Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

haag - (omheining met struiken, heg)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

haag zn. ‘omheining met struiken, heg’
Onl. haghe ‘omheind gebied of jachtterrein’ in de plaatsnaam Suithardeshaghe (onbekende ligging in Holland) [889; Künzel]; mnl. hage ‘(doorn)struikgewas’ [1240; Bern.], haghe ‘id. als grensafscheiding’ [1285; CG I, 1034], maar mnl. wellicht al eerder in de persoonsnaam henric de hage (in een Latijnse oorkonde, dus de = ‘van der’) [1212-23; CG I, 7].
Bij mnl. haghe alleen: os. hagu- ‘haag’ (in samenstellingen); ohd. hag ‘omheining, omwalling, stad’ (mhd. hac ‘omheining, omheinde ruimte, park’, nhd. Hag (vero.) ‘haag, heg’); < pgm. *hag-. Daarnaast een n-stam pgm. *hag-an-, waaruit mnl. haghen; os., ohd. hagan ‘doornstruik’ (mnd., mhd. hagen ‘omheining, omheinde ruimte’, nhd. Hain ‘klein bos, park’, Zwitsers-Duits Häge ‘haag, heg’); nfri. hage, haach ‘haag, heg’; oe. haga ‘haag, omheining, omheinde ruimte’ (me. hawe ‘haag’, ne. haw ‘bes van de hagedoorn’; uit oe. bovendien middeleeuws Latijn haga ‘omheind stuk land, i.h.b. binnen een stad’ [811; DMLfBS]); on. hagi ‘omheinde weide’ (nzw. hage ‘omheinde weide’, nde. have ‘tuin’). Verwant door i-umlaut zijn bovendien → heg, → hek en het werkwoord (om)heinen, zie → heining.
Verwant met: Latijn caulae ‘omheining’; vele Keltische vormen uit Proto-Keltisch *kagjo-, zoals Oudiers caí ‘huis’, Welsh cae ‘omheind gebied, heg’ en Gallisch caio ‘omheind gebied’, waaruit via Normandisch cai ‘havenhoofd’ Oudfrans cai (Nieuwfrans quai), waaruit mnl. caey, zie → kade; hierbij kan gereconstrueerd worden een wortel pie. *kh2egh- ‘omgeven’ (IEW 518), die echter een ongewone structuur heeft, n.l. h2e tussen medeklinkers. Het is daarom, mede gezien de beperkte geografische verbreiding, de variatie in de eindmedeklinker van de stam (heg naast hek) en het betekenisveld (natuurlijke omgeving), niet uitgesloten dat dit een substraatwoord is.
In het Middelnederlands was hage niet alleen een omheining, maar betekende het ook algemener ‘bosje van laag hout, struikgewas’, tegenover bos ‘hoog hout’. Een hage moest ongewenste indringers buiten houden, bijv. uit een jachtgebied, of het vee buiten de akkers; daarom werden vaak doornstruiken gebruikt, zoals braam en meidoorn, zie → hagendoorn. De beschutting die het aanbrengen van hagen aan de eigenaar leverde, gaf de betekenis aan → behagen. Net als bij → tuin en → gaard(e) kon ook bij haag de betekenis ‘omheining’ overgaan in ‘omheinde ruimte of jachtgebied’, wat weerklank vond in vele Nederlandse en Duitse plaatsnamen uit de 10e en 11e eeuw. Het landgoed van de graaf van Holland lag in de Haga [1242; van Berkel/Samplonius], zowel vrouwelijk als mannelijk verbogen, maar in de 17e eeuw alleen nog mannelijk met den en via des Graven hage [1400-50; MNW stoc] versteend tot 's-Gravenhage.
In de 14e tot en met de 16e eeuw werd hage- in diverse woorden als voorvoegsel gebruikt, aanvankelijk met een neutrale betekenis ‘daar waar hagen zijn, buiten de stad’, die zich later ontwikkelde in negatieve richting tot ‘minderwaardig’, en zelfs ‘heimelijk, onwettig’: bijv. haghepoorter ‘burger van een stad die buiten die stad woont’ (ook wel buitenpoorter genoemd, beide termen in contrast met de inpoorter) [1384-1407; MNW], hagemunt ‘niet erkende munt’ [1441; via MNW], haechpredicant [1566; zie → hagenpreek], haeckweduwe ‘vrouw met langdurig afwezige man’ [1573; Thes.] (hageweduw ‘ongehuwde moeder’ [16e-17e eeuw; De Bo 1873]), haeghspel ‘wedstrijd van de rederijkerskamers, maar buiten de stad gehouden (in contrast met het landjuweel)’ [1588; Kil.], haeghschole ‘onaanzienlijke, heimelijke school’ [1588; Kil.] (later, en nu nog BN, in de uitdrukking haagschool lopen ‘spijbelen’), hagemeester ‘onbevoegd geneesheer’ [16e-17e eeuw; De Bo 1873].
haagbeuk zn. ‘loofboom van het geslacht Carpinus’. Mnl. haeghbuecke ‘id. (Latijn curnum)’ [1477; Teuth.]. Deze boom wordt zo genoemd omdat hij veel gebruikt wordt voor hagen en op de beuk lijkt; hij behoort echter tot de berkenfamilie.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

haag* [heg] {in de vroegere plaatsnaam Suithardeshaghe (ligging onbekend) <889>, hage(n) 1201-1250} oudsaksisch hago, middelnederduits hage, oudengels haga (engels haw) [haag, heining], oudnoors hagi [weide]; buiten het germ. gallisch caio [omheining], welsh cae, cornisch ke [haag]; verwant met heginchoatief.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

haag znw. v., mnl. hāghe v. (maar ook m. zoals in Den Haag) ‘haag, heg, bosje, doornstruik’, onfrank. hago (in haginthorn), os. haga m. ‘haag’, oe. haga m. ‘heining, omheinde ruimte, woning’ (ne. haw), on. hagi ‘weide, omheind stuk land’. Daarnaast staat de stam *hagana- in mnl. hāghen ‘omheining’, mnd. mhd. hagen ‘omheining, omheinde ruimte’ (nhd. hagen, hain), ohd. hagan, os. hagan ‘doornstruik’ (zie: hagedoorn) en de stam *haga in ohd. hag, hac ‘stad’, mhd. hag, hac ‘omheining, omheinde ruimte, park, bos, doornstruik’. — lat. caulae ‘omheining, vlechtwerk’, gall. caium ‘veld, omheining’, kymr. cae ‘omheining, halsband’ (IEW 518). — Zie: heg, heining en hek.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

haag znw., mnl. hāghe v. (zelden m.; zoo nog in Den Haag) “haag, heg, boschje, doornstruik”. = onfr. *hago m. (in haginthorn), os. hago m. “haag”, ags. haga m. “heining, omheinde ruimte, woning” (eng. haw), on. hagi m. “weide”. Hiernaast: 1. de stam *χaʒana-: mnl. hāghen m. “omheining”, mhd. mnd. hagen m. “omheining, omheinde ruimte” (nhd. hagen, hain), ohd. hagan m. “doornstruik”, os. hagan (m.?) “id.” (oorspr. “bij een haag hoorende, in een haag groeiende struik”; evenzoo is ndl. hagedoorn, mnl. hāghedoorn m., onfr. haginthorn, mhd. hage(n)dorn, nhd. hagedorn, ags. hægðorn, eng. hawthorn, on. hagþorn m. oorspr. = “doornstruik, in een haag groeiend”) en 2. *χaʒa-: ohd. hag, hac m. “stad”, mhd. hag, hac m. o. “omheining, ingesloten ruimte, park, bosch, doornstruik” (nhd. hag m.). Mnl. mnd. hāge v. zou nog van een v. stam *χaʒô- kunnen komen; anders moeten wij geslachtsverandering aannemen. Vgl. heg, heining, hek. Van een idg. wortel qagh-, qogh- “omvatten”, waarvan ook kymr. cae “omheining”, caer “stad”, verder wsch. lat. cohus “holte (aan den ploeg voor den dissel)”, incohâre “aanvangen”, gr. kókhlos, kokhlías, kokhlíon “slakkenhuis, schelp, slak”, misschien ook oi. kakṣâ- “gordel, ringmuur, ingesloten ruimte”. Obg. košĭ “korf”, russ. koš “hut van vlechtarbeid, heg, schapenstal” kan ook anders goed verklaard worden. Zie ook behagen.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

haag, hagedoorn: naast ags. hægðorn ook haguðorn m. Ook mnd. hāgedōrn m. — Mnd. hāge v. en m.
De in het art. vermelde afleiding van haag is wel de meest waarschijnlijke, hoewel sommige hier genoemde niet-germ. woorden wel in ander verband worden geplaatst. — Dat verwantschap zou bestaan met haak (Sperber WuS. 6, 16 vlgg.: ‘haak’ > ‘doorn’ > ‘doornstruik’ > ‘omheining van doornstuiken’) is om formele en andere redenen niet te aanvaarden.
Zie nog behagen Suppl.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

haag v., Mnl. haghe, Os. hago + Ags. haga (Eng. haw), On. hagi (Zw. hege, De. have); nevens die zw. n-stammen de sterke a-stam Ohd. hag (Mhd. hac, Nhd. hag) + Gr. kόkhlos = schelp, Lat. cohus = holte, in-cohare = aanvangen, We.. cae, Gall. caium = omheining: Idg. wrt. qagh = omvatten; verg. verder heg en heinen. De bet. zijn: 1. heining van struikgewas, 2. struik, 3. struikgewas in een bosch, doornbosch, 4. schuilplaats, 5. het bij een adellijk verblijf behoorende domein. Door3 en4 heeft haag in samenst. de bet. van ʼt heimelijke, ʼt verdachte, ʼt geringe. Uit Germ. komt Fr. haie.

Thematische woordenboeken

G. van Berkel & K. Samplonius (2018), Nederlandse plaatsnamen verklaard

haag 'omheining, afgesloten gebied'
Onl. haghe 'omheind gebied of jachtterrein', mnl. hage 'bosje, omheining van levend hout, kreupelhout', os. hagu- 'haag' (in samenstellingen), ohd. hag 'omheining, omwalling, stad'. Daarnaast met -n stam mnl. haghen, nfri. hage, haach 'haag, heg', os. ohd. hagan 'doornstruik', oe. haga 'haag, omheining, omheinde ruimte', ono. hagi 'omheinde weide'. Verwant met Gallisch caio 'haag, omheining' en lat. caulae 'omheining, vlechtwerk'. De vorming van plaatsnamen met hage en met de datief meervoud hagen was als ontginningsnaam met name productief in de 10e en 11e eeuw, volgend op de eerste rode-namen1.
Oudste attestatie in plaatsnamen: 889 kopie 13e eeuw Suithardeshaghe (ligging onbekend, in Holland)2.
Lit. 1DOB 236, 2Künzel e.a. 1989 339.

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

haag (de -- zijner/ van zijn tanden) (vert. van Grieks herkos odontōn)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Haag schijnt oorspr. afsluiting te beteekenen; daarna de afsluiting (haag, heg) zelf. ’t Hgd. hegen bet. oorspr.: door een heg omgeven, daarna: verplegen, koesteren, vgl.: „Gelijck een aernt (arend) sijn ionge kiekens heegt en koestert”. Een afl. hiervan is hegening, thans heining. (Vgl. megid = meid; pegel = peil.)

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

haag ‘heg’ -> Negerhollands haschee ‘heg, (be)schutting, afscheiding, tralie’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

haag* heg 0889 [Künzel]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut