Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

haat - (diepe afkeer)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

haten ww. ‘een diepe afkeer hebben van’
Onl. haton ‘verafschuwen’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. haten ‘id.’ [1220-40; CG II, Aiol].
Os. haton (mnd. hāten); ohd. hazzēn, hazzōn (nhd. hassen); oe. hatian (ne. hate); on. hata (nzw. hata); got. hatan; < pgm. *hatōn-, *hatēn-. Daarnaast het causatief pgm. *hat-jan-, waarbij: os. hettian ‘haten, vervolgen’; ohd. hezzen ‘verjagen, opdrijven’ (nhd. hetzen ‘opjagen’, zie → hetze en → ophitsen); oe. hettan ‘vervolgen’. Bij deze stam als zn.: mnl. hat ‘diepe afkeer’ (zie hieronder); os. heti ‘vijandigheid, nijd’ (mnd. hāt(e)); ohd. haz ‘id.’ (nhd. Haß); ofri. hat, haet (nfri. haat, hate); oe. hete (ne. hate); on. hatr (nzw. hat); got. hatis (genitief?) ‘haat, nijd’; < pgm. *hati-.
Verwant met Oskisch cadeis (genitief) ‘vijandschap’; Grieks kḗdos (Dorisch kãdos) ‘bezorgdheid, smart’, kḗdein ‘pijn doen’; Avestisch sādra- ‘leed, onheil’; Middeliers caiss ‘haat’ (Welsh cawdd ‘nijd’); Tochaars kat ‘vernietiging’; < pie. *ḱeh2d- ‘zorg, haat’ (IEW 516).
Aan het Germaans ontleend is Oudfrans -hadir > Nieuwfrans haïr ‘haten’.
haat zn. ‘diepe afkeer’. Mnl. hat ‘id.’ [1201-25; CG II, Floyr.], maar meestal haet ‘id.’ [1240; Bern.] of hate [1287; CG II, Nat.Bl.D]. Ouder is de van het werkwoord afgeleide vorm onl. hatinga ‘id.’ [10e eeuw; W.Ps.]. De vorm hat is oorspronkelijk, de jongere vormen zijn ontstaan onder invloed van de gerekte a in de verbogen naamvalsvormen en in de werkwoordsstam van haten; dit is ook gebeurd in het Nederduits, Fries en Engels. ♦ hatelijk bn. ‘haat opwekkend; opzettelijk grievend’. Mnl. hatelec ‘haat of afschuw opwekkend’ [1240; Bern.]; vnnl. hatelick ‘met opzet grievend, beledigend’ [1624; WNT]. Afleiding van haten met het achtervoegsel → -lijk.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

haat* [diepe afkeer] {hate 1287, naast hat 1201-1225} afgeleid van haten, hangt samen met oudsaksisch heti, oudhoogduits haz, oudfries hat, oudengels hete, oudnoors hatr, gotisch hatis [toorn, haat]; buiten het germ. grieks kèdein [kwellen], oudiers cais [haat], welsh cas, bretons kas.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

haat znw. m., mnl. hāte v. (m.); daarnaast mnl. hat m. ‘haat, wrok’, os. heti, ohd. haʒ, ofri. hat, oe. hete ‘haat, wrok’ uit *hati- naast *hatiz in on. hatr ‘haat, vervolging’, got. hatis ‘haat, toorn’. — osk. cadeis (gen. enk.) ‘vijandschap’, gr. kē̃dos ‘zorg, smart’, kē̃dō ‘verwonden, krenken’, av. sādra- ‘leed, onheil’, miers caiss ‘haat’, toch. A kat ‘vernietiging’ (IEW 517). — Zie: haten.

Het mnl. hate is misschien een abstractum uit het ww. en niet een oud woord *hatōn. — Opmerkelijk is weer het samengaan van germ. en kelt. in de betekenis van dit woord.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

haat znw., mnl. hāte v. (m.). Wsch. niet uit een germ. *χatô(n)-, maar mnl. gevormd bij hāten (ndl. haten) = onfr. haton, ohd. haʒʒên, haʒʒôn (nhd. hassen), os. haton, ofri. hatia, ags. hatian (eng. to hate), on. hata “haten, vervolgen”, waarnaast got. hatjan, os. hettian “haten, vervolgen”, ohd. hezzen “tot toorn prikkelen” (nhd. hetzen). Ook ofri. haet, eng. hate “haat” zijn jongere znww. Ouder is mnl. hat m. “haat, wrok” = ohd. haʒ m. (eenmaal o.; nhd. hass m.), os. heti m., ofri. hat (ontl.?), ags. hete m. “haat, wrok”, wgerm. *hati-, misschien oorspr. een s-stam evenals on. hatr o. “haat, vervolging”, got. hatis o. “haat, toorn”. Met ablaut os. hôti “boos, vijandig”. Verwant met ier. cais “haat”, kymr. cawdd “toorn, verontwaardiging”, gr. kḗdos “smart”, waarbij nog wel lat. calamitas < cadamitas “schade”, osk. cadeis gen. “id., leed” zullen behooren (voor de bet. vgl. gr. kḗdō “ik bedroef, breng schade toe”). De verdere combinatie met av. sâdra- “leed”, dat op een basis ḱā̆d- wijst, is aannemelijker dan die met oi. kadana- “vernietiging”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

haat m., Mnl. hate nevens hat (verg. baar en barrevoets), Os. heti + Ohd. haʒ (Mhd. id., Nhd. hasz), Ags. hete (Eng. hate), On. hatr (Zw. hat, De. had), Go. hatis + Gr. kēdos = smart, Lat. calamitas = schade, Oier. cais = haat, We.. cawdd = toorn.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

haat ‘diepe afkeer’ -> Zuid-Afrikaans-Engels haat ‘afkeer jegens een bevolkingsgroep’ ; Negerhollands haet ‘diepe afkeer’; Papiaments † haat ‘diepe afkeer’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

haat* diepe afkeer 1287 [CG NatBl]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut