Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

gup - (tropisch visje) (Lebistes reticulatus)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

gup(py) zn. ‘tropisch visje’ (Lebistes reticulatus)
Nnl. lebistes reticulatus - guppy [1967; WNT Aanv.], de selectieve kweek van de gup [1967; WNT Aanv.], gup, guppy, guppies (mv.) [1973; WP Dierenrijk], ook gupje [1975; van Dale Hwb.] en guppie [1986; Koenen], ook als scheldwoord gup, guppie ‘gestoord persoon’, en de samenstelling guppekop ‘id.’ [1989; Heestermans 1989].
Ontleend aan Engels guppy [1925] uit Neolatijn guppyi [1866]. Het aquariumvisje is genoemd naar de predikant en dierkundige Robert J.L. Guppy, die het in 1866 in het Caraïbisch gebied ontdekte en opstuurde naar het British Museum, waar het in datzelfde jaar in de catalogus werd opgenomen als Gerardinus guppyi ‘Gerardinus van Guppy’, volgens de gewoonte dat aan de wetenschappelijke naam die van de ontdekker kan worden toegevoegd in de gelatiniseerde genitief. In het Nederlands verkort tot gup en daarna ook wel hypercorrect verkleind tot gupje, omdat men de Engelse naam als verkleinwoord opvatte.
Volgens Sanders 1993 werden eind jaren zeventig de scheldwoorden guppie en achterlijke gup door André van Duin geïntroduceerd.
Lit.: Winkler Prins (1973), Encyclopedie van het dierenrijk, Amsterdam/Brussel

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

gup, guppy [een visje] {gup, guppy na 1950} < engels guppy, genoemd naar dominee Robert J.L. Guppy (1836-1916) van Trinidad, die het visje in 1866 ontdekte; de verkorting tot gup heeft in het nl. plaatsgevonden.

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

gup(py), guppenkop: (vnl. jeugdtaal) saaie piet, duffe vent; maar ook: geestelijk gestoord of maf persoon; klein, onbenullig of jong iemand; groentje. Bij Laps: wezenloos lachend persoon. Het scheldwoord achterlijke gup werd eind jaren zeventig door André van Duin gelanceerd. Het werkwoord guppen betekent in de jeugdtaal ‘ergens een hekel aan hebben, balen’. De gup of guppy is eigenlijk een bepaald klein visje. Genoemd naar de ontdekker, dominee Robert J. L. Guppy (1836-1916), die veel wetenschappelijk onderzoek op Trinidad heeft gedaan. Guppy’s worden wel eens visjes voor beginners genoemd omdat ze weinig eisen stellen wat betreft verzorging en bijzonder gemakkelijk te kweken zijn in het gezelschapsaquarium.

‘Wat een guppekop!’ mompelde hij beeldend, toen een alternatief meiske langsscheerde… (Jos Brink, Stukje voor stukje, 1985)
… deze ‘kleine slome studiebolletjes’, ook wel aangeduid als ‘eitjes’, ‘guppies’, ‘Harries’ of ‘veterboys’… (Mieke de Waal, Meisjes: Een wereld apart, 1989)
De bewoners van die zweethallen bekeken me met iets van verbazing ook: wat deed zo’n square gup hier? (Nieuwe Revu, 19/11/1997)

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

guppy (Engels guppy)
Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

gup, guppy beenvis 1967 [Aanv WNT] <Engels

M. De Coster (1999), Woordenboek van Neologismen: 25 jaar taalaanwinsten, Amsterdam

gup(pie), informele jeugdtaal voor ‘duf, saai persoon’. Het scheldwoord achterlijke gup werd eind jaren zeventig door André van Duin gelanceerd.

Ik vond het allemaal van die droge, dorre rotkoppen. Net wandelende Transactionele Analyse boeken! Ik hing ieder uur met m’n moeder en m’n zuster aan de telefoon. ‘Het zijn zulke guppies! Ik hou het hier niet uit!’ (Jantiene van Aschs: Intermezzo, 1988)
Mensen mogen mij best een gup vinden, dat is ieders vrijheid, maar alleen als ze met me gepraat hebben, dan kennen ze me. (Club, juni 1988)
... deze ‘kleine slome lompe studiebolletjes’, ook wel aangeduid als ‘eitjes’, ‘guppies’, ‘Harries’ of ‘veterboys’. (Mieke De Waal: Meisjes: Een wereld apart, 1989)
Ik was vroeger PvdA. Maar ja, al die guppen en yuppen. (Nieuwe Revu, 13/04/94)
De bewoners van die zweethallen bekeken me met iets van verbazing ook: wat deed zo’n square gup hier? (Nieuwe Revu, 19/11/97(
jong persoon; snotneus.
Leigh zegt dat het volstrekt niet door de beugel kan dat de hoogste man van het land het in zijn eigen huis aanlegt met een guppie van 21 jaar. (Elsevier, 31/01/98)
Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut