Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

haagwinde - (Calystegia sepium)

Thematische woordenboeken

F. Kok (2007), Waarom brandnetel?, Nieuwegein

Haagwinde, Calystegia sepium
Calystegia: is afkomstig van het Griekse woord kalyx = bloemkelk, en stege = omvatten of insluiten, omdat de bloemkelk door twee grote schutbladen is omsloten.
Sepium: komt van sepe = heg of haag, omdat de plant zich aan heggen of hagen al windend en rankend optrekt.
Haagwinde: de Nederlandse naam 'haag' is gelijk aan het Latijnse 'sepium. Winde slaat op het windend en rankend optrekken van de plant aan heggen of hagen.

H. Kleijn (1970), Planten en hun naam: Een botanisch lexicon voor de Lage Landen, Amsterdam

Calystégia | Calystégia sépium: Haagwinde
De naam van het geslacht Calystegia is afkomstig van het Griekse kalyx: bloemkelk, en stege: omvatten of insluiten, omdat de bloemkelk door twee grote schutbladen is omsloten. Deze laatste hoedanigheid was aanleiding om het nieuwe geslacht Calystegia op te stellen. Vroeger waren de soorten die thans in dit geslacht zijn ondergebracht, ingedeeld in het geslacht Convolvulus (Winde).
De soortnaam sepium komt van sepes: heg of haag, omdat de plant zich aan heggen en hagen al windend en rankend optrekt. Dat een algemeen voorkomende plant, met opvallende grote, witte klokvormige bloemen, vele volksnamen bezit, is niet verwonderlijk. Behalve Haagwinde komt Hagewinde en Heggewinde op vele plaatsen in ons land voor. In Friesland spreekt men van Hageklokje; men verbindt de grote klokvormige bloem met haar voorkomen in hagen. Het winden of ranken van de lange stengels vindt men ook terug in Heggerank, de naam voor deze plant in de Betuwe en Zuid-Limburg. Er bestaat ook een plant met de ‘officiële’ naam van Heggerank (Brynia dióica, zie aldaar). Een naam die attendeert op de lange stengels is die van Heggetouwe op Schouwen. Dodonaeus schrijft onder meer over deze soort: ‘Sommighe heeten dat oock hedendaechs in Latijn Campanella, dat is Glocxken, Funis arborum, om dattet sich om de boomen als een touwe oft coorde bindt.’
De volksnamen verbonden met winde zijn aanmerkelijk groter in getal dan de reeds genoemde. We zullen deze voor zich zelf sprekende volksnamen zonder meer laten volgen: Bewinde, Breewinde, Bruwind(e), Draaiwinde (Draai zoals de plant ook genoemd wordt is beter dan Draaiwinde, want bij deze naam is het eigenlijk dubbelop: draaien en winden), Grote Bewinde, Grote Klokwinde, Grote Winde, Veldwinde, Windom en Windsel. Andere namen die op het ranken of klimmen duiden zijn: Klimop in het graafschap Zutphen, op Voorne en Beierland en in het Land van Hulst. In Waterland spreekt men van Klimplant, een naam waarmede men alle kanten uit kan, en die op elke rankende of klimmende plant kan slaan. Verder komen we nog namen tegen als Rierank of Rinkrank in Zuid-Limburg en Slingerroos in West-Friesland. De toevoeging van roos moet men hier opvatten in de betekenis van bloem. Dit slingeren door de heg en het geheel tot een warboel maken gaf aanleiding tot de naam van Haspeltakken in Boxtel. Om op een echte volksnaam als Rinkrank en, als verbastering, Rierank terug te komen, het volgende: dit rink is een oude benaming voor kring of kromme lijn en wijst duidelijk op de windende beweging van de rank of stengel.
Namen die wel zeer duidelijk attenderen op de vorm van de bloem en die geen nadere toelichting van node hebben, zijn: Pispot, Pispotjes, Piespotje en Grote pispot. Deze namen zijn trouwens algemeen verbreid. Men vindt ze zowel in het noorden en zuiden als in het oosten en westen van ons land. Omdat deze bloem maar kort bloeit en slechts overdag open is, is de naam Dagbloem ontstaan. De naam Daglelie, die niet meer in omloop schijnt te zijn, zou misschien terug te brengen zijn op Plinius, want in zijn Historia naturalis vergelijkt hij de Convolvulus met een lelie. Hij wees tevens op het feit dat de bloem geen geur verspreidt. Dat een dergelijke plant, die zich met haar kronkelende, windende en rankende lange stengels door heggen en struiken slingert en het geheel onontwarbaar maakt, wel iets met de duivel te maken zou hebben, was oudtijds veelal een uitgemaakte zaak. Daarom zal ons de naam Duivelsnaaigaren niet verwonderen. Namen verbonden met of betrekking hebbende op de klokvormige bloem, komen eveneens voor, zoals de reeds vermelde Grote Klokwinde (bij Dodonaeus Groote Clocxkenswinde). Verder nog Klokjeblom in Friesland, Wilde Klokken op Texel en Witte Klokskens in de Achterhoek. Dergelijke namen kwamen ook elders voor.
In Friesland komt men namen tegen als Spoekeblom, Spokbloemen en Spukebloem, en in het Groningse Westerkwartier Spokebloem, want, zo deelt Heukels in een notitie mede, deze namen hebben de volgende oorsprong: Men vertelde elkaar ‘Pluk ze niet af, want dan zal er vanavond een spook voor uw bed zitten.’ Een ander taboe was dat kinderen de bloem niet mochten plukken anders, zo hield men hen voor, zouden ze ’s nachts in hun bed plassen.
De naam Valbloem, in Groningen Valbloum, zou slaan op het feit dat na de korte bloei de bloem als het ware dichtklapt of dichtvalt. De volksnamen Hemdsbloem in Twente, Hemmetjes op Voorne en Beierland, en Onze Lieve Vrouwe Hemdeke (in Vlaanderen Onze Lieve Herenthemdeke) zouden zeker kunnen wijzen op de grote, witte uitstaande bloemen, waarin men een hemd heeft willen zien. Ook kan het in verband staan met de witte koorhemden van de priesters, want in Vlaanderen is een der volksnamen Paterhemdetjes. Later sprak men alleen van Hemmetje of Hemdsbloem. Als een variant op Patershemden is wellicht de naam Onze Lieve Vrouwe Hemdeke ontstaan, maar het kan ook zijn dat deze naam de eerste is geweest en de andere daaruit ontstaan is. Een Engelse overeenkomstige naam is die van Our Lady’s smock (O. L. Vrouwe hemd), terwijl eveneens voorkomt White smock (Wit Hemd) in Devon; de eerste naam is afkomstig van Somerset. Onvermeld laten mogen we niet de aardige Engelse volksnaam van Our Lady’s nightcap (O. L. Vrouw slaapmuts). Grandmother’s nightcap komt ook voor.
De namen Wierwinde in het graafschap Zutphen, en Weerwinde en Weerwijn zonder plaatsaanduiding, wijzen op het volksgebruik de plant als weerprofeet te beschouwen, want uit ervaring wist men dat bij komend slecht weer de bloem zich niet opende. Geen weg weten we met de voor Bergum genoteerde naam van Juffer Lizeblom. Waarschijnlijk een plaatselijke naam. In de volksgeneeskunde werd de wortel vroeger veel als laxeermiddel gebruikt. Deze aanwending vinden we reeds bij Dioscorides vermeld. In de loop der tijden werd de wortel niet meer voor dit doel gebruikt en vervangen door de uit Mexico afkomstige Jalappe (Ipomóéa púrga), die tot dezelfde familie (Windeachtigen) behoort.
De volgende legende was vroeger in omloop: Toen Jezus aan het kruis de laatste adem uitblies, treurde de natuur. De bomen, struiken en bloemen spraken zacht met elkaar en klaagden. Zo sprak de Winde: ‘Hij is dood en daarom zal ik elke avond mijn bloem sluiten en pas de volgende ochtend weer openen.’ In de Bayerische Staatsgemäldesammlungen te München hangt van de schilder Ulrich Apt de Oude een triptiek uit 1515: op het middelste luik staan de heilige Narcissus en Matthias afgebeeld. Tegen de stenen muur waarvoor zij staan groeit een bloeiende haagwinde.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut