Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

hakkelen - (stotteren)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

hakkelen ww. ‘stotteren’
Mnl. hackelen ‘uitsnijden’ [ackelen 1467-90; MNHWS], ‘klein maken’ [1477; Teuth.]; vnnl. hackelen ‘verscheuren; stotteren’ [1562; Naembouck], hackelen ‘fijnmaken; stotteren, aarzelen in de spraak’ [1599; Kil.].
Frequentatief van → hakken, dus letterlijk ‘herhaald hakken’, maar in die concrete betekenis verdwenen en nu uitsluitend nog in de overdrachtelijke betekenis ‘stotteren, met korte stoten spreken’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

hakkelen* [stamelen] {hackelen 1562} iteratief van hakken, vgl. middelnederlands hackelen [uitsnijden] {1467-1490} hackelinghe [verwarring, verwardheid] {ca. 1540}; de betekenis ‘stotteren’ is wrsch. ontstaan uit ‘in kleine mootjes blijven hakken’.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

hakkelen ww. ‘uithakken, stukhakken; stotterend spreken’, vgl. mnl. hackelen (oostnl.) ‘scheuren’, ne. hackle ‘hakken’, is een iteratief van hakken.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

hakkelen ww., dial. (wfri.) hakkeren. Frequentativum van hakken.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

hakkelen 1 o.w. (aan stukjes hakken), frequent. van hakken = houwen (z. hak 1).

hakkelen 2 ono.w. (stotteren), frequent. van een werkw. hakken, dat met hokken bijvorm is van hikken (z. hik).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

achelen, ww.: stotteren. Var. van Ndl. hakkelen.

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

hakkelen ww.: stotteren. Ook Vl. Vnnl. 1562 hackelen int spreken ‘beguoyer ou begueyer’ (Lambrecht), hackelen ‘stotteren, aarzelend spreken’ (Kiliaan). Freq. van hakken. Stotteren is a.h.w. ‘de taal in stukjes hakken’. De oorspr. bet. ‘verknippen’ steekt in Vnnl. 1562 hackelen int sniden ‘deschiqueter’ (Lambrecht); 1599 hackelen ‘in kleine stukjes scheuren’ (Kiliaan). 1567 den hals over noes afghehauwen ofte onheffen gheackelt, Gent (LC). Vgl. Ndl. gew. verhakkelen ‘verscheuren’.

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

hakkelen, ww.: stotteren. Vnnl. 1562 hackelen int spreken 'beguoyer ou begueyer' (Lambrecht); hackelen 'stotteren, aarzelend spreken' (Kiliaan). Freq. van hakken. Stotteren is a.h.w. 'de taal in stukjes hakken'. De oorspr. bet. 'verknippen' steekt in Vnnl. 1562 hackelen int sniden 'deschiqueter' (Lambrecht); 1599 hackelen 'in kleine stukjes scheuren' (Kiliaan). 1567 den hals over noes afghehauwen ofte onheffen gheackelt, Gent (LC). Vgl. Ndl. gew. verhakkelen 'verscheuren'.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

hakkel ww.
Met rukke of stote praat of lees.
Uit Ndl. hakkelen (1562), 'n iteratief van hakken 'opkap', so genoem na aanleiding daarvan dat iemand wat hakkel sy woorde en sinne opkap of opbreek. Eerste optekening in Afr. in Patriotwoordeboek (1902) in die vorm hakel.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

haggeln, hacheln, hakkeln kibbelen (Drente, Veluwe). ~ dev., geld. heggele ‘id.’ (= hgd. dial. häggeln ‘id.’). Iterativum bij hakken. Soortgelijke ontwikkeling is in nbrab. stechelen ‘ruzie maken’ naast steken.
Kocks 382-383, Bosch 16, Van de Water 84, ED 193.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

hakkelen, ww.: stotteren. Het woord is niet alleen Wvl. Vroegnnl. hackelen ‘titubare lingua, balbutire, haesitare lingua’ (Kiliaan); 1562 hackelen int spreken ‘beguoyer ou begueyer’ (J. Lambrecht). Freq. van hakken. Stotteren is a.h.w. ‘de taal in stukjes hakken’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

hakkelen* stamelen 1562 [Claes]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut