Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

hak - (hiel)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

hak 1 zn. ‘deel van een schoen, hiel’
Mnl. hacke ‘hiel’ [1444-50, kopie eind 16e eeuw; MNHWS], eyn hack an den voit ‘een hiel aan de voet’ [1477; Teuth.]; nnl. de hakken van uw schoenen [1784-85; WNT].
Een vanuit het oosten in de standaardtaal verspreid woord. Kiliaan (1599) noemt hak ‘hiel’ Fries, Saksisch en Brabants. Standaardtalig is het pas vanaf de 18e eeuw, maar dan alleen als aanduiding voor een deel van een schoen, namelijk dat deel dat zich onder de hiel bevindt. Als aanduiding van het lichaamsdeel hiel is het ook tegenwoordig nog vooral in Noord- en Oost-Nederland verbreid.
Mnd. hakke ‘hiel’; mhd. hacka ‘hiel’ (nhd. Hacke ‘hiel, hak’, maar in het zuiden onbekend, dus wrsch. verspreid vanuit het Nederduits; het gewone Duitse woord is Ferse, zie → verzen); nfri. hakke; < pgm. *hak(k)-.
Verdere etymologie onduidelijk, maar misschien een variant met geminatie van de groep substraatwoorden die onder → haak worden besproken.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

hak3* [hiel] {hacke [hak, hiel] <1444-1450>} middelnederduits, fries hakke, hoogduits Hacke, verwant met haak; vgl. oudhoogduits hahsa, oudfries hoxene [knieboog]; buiten het germ. latijn coxa [heup], oudiers coss [voet], oudindisch kakṣā [oksel].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

hak 1 znw. m. ‘hiel’, mnl. hac, hacke (zelden), Kiliaen hacke die het Saksisch, Fries en Brabants noemt, wat met de huidige bekendheid in het Oosten en het Noorden van ons land overeenstemt; vgl. mnd. hakke, nhd. hacke v., hacken m., fri. hakke. Het woord is in het nhd. overgenomen uit het nd. en reikt ook alleen tot in het oostelijk deel van ons land. — Het woord staat in abl. met on. hækill ‘kniegewricht aan achterpoot’. — lat. coxa ‘heup’.

Hoe verleidelijk deze etymologie ook moge zijn, zij stuit op het bezwaar, dat het woord slechts in een beperkt gebied van het continentaal-westgerm. bekend is. — Daarom is te overwegen of het niet een intensief vorm met kk bij haak is en dus het ‘omgebogen deel van het been of de voet’ aanduidt.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

hak I (hiel). In de volkstaal vooral in ’t Oosten en Noorden (saks. diall., Kampen, Veluwe, Maastricht; op Goeree naast hiel), mnl. (zelden) hac(ke) m. “hak, hiel”, bij Kil. hacke “Sax. Fris. Sicamb.”. = nhd. (eig. md. nd.) hacke v., hacken m. (in de 12. eeuw haken “calces”), fri. hakke “hak”. Directe verwantschap met ohd. hahsa (nhd. hachse, hechse), mnd. hesse v. “knieholte met spieren” [waarbij men gew. nnl. haas (ossenhaas) “vleezige massa, spiervleesch uit de lenden” brengt, dat ook met haas I geïdentificeerd wordt] is niet wsch., want dit had reeds idg. ḱs, vgl. ier. coss “voet”, lat. coxa “heup”, oi. kakṣâ-, kákṣa-”okselholte”, av. kaša- “oksel” (hierbij ook čech. kosina “vleugel”?), en ’t is te onzeker om germ. *χakka- via vóórgerm. *kokno- uit *qoḱsno- af te leiden. Veeleer is haak verwant: vgl. on. hø̂kill m. “knieholte bij een dier”. Zie hiel.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

hak I (hiel). Adde: mnd. hakke m. ‘hak, hiel’.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

hak 2 v. (hiel), + Hgd. hacke, verwant met haak; van denz. wortel zijn afgel. Ohd. hahsa (Mhd. hahse, Nhd. hachse) = knieboog + Skr. kakṣas = okselholte, Lat. coxa = heup, Oier. coss = voet; — een verder afleiding is Ags. en Ofri. hoxene = knieboog, Ndl. *hasen en haas (in ossenhaas) = heupstuk; — een ander afleiding is misschien hiel (z.d.w.).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

J. du P. Scholtz (1961), Afrikaanse woorde en uitdrukkinge - eiegoed of erfgoed?, uitgegee deur Edith H. Raidt, in: Tydskrif vir Geesteswetenskappe, pp. 235-290

Hak snw., Ndl. hiel, wat in Afrikaans onbekend is. – In verband met die hedendaagse geografiese verspreiding van die woord hak in die betekenis “hiel” in Nederland (sien Ndl. Wdb. V, 1539) is dit van belang om daarop te let dat ook Afrikaans alleen hak ken. Molenaer 184: hielen. Sp. Br. 735: korthielde volck.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

hak ‘hiel; schoenhak’ -> Zweeds hack ‘hiel’ (uit Nederlands of Nederduits); Indonesisch hak ‘schoenhak’; Jakartaans-Maleis hak ‘schoenhak’; Kupang-Maleis hak ‘schoenhak’; Sranantongo hak ‘schoenhak’; Surinaams-Javaans hag ‘schoenhak’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

hak* hiel 1444-1450 [HWS]

M. De Coster (1999), Woordenboek van Neologismen: 25 jaar taalaanwinsten, Amsterdam

hakken: de — in het zand zetten, zich verzetten; weerstand bieden; bij zijn standpunt blijven. Mogelijk ontleend aan de soldatentaal.

De bond vreest dat de SHB’ers de ‘hakken in het zand’ zullen zetten. (Trouw, 01/10/93)
Ondanks zijn felle kritiek is Van Tongeren niet de man die zijn hakken in het zand zet. (Elsevier, 30/11/96)
Als je dat wilt uitdragen en ook nationale waarden als tolerantie, weinig gezagsgevoeligheid — de klassieke liberale beginselen — wilt behouden, moet je niet zoals Bolkestein de hakken in het zand zetten, maar juist actief deelnemen aan het Europese integratieproces. (HP/De Tijd, 20/12/96)
De kamerleden zetten de hakken in het zand en verwezen het plan van de minister eensgezind naar de prullenbak. (Elsevier, 28/06/97)
Aanvankelijk waren de ziekenfondsen daar enthousiast over — directeurtje spelen met een gsm in een grote leasebak — maar nu de datum met rasse schreden nadert en ze beginnen te beseffen dat zij ook wel eens failliet zouden kunnen gaan, krabbelen ze terug en zet de brancheorganisatie Zorgverzekeraars Nederland de hakken in het zand. (Elsevier, 20/09/97)
De nieuwe VVD-lijsttrekker Van der Stek heeft al om een liberale burgemeester geroepen. De PvdA zet de hakken in het zand. (Vrij Nederland, 28/02/98)
Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

770. Iemand op den hak nemen,

d.w.z. iemand beetnemen, hem in het ootje nemen, er in laten loopen; waarschijnlijk eigenlijk iemand een beentje lichten, hem den voet lichten (zie aldaar) en vandaar een poets bakken, hem beetnemen; Ndl. Wdb. V, 1536; Jong. 125: Maak jij nou maar gauw dat je naar huis komt moeder, anders brandt je potje an. - Wel zeker, neem mijn nou op de hak; Landl. 269: Nee.... jij zal in Groot Mokum de Duvelshoek niet wete.... as je mijn op de hak neemt; Het Volk, 28 Jan. 1914, p. 2 k. 1: Schaper nam hem er geducht over op den hak; De Amsterdammer, 29 Nov. 1914, p. 3 k. 2: Het is allerminst waardig, mannen als onze veldpredikers op den hak te nemen.

772. Iemand op de hakken zitten (of zijn),

hetzelfde als iemand op de hielen zitten, d.w.z. iemand op zeer korten afstand volgen, doch inzonderheid gebezigd met betrekking tot vijanden, vluchtelingen en derg. en vandaar: dicht achtervolgen, nazitten. In de 17de eeuw, evenals nu, zeer gebruikelijk, ook met de werkwoorden hangen, volgen (vgl. in het mnl. enen up sine hielen hangen of volgen) en zijn. Zie Ndl. Wdb. V, 1540; Hooft, Ged. I, 111; Bank. II, 330; Vondel's Maeghden vs. 1566; vooral Huydec. Proeve, II, 129-130; Waasch Idiot. 188; Antw. Idiot. 524; vgl. ook de fri. uitdr. hja sitte him efter 'e hakken, de schuldeischers maken het hem lastig; bij Eckart, 180: enen up de Hacken sitten, waarmede te vergelijken is iemand achter de broek, - achter 't gat, achter zijn vessemen (Claes, 269) zitten, iemand narijen; fr. être sur les (ou aux) talons (ou aux trousses) de quelqu'un; talonner quelqu'un; eng. to be at (or upon) one's heels.

773. De hakken (of hielen) laten zien,

d.w.z. zich van iemand afwenden, hem in den steek laten, ‘hem het gat toekeeren’; fr. montrer le cul. Vgl. in het mnl. die hielen laten bliken; zie verder Servilius, 191: syn lappen laten zien; Sart. 4, 61: sijn hielen laten sien, vertaling van lat. volam pedis ostendereGr. το κοιλον του ποδος δειξαι.; Pers, 405 b: de hielen laten zien; met de hielen schermen (Huygens, Oogentroost, 565); Idinau, 182: sijn lappen toonen, syn. van het 17de-eeuwsche de hakken (hielen) bieden, en verder Harreb. I, 273 b; Erasmus, CCXLI. In het fri. hja litte jo de hakken sjen, zij willen niets meer van u weten; in het Groningsch: de hakken zijn loaten. In het hd. Fersengeld geben; eng. to show one's heels; fr. montrer les talons, le dos.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut