Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

haksel - (wat fijngehakt is)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

hakken ww. ‘houwen, met een bijl, mes enz. in stukken slaan’
Mnl. hacken, haken ‘graven, spitten, delven’ [1350; MNW].
Mnd. hacken; ohd. hacchōn (mhd., nhd. hacken); ofri. hakia (nfri. hakje); oe. -haccian in tōhaccian ‘in stukken hakken’ (ne. hack ‘hakken’, zie → hacker); < pgm. *hak(k)ōn-. Hierbij de zn. mnl. hack ‘hakwerktuig’ (zie hieronder); os. hakka ‘houweel’; ohd. hacka ‘id.’ (nhd. Hacke).
Buiten het Germaans bestaan geen duidelijke verwanten. Mogelijk betreft het dus een woord uit de Noord-Europese groep substraatwoorden die onder → haak worden beschreven. Anderzijds kan het ook een variant < *keh2u- zijn van → houwen < pie. *kh2eu- (Kortlandt 1988).
hak 3 zn. ‘hakwerktuig’. Mnl. met sekele, met haecke of met houwen ‘met een sikkel, met een hak of met een houweel’ [ca. 1300; MNW sekele], eyn schup, spade, hacke of ander reitscap, dair men myt grevet [1477; Teuth.], vnnl. hacke ‘bijl’ [1599; Kil.]; nnl. hak. Eerder alleen als persoonsnaam, bijv. van Clais Hacke [1280; Debrabandere 2003], die wrsch. houthakker was. Vermoedelijk ontstaan vanuit het Duits of oostelijk Middelnederlands. ♦ haksel zn. ‘wat fijngehakt is; fijn gehakte stro of hooi’. Vnnl. hacksel ‘fijngehakte stro’ [1573; Thes.]. Afleiding met het achtervoegsel → -sel.
Lit.: F. Kortlandt (1988), ‘Vestjysk stød, Icelandic preaspiration, and Proto-Indo-European glottalic stops’, in: Languages and Cultures; Studies in honor of Edgar C. Polomé, 353-357

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

haksel ‘gehakt stro, hooi of groenvoer voor huisdieren’ -> Zweeds hackelse ‘gehakt stro, hooi of groenvoer voor huisdieren’ (uit Nederlands of Nederduits); Ests heksel ‘gehakt stro, hooi of groenvoer voor huisdieren’ (uit Nederlands of Nederduits); Frans dialect acsèl ‘gehakt stro dat men aan de paarden voert’.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut