230; VIII, 1205; Mnl. Wdb. VI, 942; Waasch Idiot. 543 en vgl. geradbraakt zijn; hd. gerädert sein; fr. être roué (de fatigue), zich afgemat en uitgeput gevoelen; ledebreken, zich zeer inspannen (17de eeuw en thans nog dial.).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal