Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

haai - (vis)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

haai zn. ‘vraatzuchtige vis’
Mnl. in haeybeten ‘door een haai gebeten’ in harinx ... wtgesteken haeybeten off onredelike stics ‘haringen ... uitgezonderd door haaien aangevreten of (anderzins) slechte exemplaren’ [1445-55; MNW], tanthay ‘haai (Latijn squarus)’, tanthaey ‘tandbrasem (Latijn dentrix)’ [1477; Teuth.], haye ‘haai’ [ca. 1485; MNHWS].
Ontleend aan Oudnoords há- ‘haai’, de stam en accusatief van hár. Een schriftelijke vorm ha is in het Nederlands niet gevonden; de eindklank /j/ moet al vroeg ontstaan zijn onder invloed van de verbogen vormen /hajə(n)/, waarin deze overgangsklank ontstaat. Oudnoords hár betekent ook ‘roerklamp’; indien dit geen toevallige homoniemen zijn, kan de haai zo zijn genoemd naar de vorm van de opvallende rugvin, gelijkend op een boven de rand van een boot uitstekend roer. Vermoedelijk behoort het woord dan tot de groep substraatwoorden die bij → haak worden beschreven.
Nhd. Hai [1624] (ook wel Haifisch), nzw. haj [1674] en nde. haj uit het Nederlands; in diverse Scandinavische dialecten ‘haai’ < on. há-; ook Schots hoe ‘haai’; voorts nijsl. háfisk met tweede lid ‘vis’, ook on. hákarl met tweede lid ‘kerel’ (nno. dial. håkall, waaruit Russisch akúla ‘haai’). Wrsch. < pgm. *hanh-u-, uit het substraatwoordcomplex bij → haak. Of ohd. huohili ‘kleine ploeg’, got. hōha ‘ploeg’ hier dan bij horen, zoals traditioneel wordt verondersteld, is onduidelijk.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

haai1* [vis] {haeybeten [door een haai gebeten] 1445-1455, tanthay 1477} ontleend aan het scandinavisch: oudnoors hár [ook: roerklamp], gotisch hoha [ploeg], oudhoogduits huohili [kleine ploeg]; buiten het germ. oudkerkslavisch sǫkŭ [tak], oudindisch śanku- [puntige stok, grote vis]; het dier is vermoedelijk genoemd naar de typerende rugvin, die gelijkenis vertoont met een door het oppervlak snijdende ploeg.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

haai 1 znw. m., laat-mnl. haey < on. hār, dat eigenlijk hetzelfde woord is als hār ‘roerklamp, dol’ en het dier dus naar zijn vorm aanduidt (zie E. Lidén, Fschr. Bugge 1892, 90-1). Dit woord hangt samen met got. hōha ‘ploeg’ en ohd. huohili ‘kleine ploeg’ en verder met oi. śanku- ‘spitse stok; grote vis, zeemonster’, osl. sąkŭ ‘tak’, miers gēc ‘tak’ (IEW 523). — > nhd. hai, nzw. hai en fra. haye (sedert 1671, zie Valkhoff 164).

Daarentegen wil H. W. J. Kroes GRM 36, 1955, 78 het on. woord hār < *hanha- met hengst verbinden en als oudste betekenis dus ‘springer’ aannemen.

haai [Aanvullingen De Tollenaere 1969]: zie Ts 85, 233 [1969].

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

haai znw., laat-mnl. haey m. Evenals schotsch hoe ontl. uit ’t IJsl.; vgl. on. hâr m., de. haa, zw. dial. “haai” < germ. *χaŋχa-: a(a)i is in overeenstemming met de ijsl. uitspraak. Uit ’t Ndl. weer nhd. de. hai, zw. haj. Wsch. verwant met oi. çaŋku- “een soort waterdier”, çakulá- “een soort visch”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

haai. Schrap de woorden: “a(a)i is in overeenstemming met de ijsl. uitspraak”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

haai v., gelijk Schotsch hoe, uit de IJslandsche uitspr. van On. hár (De. haa, Zw. hå): Ug. *haŋh- + Skr. çankuṣ = zeker waterdier, çakulas = zekere visch, Osl. sąkŭ = spruit, We.. cainc = twijg. Uit Ndl. Hgd. hai, De. hai, Zw. haj.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1haai s.nw.
1. Vraatsugtige seevis, waarvan sommige soorte groot en lewensgevaarlik is. 2. Hebsugtige, gulsige, inhalige persoon.
Uit Ndl. haai (Mnl. haeye, haey in bet. 1, 1856 in bet. 2), in bet. 2 so genoem omdat die hebsug, gulsigheid en inhaligheid van so 'n persoon aan die vraatsug van 'n haai herinner. Eerste optekening in Afr. in Patriotwoordeboek (1902).
Ndl. haai uit dialektiese Noors, Sweeds en Deens 'roerklamp' en Yslands hâr 'roerklamp', so genoem omdat die vis se rugvin, wat die wateroppervlak sny, aan die ou soort roer, wat bo die rand van die boot uitsteek, herinner.
D. Hai (17de eeu).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

haai I: versk. soorte visse (o.a. fam. Alopiidae, Carchariidae, Galeidae, Lamnidae, Pliotremidae, Rhineodontidae, Scylliorhinidae, Sphyrnidae, Squalidae); Ndl. haai (Lmnl. haey) wu. Hd. hai, hou verb. m. On. hār, verw. hoërop onseker.

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

haai: hebzuchtig, inhalig persoon. Vanwege de vraatzucht van dit dier. In zeemanstaal werd een schuldeiser ook een haai genoemd.

Distributie hier en daar en overal… geen centen onder de mensen, alles in de poten van kettinghandelaars, die haaien en wolven. (A.M. de Jong, Frank van Wezels roemruchte jaren, 1928)
Overal legt het algemeen belang het loodje tegen het winstbejag van pooiers, haaien en geldwolven. (Het Parool, 15/11/2002)

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

haai ‘roofvis’ (Oudnoor(d)s hár); ‘opgewekt door drugs’ (Engels high)

N. van der Sijs (1998), Geleend en uitgeleend: Nederlandse woorden in andere talen en andersom, Amsterdam

ansjovis, bokking, garnaal, haai, kabeljauw, labberdaan, maatjesharing, makreel, potvis

De meeste mensen denken bij Nederlandse leenwoorden in andere talen onmiddellijk aan maritieme termen. Ik betwijfel of het Nederlands inderdaad voornamelijk maritieme termen heeft uitgeleend, maar daarop kom ik elders nog wel eens terug. Dát er maritieme termen zijn uitgeleend, staat buiten kijf. Bijvoorbeeld aan het Duits. Laten we ons beperken tot visnamen. De Nederlandse benamingen ansjovis, bokking, garnaal, haai, kabeljauw, labberdaan, maatjesharing, makreel en potvis zijn door het Duits overgenomen als Anschovis, Bückling, Garnele, Hai, Kabeljau, Lab(b)erdan, Matjeshering, Makrele en Pottfisch. De meeste ontleningen zijn al oud: in de veertiende eeuw is makreel geleend, in de vijftiende eeuw bokking, in de zestiende eeuw garnaal, in de zeventiende eeuw zijn ansjovis, haai, kabeljauw en labberdaan geleend, en in de achttiende eeuw maatjesharing en potvis.

Enkele van deze visnamen zijn in het Nederlands gevormd, maar de meeste hebben wij zelf ook weer geleend. De zee is van oudsher een ontmoetingsplaats geweest voor verschillende volkeren die verschillende talen spraken. De taal van de zee is dus altijd internationaal geweest, al in de klassieke Oudheid, toen de Middellandse Zee het middelpunt van de westerse wereld vormde. De mediterrane handelstaal die daar ontstond, kreeg in de zestiende eeuw zelfs een speciale naam, lingua franca, wat Italiaans is voor ‘Franse of Frankische taal’. De woordenschat van deze taal bestond voornamelijk uit Italiaanse woorden met versimpelde uitgangen, en leenwoorden uit het Frans, Spaans, Grieks, Arabisch en Turks. Met ‘Franse’ taal bedoelden de Arabieren en de andere gebruikers waarschijnlijk ‘Europese’ taal. Ook in de noordelijke zeeën ontmoetten vissers van allerlei nationaliteiten elkaar, en ook hier ontstond een speciale gemeenschappelijke woordenschat. De visnamen kunnen dit illustreren; het is leerzaam de wegen te volgen die ze afgelegd hebben.

‘Echt’ Nederlands zijn bokking, maatjesharing en potvis. De herkomst van de naam van de gerookte haring, bokking, vroeger ook wel boksharing, heeft Kiliaan in 1599 al uiteengezet. Het woord is afgeleid van de dierennaam bok ‘a foedo odore’ — vanwege de onaangename geur. De uitgang -ing wordt vaak bij visnamen gebruikt, denk aan haring, paling, spiering, wijting. In het Middelnederlands was de vorm buckinc (een bok heette toen ook buc), en het woord is het eerst in 1285 gevonden. De Middelnederlandse vorm wordt nog weerspiegeld in de oudste Duitse vorm bückinc. De l is in het Duits waarschijnlijk toegevoegd naar analogie van andere Duitse mannelijke woorden op -ling, zoals Schilling en Weißling ‘wijting’.

Kiliaan gebruikte in 1599 maeghdekens haerinck met als omschrijving ‘halec prima virginea, [...] lactibus et ovis carens’, letterlijk: eerste maagdelijke vismengsel zonder melk (hom) of eieren (kuit). Hieruit blijkt dus de herkomst van maatjesharing: het eerste deel is maagd, en maatjesharing is dus zeer jonge haring, waarbij de hom of kuit nog niet ontwikkeld is. Het Duits heeft het woord op de klank overgenomen, zonder dat de oorsprong ervan werd onderkend.

De potvis, wiens naam voor het eerst in 1634 is aangetroffen, is een enorm dier dat behoort tot de walvisachtigen en door zijn omvang groot respect afdwong. Potvissen spoelden ook vroeger al op het strand aan. Het dier heeft een logge, van voren afgeplatte kop. Uit de oude variant potshoofd blijkt, dat het hieraan zijn naam te danken heeft: de kop van het dier werd vergeleken met een pot. Vroeger noemde men het dier ook wel potswal of potwalvisch. Het Duits heeft beide vormen van ons overgenomen en kent dan ook zowel Pottfisch als Pottwal.

De andere visnamen zijn geleend uit talen waarmee wij op zee contact hadden. Ansjovis hebben we overgenomen uit Spaans anchoa, ouder anchova. De oudste Nederlandse vorm, in 1518, luidde anchiovis. Door volksetymologie heeft het woord bij ons de uitgang -vis gekregen en in die vorm is het door het Duits overgenomen.

Haai is een leenwoord uit het Noorden. We hebben het ontleend aan Oudnoors hár, en wel in de tweede helft van de vijftiende eeuw. De Duitsers hebben het weer van ons overgenomen, aanvankelijk uit reisverhalen, want veel haaien zwommen er niet in de Noordzee. Het Duits heeft Hai ook ter verduidelijking uitgebreid tot Haifisch.

Over de herkomst van kabeljauw hebben verschillende wnt-redacteuren zich het hoofd gebroken, maar desondanks is het probleem nog niet opgelost, en of dat ooit zal gebeuren is de vraag. Het probleem van deze oude visnamen is, dat zij in zoveel talen voorkomen en — door de mondelinge overdracht van taal tot taal — in zoveel verschillende vormen, dat het bijkans onmogelijk is de herkomst te bepalen. De oudste vorm, uit 1272, luidde cabellau. Andere vormen waren cabbeliau, cablau. Al in 1163 werd het woord in het middeleeuws Latijn genoemd: in een in Vlaanderen geschreven stuk is sprake van centum cabellauwi ‘honderd kabeljauwen’. Vanaf eind zestiende eeuw kwamen ook vormen voor als bak(k)eljauw, bakelauw.

De eerste wnt-redacteur die zijn tanden in het probleem van de herkomst van kabeljauw heeft gezet, was de bekende lexicograaf Matthias de Vries. In een noot bij een artikel uit 1870 wijst hij erop dat de kabeljauwvisserij voor de Basken een belangrijk middel van bestaan was, en dat zij al vroeg in de verre zeeën bij Newfoundland op kabeljauw visten. Daarom meent hij dat bakkeljauw geleend is uit Baskisch bacallaoá. De vorm kabeljauw zou ontstaan zijn door omzetting van bak in kab.

wnt-redacteur C.C. Uhlenbeck was het hiermee niet eens. In een artikel uit 1892 meende hij dat juist andersom de Basken hun woord aan ons kabeljauw hebben ontleend, en dat de omzetting van kab in bak in het Baskisch heeft plaatsgevonden, waar dit verschijnsel vaker optreedt. Vervolgens zou het Nederlands de omgezette vorm teruggeleend hebben uit het Baskisch, vandaar de vorm bakkeljauw. Maar waar kwam het oorspronkelijke kabeljauw dan vandaan? In de ogen van Uhlenbeck moest de oorsprong in het Russisch gezocht worden, en wel in de — overigens slechts door hem aangenomen — benaming koblovaja (ryba). Ryba betekent ‘vis’ en koblovaja is een afleiding van kobl ‘paal, staak’; de vis zou dus in het Russisch letterlijk ‘stokvis’ heten. De o in de eerste lettergreep is onbeklemtoond en wordt in het Russisch als a uitgesproken.

Uhlenbeck wist de taalkundige wereld niet te overtuigen. In 1927 waagde zijn collega Kluyver een volgende poging. Zijn artikel bevat veel mitsen en is voornamelijk gebaseerd op gereconstrueerde vormen, wat de argumentatie er niet sterker op maakt. Naar zijn mening is de Baskische vorm ontleend aan Spaans bacal(l)ao, een mening die men tot op heden is toegedaan. Maar de redenering die hij dan ontvouwt, vindt tegenwoordig geen aanhang meer. De Spaanse vorm zou volgens hem teruggaan op een niet gevonden middeleeuws Latijnse vorm baccallanus, baccallaris ‘geestelijke’. Deze naam zou later overgedragen zijn op de vis (zoals in het Frans capelan de naam voor een kleine vis is). Dit woord zouden wij van Spaanse of Baskische vissers overgenomen hebben. Daarnaast zouden wij Franse visnamen kennen die beginnen met ca-, zoals cabot, chabot, wat een afleiding is van Latijn caput ‘kop’; de vis is dus eigenlijk de ‘dikkop’. Vervolgens zouden wij bakeljauw en cabot met elkaar verward hebben, met als resultaat kabeljauw.

In zijn etymologisch woordenboek van 1991 verwijst wnt-redacteur De Tollenaere deze verklaring definitief naar het rijk der fabelen. Spaans bacalao is pas sinds 1519 bekend, dus hoe zou kabeljauw, dat al in de twaalfde eeuw voorkomt, een omzetting van dit Spaanse woord kunnen zijn? Maar wat is dán de herkomst van kabeljauw? Sommige romanisten hebben als oorsprong Gascons cabilhau aangewezen, dat een afleiding van cap ‘kop’ zou zijn, maar de meeste romanisten menen toch dat de Romaanse vormen allemaal aan het Nederlands ontleend zijn, omdat het woord het eerst in Vlaanderen is gevonden. De vraag naar de herkomst van het woord staat dus nog open.

De herkomst van bakeljauw lijkt inmiddels wél duidelijk. Dit woord is, via Spaanse of Baskische vissers, ontleend aan Spaans bacalao (waarbij we in het midden laten waar dit dan vandaan komt). Het woord bak(k)eljauw voor ‘kabeljauw’ is uit het Nederlands verdwenen, maar wordt in het Surinaams-Nederlands nog veel gebruikt voor ‘sterk gezouten, gedroogde en weer opgeweekte kabeljauw, schelvis of heek’, en zo heeft het woord bij ons zijn rentree gemaakt.

Ook de labberdaan, de gezouten kabeljauw, heeft heel wat pennen in beweging gebracht. De conclusie luidt, dat we de labberdaan ontleend hebben aan een Franse vorm labourdan. Dit woord is afgeleid van Le Labourd, de naam van een deel van het Baskenland waarvandaan de Basken op kabeljauw gingen vissen bij het verre Newfoundland. De Basken zoutten de vis in, om hem tijdens de lange reis goed te houden. De oudste vormen in het Nederlands waren abberdane (de l- werd beschouwd als het Franse lidwoord l’) uit 1510 en habourdaen uit 1514. De vorm labberdaen is voor het eerst in 1618 gevonden.

Het woord makreel heeft een verrassende geschiedenis. Het is zijn loopbaan waarschijnlijk in het Nederlands begonnen als makelaar ‘tussenhandelaar’. Dit makelaar is door het Frans geleend, alwaar het de vorm maquerel ‘koppelaar’ kreeg (tegenwoordig maquereau). Vervolgens is dit woord overgedragen op de vis; de vorm makerel ‘makreel’ dateert van 1140. Volgens het volksgeloof volgt de makreel namelijk de jonge haring, de maatjesharing, en brengt de mannetjes en wijfjes bij elkaar, koppelt ze. Zo kreeg maquerel in het Frans twee betekenissen: ‘koppelaar, pooier’ en ‘makreel’. In die laatste betekenis werd het in het Nederlands teruggeleend in de vorm makreel, gevonden in 1270 als makerreel. En laat makreel nu in het Bargoens de betekenis ‘pooier’ hebben!

De herkomst van garnaal ten slotte is niet zeker. Het Woordenboek der Nederlandsche Taal geeft vele suggesties, maar beëindigt het artikel met de verzuchting: ‘[...] waaruit genoegzaam blijkt, dat de oorsprong des woords nog niet is opgehelderd.’ Het woordenboek van De Tollenaere geeft eveneens een aantal, deels weer nieuwe, suggesties, maar acht het gezien de oudste vorm gheernaert (omstreeks 1530) het meest waarschijnlijk dat het woord teruggaat op de persoonsnaam Geernaert, die aan het middeleeuws Latijn is ontleend. Dieren krijgen wel vaker een persoonsnaam, denk bijvoorbeeld aan keeshond, pietje voor een kanarie (dit kan ook klanknabootsend zijn) en misschien pier ‘worm’. Naast de vorm garnaal (1657) kenden we vroeger ook garneel, en die vorm is terug te vinden in Duits Garnele.

Tot zo ver de herkomst van de visnamen. Nu de verbreiding. Hebben behalve het Duits nog andere talen deze Nederlandse woorden geleend? Jawel. Zo vinden we bijvoorbeeld — de opsomming is niet uitputtend — ansjovis ook in het Russisch (ančous) en Fries (ansjofisk). Het woord komt ook voor in het Engels (anchovy) en Frans (anchois), maar deze talen hebben direct uit het Spaans geleend, niet via het Nederlands. De bokking heet in het Fries bokking en in het Zweeds böckling, dat blijkens de l geleend is via het Duits. De Friezen noemen de garnaal onder andere garnaal, garneel, de Engelsen gebruikten in het verleden garnel, gernel. De haai is door het Zweeds en het Deens overgenomen als haj, wat opmerkelijk is omdat wij het woord uit het Oudnoors, de voorloper van de Scandinavische talen, hebben geleend! In verouderd Engels werd hij haye genoemd, en de Friezen zeggen nog steeds haai. De kabeljauw vinden we terug in Frans cabillaud, Engels cabilliau (geleend via het Frans), Fries kab(b)eljau, Zweeds kabeljo en Deens kabliau. De Russen noemen de labberdaan een laberdan. De Denen hebben maatjesharing gedeeltelijk vertaald: in matjessild is sild het Deense woord voor haring. In het Engels is maatjesharing verkort tot matie. De makreel vinden we terug in Zweeds makrill, Deens makrel, Noors makrell, Fries makriel en Russisch makrel’ (Engels mackerel is uit het Frans geleend). De potvis ten slotte heet in het Fries potfisk en werd in het Engels vroeger wel pot-fish genoemd.

Hiermee lijkt wel bewezen dat in het verleden ook in de noordelijke zeeën een lingua franca gesproken werd, en dat het Nederlands in de woordenschat van deze lingua franca een niet te onderschatten rol gespeeld heeft.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

haai ‘kraakbeenvis; vinnig iemand’ -> Fries haai ‘kraakbeenvis’; Engels † haye ‘kraakbeenvis’; Duits Hai, Haifisch ‘kraakbeenvis’; Deens haj ‘kraakbeenvis; vissersboot; hebberig iemand’; Noors hai ‘kraakbeenvis’; Zweeds haj ‘kraakbeenvis; onbeschaamd persoon’; Fins hai(kala) ‘kraakbeenvis’ ; Ests hai ‘kraakbeenvis’ (uit Nederlands of Duits); Frans dialect haye ‘kraakbeenvis’; Negerhollands hāi ‘kraakbeenvis’; Creools-Engels (Maagdeneilanden) hai ‘kraakbeenvis’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

haai kraakbeenvis 1445-1455 [MNW] <Oudnoor(d)s

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

740. Naar de haaien gaan of zijn,

d.w.z. te gronde gaan, onherroepelijk verloren zijn, dood zijn (zie o.a. Nkr. II, 17 Mei p. 3; VI, 16 Nov. p. 2; Kmz. 27) of naar de pieren gaan, zooals de Vlamingen zeggen (ook in Twee W.B. 95), naar kapitein Jas gaan (Indië; Harreb. I, 357; Ndl. Wdb. VII, 228). Oorspr. van een over boord gevallen of gezetten matroos gezegd; vgl. het eng. to go to the dogs; hd. vor die Hunde, die Hühner gehen en de synonieme uitdr. naar den kelder gaan of kelderen (in Nkr. VIII, 31 Jan. p. 2), noa beppe's kelder - (Molema, 29), naar grootje -, zijn ouwe moer -, ad patres gaan; naar de pieltjes of pieleendjes (Harreb. III, CXLVI); naar de knoppen, klooten, kwaartjes, vaantjes zijn (Rutten, 115 b; Antw. Idiot. 680; 671; 730; 1308); naar den dieperik gaan; naar den kabeljauw zijn; naar den kabeljauwkelder trekken (= verdrinken; Waasch Idiot. 173 b; 318 a; Ndl. Wdb. VII, 806); naar de kiele zijn (Landl. 6; S. en S. 6); naar 't pierenland, bij Peerken den dood zijnDe Cock, Volksgeneeskunde in Vlaanderen, bl. 337., naar 't Pierengeland gaan ('t Daghet XII, 142; Tuerlinckx, 500); in 't pîrkesland gân (Woeste, 200 a); na de bômkes gân (Korrespblatt XXIII, 33). Vgl. no. 741.

741. Voor de haaien zijn,

eigenlijk tot een prooi voor de haaien zijn, en vandaar onherroepelijk verloren; Harreb. I, 265; Nkr. VI, 11 Mei p. 2; Het Volk, 14 Juli 1913, p. 6 k. 3; fri. hy is for de haijen. Vgl. voor de poes; voor de pielekes (= kuikens of jonge eenden) zijn (Opprel, 77 a; Molema, 322 b; Gunnink, 95; Van Weel, 131; Woeste, 198 a; Ten Doornk. Koolm. II, 717 b); bij de mieren zijn (C. Wildsch. VI, 98); voor de pieren zijn (Harreb. II, 180 b); eng. to be cast at the cocks.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut