Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

halleluja - tw. als lofkreet; (loflied)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

alleluja tw. als lofkreet; zn. ‘loflied’
Mnl. als allelua is gheseghet ‘wanneer het alleluja is gezegd’ [ca. 1350; MNW tract], halleluja [1637; Statenbijbel].
Via christelijk Latijn alleluia en Grieks allēlouīa ontleend aan Hebreeuws halləlū-yāh ‘loof de Heer’. De vorm met h- is rechtstreeks op het Hebreeuws gebaseerd.
De Statenvertaling nam halleluja als onvertaald Hebreeuws woord op. Dit is dan ook de gebruikelijke vorm gebleven binnen de protestantse kerk. In de katholieke eredienst is daarentegen de op het christelijk Latijn gebaseerde vorm zonder h- het gangbaarst. Bij uitbreiding betekent (h)alleluja ook ‘loflied (waarin dit woord gezongen wordt)’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

halleluja, alleluja [lofkreet] {alleluja ca. 1360?, halleluia 1561} < hebreeuws haləlū-jāh [looft God], van hillēl [loven] (vgl. hallel), jāh, verkorte vorm van JHWH, Jehovah [God].

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

halleluja: uitr. en “lofkreet”; Ndl., Hd. en Eng. halleluja(h), misk. via Fr. alleluia uit kerktaal (Lat. alleluia, Gr. allêlouia) uit Hebr. hallelu-Jah, (lett.) “prys (die) Here/God”.

Thematische woordenboeken

K. van Dalen-Oskam & M. Mooijaart (2005), Nieuw bijbels lexicon: woorden en uitdrukkingen uit de bijbel in het Nederlands van nu, uitgebreid met De Nieuwe Bijbelvertaling, Amsterdam

Halleluja, alleluja, (lett.:) looft de Heer; uitroep van lofprijzing en vreugde; (ruimer, ook ironisch) uiting van enthousiasme en blijdschap.

Zeer veelvuldig worden lofprijzingen, onder andere in de Psalmen, met deze uitroep afgesloten. Vooral als naam van een misgezang, een lofprijzing, werd alleluja in het Middelnederlands bekend. Buiten godsdienstig gebruik wordt de uitroep tegenwoordig wel toegepast in situaties van grote blijdschap of enthousiasme, mogelijk ook van triomf. Dit laatste klinkt door in de (eenmaal aangetroffen) samenstelling halleluja-verhaal, door kamerlid Paul Rosenmöller gebruikt om een zijns inziens ten onrechte juichend klinkend betoog van een collega-kamerlid te bekritiseren (Tweede Kamer, nov. 1995).

Liesveldtbijbel (1526), Psalmen 150:6. Alle wat aseme heeft, loue den HERE. Haleluia.
Snel daarna stonden de Engelse popbladen vol met verhalen over deze kwade meiden en voor de zoveelste keer werd hallelujah gekraaid. Eindelijk gebeurde er echt iets vernieuwends binnen de popmuziek. (Playboy, 1995, nr. 5)
Het evenwicht wordt op tijd hervonden. Eind goed, al goed. Achter de wolken schijnt altijd de zon. Halleluja. (NRC, 27-8-1999, p. 35)

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

alleluja (Latijn alleluia)
halleluja (Hebreeuws hallĕlū-yāh)

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

Halleluja. De letterlijke betekenis van dit woord is ‘loof de Heer’. Het is m.a.w. een instemmingsformule van de gemeente met de woorden van de voorganger en in dezen vergelijkbaar met het amen, kyrie en sanctus in de roomse eredienst. Het woord komt vaak voor als aanhef of besluit van psalmen, en daarbuiten ook in de paaszang. Het wordt in geval van ongeloof en verontwaardiging ook als vloek en uitroep gebruikt en heeft dan min of meer dezelfde connotatie als godverdomme.

R. Dozy (1867), Oosterlingen, verklarende lijst der Nederlandschen woorden die uit het Arabisch, Hebreeuwsch, Chaldeeuwsch, Perzisch en Turksch afkomstig zijn, 's-Gravenhage

Halleluja
Samengesteld uit den imperativus in ’t meervoud van den vorm piël, van het Hebr. werkwoord halal, prijst, en jâh, dat hetzelfde uitdrukt als Jehova (zooals wij verkeerdelijk uitspreken). Men moet niet zeggen halléluja, zooals velen doen en zooals men dikwijls bij onze dichters vindt, want de e is zoo kort mogelijk.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

halleluja ‘tussenwerpsel: lofkreet’ -> Indonesisch haléluya ‘tussenwerpsel: lofkreet’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

halleluja tussenwerpsel: lofkreet 1561 [WNT] <Hebreeuws

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal