Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

gust - (niet drachtig)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

gust* [onvruchtbaar] {1325} middelnederduits gust; ondanks afwijkende vocaal vermoedelijk van geest(grond).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

gust bnw., mnl. gust ‘onvruchtbaar, nog niet gedragen hebbend’, mnd. gust ‘onvruchtbaar (van land en dieren)’, zwits. güst, gust ‘onvruchtbaar, geen melk gevend’. Daarnaast dial. (Zuid Holl., Utrecht) vormen die op û wijzen.

Het woord is onverklaard. Het is echter moeilijk te scheiden van geest 2, waarin ook het begrip ‘onvruchtbaar’ aanwezig is. Het woord zal in de taal van de veetelers een sterk affectief karakter gehad hebben en daarom kan men denken aan een wisseling van de klanken ei: eu, die meermalen is vast te stellen (vgl. J. de Vries, PBB 80, 1958, 1-32). — Uit een vorm als oostfri. gest, ofri. geste zal ne. guess (sedert 1736) overgenomen zijn (vgl. Bense 133).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

gust bnw., mnl. (noordndl.) gust “onvruchtbaar, nog niet gedragen hebbend”. = zwits. gust, güst “onvruchtbaar, geen melk gevend”, mnd. gust “onvruchtbaar (van land en dieren)”, misschien ook ofri. geste “onvruchtbaar (van land)”. Oorsprong onzeker. Verwantschap met geest II is niet mogelijk wegens ’t vocalisme.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

gust. Dial. (Z.-Holl., Utr.) ook vormen die op û wijzen, bijv. beierl. goist. - Ofri. geste zal wel gêste voorstellen en bij geest II behoren, evenals beierl. geest, synoniem van goist ‘gust’.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

guis, guist, gust bijv.(niet drachtig), + Ndd. güste: oorspr. onbek.

guis, guist, gust bijv.(niet drachtig), + Ndd. güste: oorspr. onbek.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

gus b.nw. (t.o.v. diere)
1. Nie dragtig nie. 2. Onvrugbaar.
Uit Ndl. gust (al Mnl.). Oor die oorsprong van Ndl. gust bestaan onsekerheid.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

gus: anders as by WAT en WNT word die wd. nog deur baie Afr. boere alleen op bok- en skaapooie toeg. (nie op hamels, kapaters of ander diere nie – ’n sodanige koei, merrie en selfs vrou word deur hulle ’n kween (q.v.) genoem) en ook alleen in bet. “onvrugbaar” (teenoor droë ooie wat ’n lamtyd oorgeslaan het of te oud geword het om weer dragtig te word – soos gust by vRieb: “de koeyen, die dan gust ende vet off wel in ’t vleys geworden sijnde”); Ndl. gust/guist (ouer guste/gost), Pd. gust/güste, waarvan herk. hoërop onbek. en verb. m. Ndl. geest en m. Eng. geld(ing) twyfelagtig is – nie deur Kloe HGA behandel nie.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut