Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

guichelheil - (Anagallis arvensis)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

guichelheil* [plantengeslacht] {guychelheyl 1553} het eerste lid van guichelen [gekheid maken], middelnederlands guchelen, gugelen, gukelen [smaadwoorden richten tot] (vgl. goochelen); het hoogduits Gauchheil, Geckenheil, Narrenheil geeft duidelijker aan, dat de plant in de volksgeneeskunde gebruikt werd tegen zenuwziekten.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

guichelheil znw. o. ‘anagallis arvensis’, nhd. gauchheil, geckenheil, narrenheil, zo genoemd omdat het als middel tegen geestesziekten, bijz. ook tegen hondsdolheid gebruikt werd. Het 1ste lid guichel is onder goochelen behandeld.

Het nhd. gauchheil bevat daarentegen ohd. gauh ‘koekoek’, vgl. mnl. gooc, os. gāk, gōk, mnd. gōk, oe. geac, on. gaukr (reeds oernoors als eigennaam GaukaR), dat wel de klank van de vogelschreeuw zal nabootsen.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

guichelheil, guichheil o., naar Hgd. gauchheil, zooveel als salus stultorum, d.i. geneesmiddel der gekken (z. guig)

Thematische woordenboeken

W. Deconinck (2019), Plantennamen nader toegelicht, Kortrijk.

guichelheil
Rood en blauw guichelheil | Anagallis arvensis L.

In het Duits heet de plant Gauchheil, waarin gauch een oud Duits woord is voor geestelijk zieken, en waar heil verwijst naar helen of genezen. De Nederlandse naam Guichelheil is uit het Duits overgenomen en betekent dus geestelijk zieken genezen.

De plant werd vroeger inderdaad gebruikt voor de behandeling van geesteszieken en voor het verdrijven van depressiviteit. In Dodoens (1618) staat daarover: “Insgelijck schrijft hij [Dioscorides, de beroemde Griekse arts die in de eerste eeuw na Christus leefde] dat heur sap [van Guichelheil] het hooft van binnen purgeren ende suyveren can, alsmen de keele daer mede spoelt al gorgelende.”

Guich is ook een oud Nederlands woord voor dwaas- of gekheid en staat in verband met het werkwoord guichelen, d.i. gek doen, giechelen.

Rood guichelheil draagt menierode bloemen en is eigenlijk een ondersoort: Anagallis arvensis subsp. arvensis. Zeldzamer is de ondersoort Blauw guichelheil: Anagallis arvensis subsp. foemina. 30

F. Kok (2007), Waarom brandnetel?, Nieuwegein

Guichelheil (rood), Anagallis arvensis
Anagallis: volgens Linnaeus komt anagallis van het Griekse word anagelao = ik lach, omdat men vroeger meende dat melancholie werd verdreven door het gebruik van dit plantje.
Arvensis: de plant groeit meestal op akkers of groeide vroeger vaak op akkers.
Rood guichelheil: de naam guichelheil is een samenstelling van guichel = gekheid, razernij en heil = helen, omdat men meende dat het plantje geesteszieken en melancholie kon genezen. Het rood in de Nederlandse naam komt van de kleur van de bloemen.

H. Kleijn (1970), Planten en hun naam: Een botanisch lexicon voor de Lage Landen, Amsterdam

Anagállis | Anagállis arvénsis: Guichelheil
De meningen over de afleiding van de naam anagâllis voor dit plantengeslacht zijn allerminst eensluidend. Zonder enig verder kommentaar geven we deze hier weer. Volgens Linnaeus komt anagallis van het Griekse woord anagelao: ik lach, omdat men vroeger meende dat melancholie werd verdreven door gebruik van dit plantje. Een andere verklaring is dat het gevormd was uit ana: weer en agallo: versieren, omdat Guichelheil in de herfst veelal voor de tweede maal bloeit. Ook meent men dat het uit het Griekse woord anagallomai: ik praal, is ontstaan of van anagallo: ik maak weer glanzend. Ook Dioscorides kende het plantje onder de naam Anagallis, waarschijnlijk afgeleid van agallis, een vissoort, of van agallein: tot de schoonheid behorend. Keuze genoeg zou men zeggen.
De naam Guichelheil is een samenstelling van guichel: gekheid, razernij en heil: helen, omdat men meende dat het plantje geesteszieken en melancholie kon genezen. Ook lieden die door dolle honden waren gebeten, kon men met het kruid genezen. Het middel tegen hondsdolheid steunt op een mededeling die we bij Plinius opgetekend vinden. Dit gebruik vinden we in alle oude kruidboeken vermeld en het heeft tot ver in de negentiende eeuw stand gehouden. De naam Heil-der-zotten, zonder bronvermelding bij Heukels, zou best een vertaling kunnen zijn van de Duitse volksnaam Narrenheil. Maar zekerheid ontbreekt tot op heden. Niet alleen menselijke kwalen en ziekten kon men er mee genezen, maar het werd ook bij draaiziekte van de schapen gebruikt.
Dat de plant bekend stond als zeer geneeskrachtig mogen we opmaken uit de naam Heelal, opgegeven voor Goeree. Het zal ons dan ook niet verbazen te vernemen dat vroeger de plant in de officiële geneeskunde aangewend werd. In de apotheken was Anagallis bekend als Herba Anagallidis. Het werd gebruikt als urine- en zweetafdrijvend middel, bij nierontsteking, geelzucht en leverkwalen. In de volksgeneeskunst werd de plant aangeprezen bij waterzucht, longziekten, maar ook om wratten te verwijderen. Een naam die we voor vele streken vinden opgetekend is die van Rode muur, met vele gewestelijke vormen zoals Reade muur, Rode mier(e), Murik en in Noord Limburg Meer; in het Land van Hulst spreekt men van Muurkruid. Deze namen met muur wijzen op de gelijkenis van de bloempjes met die van het bekende onkruid Muur of Vogelmuur (Stellária média), vandaar dat men op Walcheren de plant Rode bastaardmuur noemt.
Naar de helderrode bloempjes kreeg op Terschelling het plantje de naam van Wild kooltjevuur. De naam van Spikkelatiefjes in Zeeuws Vlaanderen (in Belgisch Vlaanderen spreekt men van Spekulatiefje) is eenvoudig daaruit te verklaren dat de rode bloemblaadjes zwarte spikkels vertonen.
Slaat men de hedendaagse flora op dan leest men dat de vroegere Anagallis arvensis in twee ondersoorten uiteengevallen is, namelijk arvénsis met een rode bloemkroon en coerulea met een blauwe. Dit feit dat er planten voorkwamen met rode en blauwe bloemen was reeds Dioscorides in de eerste eeuw na Chr. opgevallen. Hij deelde de rode ondersoort in bij de manlijke Guichelheil en de blauwe bij de vrouwelijke. Het behoeft ons niet te verwonderen, gezien de autoriteit van Dioscorides, dat Fuchs en Dodonaeus in de zestiende en zeventiende eeuw nog spreken van Guychelheylmanneken en Guychelheylwijfken. Dat ook Plinius de rode en de blauwe ondersoorten kende, kunnen we opmaken uit zijn bewering dat de ‘blauwe’ door de schapen niet werd gegeten en de ‘rode’ wel. Heukels geeft zonder enige verdere aanduiding dat er een volksnaam heeft bestaan die luidde Lievenheersteentjes. Is het mogelijk dat deze naam is ontstaan, doordat de bijna ronde, witte vruchtkapsels op steentjes lijken? Wat was vroeger gemakkelijker dan een naam te verbinden met een lid van de Heilige Familie? Misschien schreef men het plantje wel bepaalde krachten toe?
We willen nog attenderen op het volgende. Het gebruik van Guichelheil bij krankzinnigheid, zou volgens de signatuurleer steunen op het feit, dat de kleine ronde vruchtkapsels gelijkenis vertonen met een kale schedel.
De naam Blommetjes-van-zeven-kwartier op Schouwen wil erop wijzen, dat de bloempjes slechts zeer kort geopend zijn, vooral als het weer niet te zonnig is. In de regel openen de bloempjes zich om ongeveer negen uur en sluiten zich weer omstreeks twee uur. Betrekt het weer of is er regen op komst, dan sluiten zij zich eveneens. Dat ook in andere landen dit gebeuren bij de bevolking was opgevallen, gaf aanleiding in Duitsland het plantje Faule Magd te noemen, dat zoveel zeggen wil als luie dienstmaagd; ook Faules Gretchen komt voor. In het Engelse Dorset spreekt men van ]ohn-go-to-bed-at-noon of Jan die reeds omtrent het middaguur naar bed gaat.
In Duitsland en Engeland kreeg Guichelheil onder meer namen als Armer-Leute-Wetter glas en Poor-man’s-weatherglass. Men beschouwde het plantje dus als een soort barometer, hetgeen we in het volgende versje vinden verhaald.
Blümlein Gauchheil rot blau
Bei drohenden Wolken beschau:
Will es regnen, so gehen sie zu;
Hast du Gefahr, so eile du!
Het geloof in de kracht om bloedingen te stelpen, was zo groot, dat men beweerde dat, indien na een aderlating het bloeden niet wilde ophouden, het voldoende was het kruid in de hand te nemen om aan het verder vloeien paal en perk te stellen.
Tenslotte nog dit: Slaan we L. Fuchs (1543) op, dan lezen we: ‘aan de stijl van de deur gehangen om allerhande Guichelye en nachtgeeste te verdrijven.’ Aan het kleine plantje werden dus ook antidemonische krachten toegeschreven.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut