Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

hal - (plek bevroren grond)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

hel2*, hal [plek bevroren grond] {1642, hal 1650} vgl. oudhoogduits hali, oudnoors hall [glad], hela [rijp]; buiten het germ. litouws šaltas [koud], oudkerkslavisch slana [rijp], oudindisch śiśira- [koud].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

hal 2 znw. o. ‘hardheid van de grond door vorst’, eerst nnl. bekend, maar stellig een oud woord; het staat in ablaut met ohd. hāli ‘glad’, oe. hāl-stān ‘kristal’, on. hāll ‘glad, glibberig’. — lit. šalù, šálti ‘vriezen’, šáltas ‘koud’; verder nog oi. śíśira- ‘koel, koud; begin van de lente; vorst’, lett. pāšalas ‘bevroren grond’, opr. passalis ‘vorst’, lit. pašolỹs ‘nachtvorst’, osl. slanŭ ‘rijp’. Van de idg. wortel *ḱel, die zowel ‘warm’ als ‘koud’ betekent (IEW 551).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

hal II (hardheid van den grond door de vorst, hardbevroren aardkorst) znw. o., eerst nnl. Kan òf met oi. çíçira- “koud, koude, vorst”, lit. szálti “koud worden”, szalnà, obg. slana “rijp” òf met ier. calath, -d “hard”, ksl. kaliti “ijzer door verhitten en dan afkoelen hard maken”, lat. callum, callus, oi. kiṇa- “eelt, verharde huid” verwant wezen. Ohd. hâli (nhd. dial. hahl, hähl), on. hâll “glad, glibberig” zijn wsch. niet verwant. Bij oi. çíçira- sluit zich on. hêla v. “rijp” aan, als ’t uit *χe-χl-ôn- of *χi-χl-ôn- ontstaan is.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

hal II (hardheid van de grond door vorst), is een specifiek noordndl. woord. Over een dial. bnw. hal, dat hiermee niets te maken heeft, zie bij schelm Suppl.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

hal 2 o. (bevroren plek), + On. héla = rijp + Skr. çiçiras = vorst, Osl. slana = rijp, Lit. szálti = vriezen.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut