Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

haaibaai - (kijfzieke vrouw)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

haaiebaai*, haaibaai [kijfzieke vrouw] {haaibaai, haybay 1642} naast heibei (1642); reduplicatievorm van klanknabootsende aard.

heibei* [kijfzieke vrouw] {1682} variant van haaiebaai.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

heibei znw. v. ‘ruwe, kijfzieke vrouw’, gron. haibai, huibui, noordholl. hoiboi, haaibaai. — Een klankwoord met rijmvorming.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

heibei znw., dial. ha(a)iba(a)i, hoiboi. Noordndl. = “drukke of snibbige vrouw”, zuidndl. = “drukte”. Onomatopoëtische rijmformatie.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

haaibaaien ono.w. (drukte maken), onomat. redupl. met gewijzigden beginklank. Hieruit haaien = den baas spelen.

heibei v., bijvorm van haaibaaien.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

haiwie: (dial. v.) “lawaai”; hou wsk. verb. m. Ndl. heibei/ha(a)iba(a)i, “drukte”.

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

haaibaai: bazige vrouw die veel drukte maakt en steeds het laatste woord moet hebben; manwijf; feeks. Ook wel: haaiebaai, heibei. Reduplicatie.

Bij een erftante denkt men aan geld (symbool daarvan het licht-gele en okerkleurige fond); ze is in ’t schotsch (symbool daarvan de ruiten op het ‘kannetje’) en ze heeft de eigenschap ’n beetje, nou ja, ’n beetje haaibaai-achtig te zijn (symbool daarvan het grillige bloemlichaam). (De Groene Amsterdammer, 12/03/1916)
‘Je bent zeker bang voor die nette dame,’ opperde de haaibaai met angstige moed en snoot minachtend haar neus. (Jan Mens, Er wacht een haven, 1950)
Ik ben een haaibaai. (Angèle Manteau in Avenue, oktober 1968)

heibei: (verouderd) ruwe, luidruchtige vrouw; helleveeg*; feeks*. Zie ook haaibaai*.

Zij was nooit eene heibei, maar had gaarne haar’ zin, en dat heeft ieder een gaarne… (Betje Wolff, Historie van Mejuffrouw Cornelia Wildschut, of de Gevolgen der Opvoeding, 1793-1796)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

haaibaai ‘kijfzieke vrouw; (verouderd) drukte, gewoel’ -> Frans dialect oubouye ‘het gemeenschappelijk lezen van aren (gepaard gaand met veel drukte)’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

haaibaai* kijfzieke vrouw 1642 [WNT heibei]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut