Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

gul - (niet-volgroeide kabeljauw)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

gul2* [niet-volgroeide kabeljauw] {gullekijn [kleine kabeljauw of schelvis] 1376-1400} fries gol(le); vermoedelijk verwant met geel1 en dan genoemd naar de horizontale gelige spiraallijnen op de flanken.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

gul 1 znw. v. ‘kleine kabeljauw’, mnl. gul, gulle, vgl. gullekijn ‘kleine kabeljauw of schelvis’, ook schots gull ‘grote soort forel’, oostfri. gul, fri. gol, golle. — Is de vis naar zijn lichte kleur genoemd, dan kan men verband met geel aannemen.

Daarentegen denkt K. Heeroma Ts. 61, 1942, 45-77, die wijst op het synoniem bolk, aan het friese gol dat o.a. ‘voos, pafferig’ betekent. Dan is de vis naar zijn vorm zo genoemd. Dit gol rekent hij dan tot de klanknabootsende woorden met g-anlaut, wat minder overtuigend is. — Zie ook: gul 2.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

gul I (kleine kabeljauw), mnl. gul(le) (blijkens gullekijn o. “kleine kabeljauw” of “schelvisch”). Vgl. schotsch gull “groote soort forel”, oostfri. gul, fri. gol, golle “gul”. Misschien *ʒuljô(n) -, *ʒulnô(n)-, ablautend met geel?

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

gul 2 v. (visch), Mnl. gulle + Ndd. en Schot. gull: Ug. *guljô, ablaut van geel; het is immers de gele wijting.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut