Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

gul - (royaal)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

gul bn. ‘vrijgevig, royaal’
Vnnl. gul eerst in allerlei niet meer gebruikelijke betekenissen, o.a. ‘puur’ in gulle botter [1615; WNT], ‘welig’ in gul en welig hout ‘welig struikgewas en geboomte’ [1629; WNT], ‘mul’ in het gulle zant [1632; WNT], ‘rijk stromend, snel vlietend’ in met gulle stromen [1635; WNT], gull ‘bol, paffig, voos; hol’ [ca. 1640; WNT], ‘vloeibaar’ in gul metael [1647; WNT]; nnl. dan gezegd van personen: gul “good natured, soft” [1691; Sewel NE], een gul mensch ‘openhartig, goedaardig’ [1701; WNT], gy zyt zeer gul! ‘vrijgevig, hartelijk’ [1782; WNT].
De herkomst is onbekend. Het woord heeft een zeer ruime betekenissfeer, zoals uit de eerste vindplaatsen blijkt; dit feit en het late optreden maken een verklaring moeilijk. NEW denkt dat het woord een grondbetekenis ‘stromend’ heeft en met een grondvorm pgm. *guz-lu- hoort bij de wortel van het werkwoord → gutsen, verwant met → gieten; FvW acht dit onwaarschijnlijk, onder meer omdat -lu een zeldzaam achtervoegsel is en de wortel *geu-s-, *gu-s- wrsch. jong is; een grondbetekenis ‘los aan elkaar hangend’ lijkt hem waarschijnlijker, al blijft de verdere herkomst ook dan duister. Een derde mogelijkheid is dat gul samenhangt met → gulzig ‘vraatzuchtig’, → gulp 2 ‘dikke straal, slok’ en → geul ‘smal water, gleuf’ of dat die woorden en gul elkaar onderling hebben beïnvloed.
Nfri. gol ‘gul, goedhartig’, Oostfries gul ‘mul, week, mild’; misschien me. gulle ‘vrolijk’.
Verwantschap met Servisch gúliti ‘schillen, villen’ en Sloveens gúliti ‘wrijven, scherpen, villen’, waaruit dus een grondbetekenis ‘losgewreven, losgekrabd’ zou blijken, lijkt ook niet wrsch. (FvW).

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

gul1* [royaal] {1615 in de betekenis ‘mul, zacht, royaal’} nederduits gull [mild], fries gol [goedhartig], oostfries gul [mul, vriendelijk], middelengels gulle [vrolijk]; etymologie onbekend.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

gul 2 bnw., eerst sedert de 17de eeuw ‘bol, welig, vlietend, mul, levenslustig, vrolijk, openhartig, mild’, oostfri. gul ‘gul, mul, los, week, vriendelijk, mild’, fri. gol ‘gul, goedhartig, mild, blijmoedig’. — Indien men uitgaat van -ll- < -zl-, dan kan men de stam opvatten als *guz-lú en het woord verbinden met Kiliaen guysen ‘met geruis uitstromen’, ne. gush ‘uitstromen’, on. gjōsa ‘te voorschijn stromen’, vgl. miers guss (< *ghus-tus) ‘kracht, heftigheid, toorn’, van de idg. stam *ĝheu ‘stromen’, waarvoor zie: gieten (W. van Helten Ts 18, 1899, 283-289).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

gul II bnw., sedert de 17. eeuw. Met ruime bet.-sfeer, o.a. = “bol, welig, vlietend, rijkelijk vloeiend, mul, levenslustig, vroolijk, openhartig, mild”. = oostfri. gul “mul, los, week, vriendelijk, mild”, fri. gol “gul, goedhartig, mild, blijmoedig”. Onwsch. is de grondbet. “stroomend”, op grond waarvan men gul als *ʒuz-lu- bij Kil. guysen, eng. to gush “gutsen”, on. gjôsa “met kracht en geraas uitstroomen” (verwant met gieten) gebracht heeft. Ook is -lu- een zeldzaam suffix en de basis ʒeu-s-, ʒu-s- wsch. jong. De oorspr. bet. was veeleer “los aan elkaar hangend”. Oorsprong onbekend: bij serv. gúliti “schillen, villen”, slov. gúliti “wrijven, scherpen, villen”, dus gul (*ʒul-na-) = “gewreven, losgekrabd”? Ook niet wsch.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

gul 1 bijv.(ronduit), + Ndd. gull = mild, Meng. gulle = vroolijk: oorspr. onbek.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

gul b.nw.
1. Wat mildelik bydra, vrygewig. 2. Uit die hart, opreg. 3. Ongedwonge, spontaan.
Uit Ndl. gul (eerste helfte van die 17de eeu). Gul kom alleen in Ndl. en Afr. voor, en die verdere etimologie is onbekend. Dit is vir die eerste keer in 1615 opgeteken in die bet. 'bol, sag'.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

gul ‘royaal’ -> Fries gol ‘royaal’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

gul* royaal 1615 [WNT gul II]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut