Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

hachelen - (gulzig eten)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

hachelen [gulzig eten] {1895} < jiddisch achelen [eten], van hebreeuws ʼākhal [eten].

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

hachelen (je kan me de bout --) (Jiddisch achelen)

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

bout. De verwensing je kunt me de bout hachelen! drukt minachting en onverschilligheid uit. De betekenis is thans gelijk aan ‘loop naar de pomp’. Volgens het Bargoens woordenboek komt hachelen uit het Jiddisch achelen, dat ‘eten’ betekent. Letterlijk luidt de betekenis dus ‘je kunt mijn schenkel, poep eten’. De emotionele betekenis is ‘je kunt me nog meer vertellen, bekijk het maar, hoepel op’. Een verhaspeling van deze verwensing werd opgegeven door een zegsman uit het Limburgse Eijsden: je kunt me gebouwdhakkerd worden! kunnen, pomp.

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

333. Je kunt me de bout hachelen,

een verwensching, die zooveel wil zeggen als stik, steek de moord, je kunt voor mijn part verrekken, loop naar den duivel; vgl. Harreb. III, XLIV a: Hij (zij) kan voor mijn part den bout hachelen; Kmz. 206: Je kunt mij de bout haggelen; Lvl. 195: Hij kan me z'n bout haggelen, is de vent bedonderd. - D.H.L. 2: De Kapitein kon hun den bout hachelen; Maastrichtsch: de kins miech gebouthacheld weurde, je kunt me gestolen worden (N. Taalgids XIV, 196). Ook met weglating van bout in Slop, 190: Die kon hem ook hachelen! (die kon voor zijn part ook stikken). Het wkw. hachelen komt dial. voor in den zin van gulzig etenNdl. Wdb. V, 1502-1503; ook in 't fri. hachelje, kauwen, bikken.; vgl. 't Joodsch-Duitsch achelen, hachelen, eten (hebr. âkhal etenZie Kluge, Wtb. 5; Rabben, 16: acheln, essen, speisen; Horn, 87: acheln, essen; Teirlinck, Wdb. v. 't Bargoensch, 25: haggelen, avondmalen, eten; N. Taalgids X, 285; Tijdschr. v. Taal en Lett. VIII, 306.. Wat bout hier moet beteekenen, is me niet duidelijk. Er is toch geen verband te zoeken met bouten, cacare en boutkistje (privaat)?Zie Köster Henke, 11; Teirlinck, 8.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut