Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

hak - in de uitdrukking van de hak op de tak springen

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

hak 2 in van de hak op de tak
Nnl. alleen in de vaste verbinding van de hak op de tak (springen) ‘schijnbaar zonder verband van het ene onderwerp op het andere overgaan’, bijv. in haare gedagten zyn van den hak op den tak [1785; WNT], van den hak op den tak springende [1820-21; WNT]. Misschien hetzelfde woord als in in mijn bosschen heb ik takjes, mikjes, hakjes [1772; WNT].
Herkomst onzeker. Het laatste citaat staat in het WNT-corpus volkomen geïsoleerd en de betekenis van hakjes is er onduidelijk. Het WNT zelf denkt aan hak ‘soort van (haakvormige) boomtak’. Verband met → haak lijkt echter gezien de late attestatie onwaarschijnlijk. In de uitdrukking van de hak op de tak lijkt hak eerder te maken hebben met → hakken en zou dan oorspr. ‘de handeling van het hakken’ betekenen. De uitdrukking kan dan oorspr. ‘terugkomen op iets wat al afgehandeld is’ hebben betekend, vanwaar ‘ongeorganiseerd spreken/denken’ en ‘van het ene onderwerp (weer) naar het andere overgaan’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

hak4* in de uitdrukking van de hak op de tak springen [schielijk van de ene gedachte op de andere overspringen] {1819} schijnt hak te betekenen ‘een haakvormige tak’.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

hak 3 in de uitdrukking van de hak op de tak springen betekent het een door twee takken gevormde vork en als rijmwoord van tak uit haak ontstaan.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

hak II (van den h. op den tak springen). Jong woord, als rijmwoord bij tak gevormd, wellicht onder invloed van haak.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

hak 3 m., in van den hak op den tak is een redupl. van tak met gewijzigden beginklank gelijk hassebassen enz. In hak en zijn gemak een derg. redupl. van gemak dat bij makker behoort.

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

771. Van den hak op den tak springen,

d.w.z. ‘schielijk en zonder blijkbaar verband van de eene gedachte op de andere overspringen; van het eene onderwerp van gesprek op het andere overgaan’; Ndl. Wdb. V, 1536; Harreb. I, 273. Onder een hak moet men hier verstaan een soort van haakvormigen boomtak (zie o.a. Teirl. II, 8: hak, tak, haakvormige takFranck-v. Wijk, 226 meent dat hak als rijmwoord is gevormd bij tak, wellicht onder invloed van haak.). Vgl. Joos, 113 of Waasch Idiot. 620 a: van den tak op den boom springen; Schuermans, 173: van den hak op den tak vallen; van 't houtje op 't stokje springen (Harreb. I, 337); Eckart, 216: hei küemt vom Höltken upt Stöcksken; Dirksen I, 97: fan ên tak up de anner springen.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut