Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

gulden - (gouden)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

gulden 2 bn. ‘gouden’
Mnl. gulden ‘van goud, gouden’ [1240; Bern.], guldijn, guldin ‘gouden’ [1285; CG II, Rijmb.], een gulden crone ‘een gouden kroon’ [1276-1300; CG II, Lut.A].
Afleiding met i-umlaut van de Proto-Germaanse wortel *gulþ- ‘goud’, zie → goud, met het achtervoegsel *-īn, waaruit mnl. -ijn, -in, -en, in welke laatste vorm dit achtervoegsel productief is gebleven; met -en worden bn. bij stofnamen gevormd, zoals houten bij hout, loden bij lood, etc. In het vroege Middelnederlands ontstond naast gulden door aanpassing aan de stofnaam goud een nieuw bn.gouden.
Ohd. guldîn; ofri. gelden; oe. gylden (ne. ww. gild ‘verfraaien’; ne. golden ‘gouden’ is een jongere afleiding van gold); on. gullinn (nzw. gyllene); got. gulþeins; < pgm. *gulþ-īn ‘gouden’, afleiding van*gulþ(-a-) ‘goud’.
Gulden werd voor algemeen gebruik verdrongen door gouden en komt als bn. alleen nog voor in verheven stijl en staande uitdrukkingen als de gulden middenweg, eerder al gulde middelmaet [1669; WNT], het gulden midden [1864; WNT]; voorts in afleidingen als → vergulden en als het zn.gulden 1.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

gulden bnw., mnl. guldijn (-en). = ohd. guldîn, os. guldin, ofri. gelden, ags. gylden, on. gullinn, got. gulϸeins “gouden”. Van goud. Ndl. gouden (reeds mnl. goudijn, -en), nhd. golden, owfri. golden (gulden), eng. golden “gouden” zijn in hun vocalisme door ʼt znw. goud beïnvloed. — Gulden znw., mnl. gulden m. = mhd. gulden, -în (nhd. gulden), ofri. gelden (golden, gulden, gouden) m., (eng. guilder) “gulden”. Oorspr. het m. bnw.; nog als bnw. in mnl. gulden florijn. Oorspr. was gulden de naam van een goudmunt.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

gulden. Bij het znw. gulden ook mnd. gülden m. te vermelden.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

gulden 1 bijv.(van goud), Mnl. id., Os. guldîn + Ohd. guldîn (Mhd. id., Nhd. gülden). Go. gulþeins, afgel. van den ouderen vorm van goud (z.d.w.).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

gulde b.nw.
1. (digterlik) Wat die kleur of glans van goud het. 2. Uitnemend, waardevol.
Uit Ndl. gulden (Mnl. guldijn in bet. 1, 1612 in bet. 2). Naas Mnl. guldijn ook goudijn waaruit blyk dat Ndl. goud en Ndl. gulden met mekaar verband hou. Klankwettig het -oud/-out uit ouer -ald/-alt of -old/olt ontwikkel, en vandaar die wisseling tussen Ndl. en Afr. goud en bv. D. Gold en Eng. gold. Die -uld/-ult het egter nie verander nie, en daarom kom naas Ndl. gouden ook Ndl. gulden voor. Mnl. guldijn, asook gulden in verouderde Ndl., het nog lett. 'goue' beteken. Die Ndl. muntnaam gulden dui daarop dat die munt oorspr. in goud geslaan is. Die bet. 'goud' blyk ook nog uit die ww. verguld.
D. gulden, Eng. gild, gilt, golden.
Vgl. goud.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

gulde I: b.nw., in Afr. veral nog in enkele geykte uitdr. in bet. “goeie, vermaarde; goudkleurige”; Ndl. gulden (Mnl. guldijn, gulden, umlv. v. ouer gold, sonder mouilg. soos in goud, hoewel reeds Mnl. ook goudijn/gouden na anal. v. goud), Hd. en Eng. golden, vgl. ook Eng. gild en gilt, (eint.) “verguld”.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal