Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

haf - (achter een landtong gelegen stuk zee, strandmeer)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

haf zn. ‘achter een landtong gelegen stuk zee, strandmeer’
Vnnl. 't Water uyt de Oost-Zee krachtigh en hoogh in 't Haf by ter Memel in stortende [1670; WNT instorten]; nnl. de lagune of het Haff [1893; WNT schoorwal].
Ontleend aan Hoogduits Haff in dezelfde aardrijkskundige betekenis, i.h.b. ter aanduiding van de kustmeren aan de Duitse Oostzeekust.
Het Hoogduitse woord is ontleend aan mnd. haf. Datzelfde geldt voor ne. haff. De oude Germaanse betekenis van dit onzijdige woord is algemener ‘zee’: onl. ouer wilde haf ‘over de woeste zee’ [1174; Slicher van Bath] en ook ofri. hef; oe. hæf; on. haf (nzw. hav); < pgm. *hafa-.
De verdere herkomst van het woord is onzeker. De vormgelijkenis met de Germaanse woorden voor → haven lijkt geen toeval en traditioneel voert men beide woorden dan ook terug op de stam van pgm. *hafjan-, zie → heffen. Een haf zou dan ‘dat wat zich verheft’ > ‘hogere zee’ > ‘baai, inham’ zijn. Ook Cowan (1971) veronderstelt dat beide woorden dezelfde oorsprong hebben, maar dan in een voor-Indo-Europees woord *kapan(n)a, dat in Zuid-Europa voortleeft in woorden voor ‘beschutte plek’, zoals in Laatlatijn capanna ‘hut’, zie → cabine. Een variant *kapan zou dan als onzijdige -n-stam in het Germaans kunnen zijn overgenomen en na Germaanse klankverschuiving door syncope *hafan > *hafə > haf geworden zijn. Voor de betekenisontwikkeling moet dan ‘beschutte plek’ > ‘beschutte ligplaats voor schepen’ > ‘zee-inham’ > ‘zee’ worden aangenomen. Die laatste betekenisovergang is al oud, gezien de Oudnoordse (11e eeuw) en Oudnederlandse attestaties, en treedt ook op in het Keltisch, zie opnieuw → haven. De specifieke Middelnederduitse betekenis ‘zee-inham, strandmeer’ moet dan als relict beschouwd worden.
Lit.: Cowan 1971, 189-193

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

haf [strandmeer] {1670} < hoogduits Haff, doch reeds middelnederlands haf [zee, oceaan] {1174} middelhoogduits haf, oudfries hef, oudengels hæf [zee], uit het noordgerm., vgl. oudnoors haf [zee]; behoort vermoedelijk bij heffen, d.w.z. het rijzen van het tij → haven.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

haf znw. o. ‘strandmeer, vooral aan de Oostzee’ < nhd. haff en dit weer uit het Noordgerm. vgl. on. haf o., dat in verband met woorden als upphafzee’ en haf ‘het optillen’ af te leiden is van het ww. hefja, waarvoor zie: heffen. De zee werd zo genoemd naar het opkomen van de vloed.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

haf strandmeer 1670 [WNT instorten] <Duits

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut